Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 23.06.1994
Summary :
Gemeentebelastingen,Betekening van beroep aan procespartijen,Betekening aan gemeente
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 23.06.1994
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 23.06.1994 Tax year : 2005 Document date : 23/06/1994 Document language : NL Name : G 94/18 Version : 1 Court : appeal
ARREST G 94/18 Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 23.06.1994 FJF 95/23 Gemeentebelastingen - Betekening van beroep aan procespartijen - Betekening aan gemeente Wanneer de wettigheid van het gemeentelijk belastingreglement, op grond waarvan de aangevochten belasting is geheven, wordt aangevochten, is de stad of gemeente die de betwiste belasting heeft opgelegd, als belastingheffende overheid partij in het geschil. Deze moet de aangevochten wettigheid van het belastingreglement en derhalve van de door haar opgelegde lokale belasting kunnen verdedigen voor het Hof. De voorziening moet aan de gemeente als procespartij worden betekend binnen de termijn voorzien in artikel 280 WIB. Voorzitter: mevr. Van Isterdael Raadsheren: dhr. Gallet, mevr. Van Eygen Advocaten: mr. Delaruelle loco mr. De Decker en loco mr. Blontrock, mr. Doolaege, mr. Vanlee loco mr. Fazzi N.V. E. thans geding hernomen door N.V. B. tegen 1. Provincie Oost-Vlaanderen 2. Stad Gent Overwegende dat de N.V. B., die de rechten van de N.V. E. heeft overgenomen, regelmatig het geding ingeleid door de N.V. E. heeft hervat en voortzet; dat ter terechtzitting van 5 mei 1994 de Stad Gent bij monde van haar raadsman vrijwillig is verschenen als in zake geroepen door de N.V. B.; Overwegende dat N.V. E. een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen van 12 januari 1989, waarbij het bezwaar werd afgewezen tegen de op haar naam ingekohierde aanslagen inzake provinciebelastingen voor het aanslagjaar 1987 (kohierartikels 708.641, 753.241, 782.340, 782.341 en 782.342), doch enkel wat betreft de in deze kohierartikels geheven aanvullende gemeentebelastingen op de provinciale belastingen op de aanplakborden; Overwegende dat uit het overgelegd dossier blijkt dat de bedoelde kohierbelastingen uitvoerbaar werden verklaard op 3 juli 1987 en dat de aanslagbiljetten werden verzonden op 17 juli 1987; Overwegende dat de eiseres op 15 september 1987 bezwaar indiende; dat bij beslissing van 12 januari 1989 de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen dit bezwaar heeft verworpen; Overwegende dat in de voorziening voor het Hof de eiseres ook enkel de opgelegde aanvullende gemeentebelasting op de provinciale belasting op de aanplakborden betwist; dat deze respectievelijk belopen op 2.000.400 frank (kohierartikel 708.641), 138.600 frank (kohierartikel 753.241), 193.500 frank (kohierartikel 782.340), 137.400 frank (kohierartikel 782.341) en 189.000 frank (kohierartikel 782.342); Overwegende dat het verzoekschrift houdende hoger beroep betekend werd aan de Provincie Oost-Vlaanderen op 2 maart 1989 en dat dit verzoekschrift, samen met het exploot van betekening, ter griffie alhier werd neergelegd op 3 maart 1989; Overwegende dat ditzelfde verzoekschrift houdende hoger beroep aan de Stad Gent werd betekend op 15 maart 1994; Overwegende dat zowel de Provincie Oost-Vlaanderen als de Stad Gent in hoofdorde opwerpen dat de voorziening niet ontvankelijk is omdat deze niet tijdig werd betekend aan de Stad Gent die de tegenpartij is in onderhavige procedure; dat derhalve eerst moet worden onderzocht of het hoger beroep regelmatig werd ingesteld; Overwegende dat de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen die van toepassing is op de door de provincies en gemeente gevestigde belastingen, in artikel 5 voorziet dat diegene die een kohierbelasting verschuldigd is bezwaar kan indienen bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad; Overwegende dat artikel 7 van dezelfde wet bepaalt dat de vormen en de termijnen van het hoger beroep tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie, evenals de rechtspleging, worden geregeld zoals inzake rijksbelastingen; Overwegende dat aldus wat de procedure van de voorziening betreft, de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen van toepassing zijn; Overwegende dat de toenmalige artikelen 279 en 280 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (378 en 379 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/1992) bepalen dat de voorziening moet worden ingesteld bij verzoekschrift dat bij gerechtsdeurwaardersexploot wordt betekend aan de directeur der belastingen die de bestreden beslissing heeft genomen en dat dit verzoekschrift samen met het origineel van de aanzegging moet worden neergelegd ter griffie van het Hof binnen een termijn van 40 vrije dagen te rekenen van de betekening van de beslissing van de belanghebbende; Overwegende dat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen werd betekend op 25 januari 1989; dat de N.V. E. het verzoekschrift tot hoger beroep bij gerechtsdeurwaardersexploot heeft betekend aan de Provincie Oost-Vlaanderen binnen de door de wet van 23 december 1986 voorgeschreven termijn van 40 dagen; dat ten aanzien van de Stad Gent het verzoekschrift tot hoger beroep werd betekend nadat de zaak reeds voor het Hof aanhangig was en uitgesteld werd op een vaste datum op vraag van de eisende partij ten einde haar toe te laten ook de Stad Gent in de zaak te kunnen roepen; Overwegende dat ervan dient te worden uitgegaan dat in het Wetboek van Inkomstenbelastingen de directeur der directe belastingen aan wie de voorziening moet worden betekend wordt aangewezen in zijn dubbele hoedanigheid, namelijk als beslissende overheid die het dossier aan het Hof moet overmaken en als fiscus die zich als partij voor het Hof moet kunnen verdedigen; Overwegende dat de Bestendige Deputatie alhier is opgetreden als beslissende overheid zoals de directeur der directe belastingen inzake rijksinkomstenbelastingen; dat dan ook terecht de voorziening bij gerechtsdeurwaardersexploot werd betekend aan de Bestendige Deputatie die de bestreden beslissing heeft genomen; Overwegende dat echter dient te worden vastgesteld dat ten deze niet de grondslag waarop de gemeentelijke opcentiemes zijn gevestigd wordt aangevochten maar wel de wettigheid van het gemeentelijk belastingreglement genomen door de Stad Gent, op grond waarvan de aangevochten belasting is geheven; Overwegende derhalve dat, alhoewel de betwiste belasting werd ingekohierd door de provincie, de tegenpartij niet de provinciale overheid is; Overwegende dat aldus de Stad Gent, die de betwiste belasting heeft opgelegd, als belastingheffende overheid partij is in het proces; dat het evident is dat zij de aangevochten wettigheid van het belastingreglement en derhalve van de door haar opgelegde lokale belasting moet kunnen verdedigen voor het Hof en dat daarom de voorziening ook aan haar als procespartij moet worden betekend; Overwegende trouwens dat de eiseres aanvankelijk heeft erkend dat de Stad Gent haar tegenpartij was vermits zij in het verzoekschrift tot hoger beroep stelde ''dat huidig beroep gericht is tegen de Stad Gent, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn ten gemeentehuize''; Overwegende dat de omstandigheid dat de Provincie de betwiste belasting ging invorderen hieraan niets wijzigt; Overwegende dat de Stad Gent dan ook als procespartij in kennis diende te worden gesteld van de voorziening binnen de termijn voorzien door de wet van 23 december 1986; Overwegende dat daaromtrent de eiseres ten onrechte voorhoudt dat het aan de Provincie, aan wie de voorziening werd betekend, behoorde de Stad Gent te verwittigen omtrent het verzoekschrift tot hoger beroep; dat immers de Stad Gent als tegenpartij diende te worden verwittigd op grond van de procedure voorzien in de wet; Overwegende dat ook nog wordt ingeroepen dat de belangen van de Stad Gent niet werden geschaad en dat op grond van artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek de onregelmatigheid van de vorm van de voorziening niet tot een nietigheid kan leiden vermits het doel van de handeling werd bereikt, nu de Stad Gent uiteindelijk is verschenen en haar belangen heeft kunnen verdedigen; Overwegende dat de termijn voorzien door het toenmalig artikel 280 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen om een voorziening in te dienen een vervaltermijn is die de openbare orde raakt, zodat het Hof van beroep zelfs van ambtswege moet nagaan of de voorziening tijdig is geschied; dat op grond van artikel 7 alinea 2 van de wet van 23 december 1986 hetzelfde geldt voor het indienen van een voorziening inzake lokale belastingen; Overwegende dat nu de termijn om een voorziening in te dienen niet werd nageleefd ten aanzien van de tegenpartij de Stad Gent, de voorziening niet ontvankelijk is; Op die gronden, Het Hof, Gelet op artikel 24 bis van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Voorzitter Nicole van Isterdael en de partijen in hun middelen en conclusies. Geeft akte aan de N.V. B. van haar hervatting van geding namens de N.V. E. Verklaart de voorziening niet ontvankelijk. Veroordeelt de eiseres in de kosten. |
|||||||