Arrest van het Hof van Cassatie dd. 08.12.2000
Summary :
Materiële vergissing,Facultatieve aangifte van roerende inkomsten,Niet-aangifte
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 08.12.2000
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 08.12.2000 Tax year : 2005 Document date : 08/12/2000 Document language : NL Modification date : 30/11/2006 08:21:20 Name : C 00/25 Version : 1 Court : cassation
ARREST C 00/25 Arrest van het Hof van Cassatie dd. 08.12.2000 Bull. nr. 825, pag. 1250-1253 FJF 2001/51 Oorspronkelijk arrest: Hof van Beroep te Gent dd. 22.12.1998 Materiële vergissing - Facultatieve aangifte van roerende inkomsten - Niet-aangifte Krachtens artikel 220bis, tweede lid van het WIB is de roerende voorheffing definitief door de Schatkist verworven wanneer de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de in die wetsbepaling bedoelde inkomsten niet te vermelden in zijn jaarlijkse aangifte. Uit het opzet van deze bepaling volgt dat de belastingplichtige die gebruikgemaakt heeft van de in vermeld artikel 220bis geboden mogelijkheid, achteraf de roerende voorheffing niet kan terugkrijgen, ook al wijt hij de niet-aangifte aan een vergissing, en zelfs al is deze van louter materiële aard. Voorzitter : M. Verougstraete Afdelingsvoorzitter : M. Boes Raadsheren : M. Londers, M. Dirix, M. Matray Advocaat-generaal : Mr. Goeminne Advocaten : Mr. Delafontaine de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën; tegen F.D., E.V. Het Hof, Gehoord het verslag van raadsheer Londers en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne; Gelet op het bestreden arrest, op 22 december 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent; Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (afgekort WIB) zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1986, doordat het bestreden arrest beslist dat noch uit de wettekst, noch uit de parlementaire voorbereiding, noch uit de economie van artikel 220bis WIB blijkt dat omwille van de toepassing van dit artikel een vergissing waardoor de bewijskracht van de aangifte aangetast wordt, niet zou kunnen worden rechtgezet, zodat, nu de feitelijke gegevens het geheel van de overeenstemmende vermoedens uitmaken die noodzakelijk en ongetwijfeld tot de conclusie leiden dat de belastingplichtige van meet af aan de bedoeling had zijn roerende inkomsten aan te geven om aldus de betaalde en aangegeven intresten geheel te kunnen compenseren zodat hij van meet af aan opteerde voor de aangifte van deze roerende inkomsten in de personenbelasting en de niet-vermelding van deze roerende inkomsten tegenover code 155 in zijn aangifte enkel het gevolg kan zijn van een materiële vergissing in zijnen hoofde en niet van een rechtsdwaling of beoordelingsfout, hij het recht had zijn aangifte op die basis te zien gewijzigd worden, terwijl uit de bepaling van artikel 220bis WIB luidens hetwelk de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen niet gehouden zijn de in dat artikel opgesomde roerende inkomsten te vermelden in hun jaarlijkse aangifte in die belasting en luidens hetwelk voor de belastingplichtigen die van de mogelijkheid om ze niet aan te geven gebruik maken, de roerende voorheffing definitief verworven is door de Schatkist, volgt dat de belastingplichtige, die gebruik gemaakt heeft van de in dit artikel 220bis geboden mogelijkheid, achteraf de roerende voorheffing niet kan terugkrijgen, ook al wijt hij het niet-aangeven aan een vergissing, zelfs al is die van materiële aard, zodat het bestreden arrest, door te beslissen dat (verweerders) het recht hebben hun aangifte gewijzigd te zien worden om reden dat de niet-aangifte van de roerende inkomsten het gevolg was van een schrijffout of grove vergissing onafhankelijk van een juridische beoordeling, artikel 220bis WIB schendt : Overwegende dat het arrest vaststelt dat de verweerders, voor het aanslagjaar 1986, geen aangifte gedaan hebben van een bedrag van 467 000 BEF aan roerende inkomsten waarvan de aangifte krachtens artikel 220 bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) niet verplicht was; Dat het oordeelt dat deze niet-aangifte het gevolg is van een materiële vergissing of dwaling in hoofde van de belastingplichtige ingevolge een schrijffout of grove vergissing onafhankelijk van een juridische beoordeling, zodat de belastingplichtige het recht heeft, ingevolge zijn bezwaar, zijn aangifte te zien wijzigen; Overwegende dat, krachtens artikel 220 bis, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), de roerende voorheffing definitief door de Schatkist is verworven wanneer de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtige gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om de in die wetsbepaling bedoelde inkomsten niet te vermelden in zijn jaarlijkse aangifte; Dat uit het opzet van die bepaling blijkt dat zij op een restrictieve wijze moet worden uitgelegd, zodat de belastingplichtige die gebruik gemaakt heeft van de in vermeld artikel 220 bis geboden mogelijkheid, achteraf de roerende voorheffing niet kan terugkrijgen, ook al wijt hij de niet-aangifte aan een vergissing, zelfs al is deze van louter materiële aard; Dat het middel gegrond is; Om die redenen, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het de voorziening ontvankelijk verklaart; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. |
|||||||