Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.04.1990

Date :
20-04-1990
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Geheime commissielonen

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.04.1990
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.04.1990
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.04.1990
Tax year : 2005
Document date : 20/04/1990
Document language : NL
Name : C 90/8
Version : 1
Court : cassation

ARREST C 90/8


Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.04.1990



Geheime commissielonen

    Belastingplichtige had in haar laattijdige aangifte met betrekking tot door haar uitbetaalde commissielonen enkel de naam van de verkrijgers aangeduid. Weliswaar had zij in haar bezwaarschrift het volledig adres van de verkrijgers meegedeeld. Pas ten processe voor het Hof van Beroep, namelijk op 17 februari 1985, had zij de datum der betalingen meegedeeld. Het arrest oordeelt dat aldus pas op 17 februari 1985 aan de voorwaarde van artikel 47 was voldaan, maar dat op die datum de verkrijgers niet meer konden belast worden. Op die grondslag bekrachtigt het de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB.



EERSTE KAMER 

VOORZITTER : de heer Caenepeel 

RAADSHEREN : de heren Rauws, Matthijs, De Baets, Forrier 

O.M. : de heer du Jardin 

ADVOCATEN : mr. Boonen, mr. Claeys Bouuaert 

PARTIJEN : G.B., P.V.B.A., tegen de Belgische Staat 

HET HOF, Gehoord het verslag van raadsheer Rauws en op de conclusie van advocaat-generaal du Jardin : Gelet op het bestreden arrest, op 3 mei 1988 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;

Over het eerste middel : schending van de artikelen 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 6.1 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de Wet van 13 mei 1955, en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging, doordat het arrest overweegt dat de datum van de betaling van de commissielonen slechts werd medegedeeld op 17 januari 1985 en derhalve te laat om nog een taxatie van de genieters mogelijk te maken, terwijl : 1) geen der partijen een middel had geput uit het ontbreken van deze juiste datum op het ogenblik van de aanslag, 2) de Administratie in de kennisgeving van 1 april 1982 geen mededeling van de datum had gevraagd, 3) de Administratie de commissielonen conform de aangifte aanvaard en belast heeft voor het inkomstenjaar 1979 en de juiste uitbetalingsdag derhalve geen belang had; waaruit volgt dat : 1) het arrest de vordering afwijst op grond van een ambtshalve aangevoerde rechtsgrond, c.q. middel c.q. exceptie die de partijen niet hadden ingeroepen, zodat het hof van beroep de heropening der debatten had moeten bevelen, 2) eiseres belet werd enig verweer te voeren wat de datumkwestie betreft, waardoor haar rechten werden geschonden : Overwegende dat het geschil betrekking had op bedrijfslasten betreffende het aanslagjaar 1980;

Dat het arrest vaststelt : dat eiseres in haar laattijdige aangifte, met betrekking tot door haar uitbetaalde commissies enkel de naam van de verkrijgers had aangeduid, wat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 47, par. 1 van het WIB; dat eiseres weliswaar in haar bezwaarschrift tegen de aanslag het volledig adres van de verkrijgers had meegedeeld, maar dat aldus nog steeds de voorwaarden van voormeld artikel 47 niet waren vervuld; dat eiseres pas ten processe voor het hof van beroep, namelijk op 17 januari 1985, de datum der betalingen meedeelde in de nieuwe stukken die zij dan in het geding neerlegde; dat het arrest oordeelt dat aldus pas op 17 januari 1985 aan de voorwaarden van artikel 47 was voldaan, maar dat verweerder op die datum niet meer tijdig de taxatie ten name van de verkrijgers kon verrichten; dat het arrest op die gronden de door verweerder, met toepassing van artikel 132 van het WIB, vastgestelde bijzondere aanslag bekrachtigt;

Overwegende eensdeels, dat artikel 6.1 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geen toepassing vindt op de rechten en verplichtingen die hun oorsprong vinden in het belastingrecht; dat anderdeels, uit het arrest en de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de Administratie de verkrijgers van de litigieuze commissies heeft belast, en het onderzoek van dat feit niet tot de bevoegdheid van het hof behoort;

Overwegende dat eiseres in haar akte van voorziening voor het hof van beroep en in haar conclusies had gesteld dat, ingevolge de mededeling van het volledig adres van de verkrijgers der commissie, de Administratie in staat was geweest een aanslag op hun naam vast te stellen, zodat aan het voorschrift van artikel 47, par. 1 van het WIB was voldaan;

Dat het arrest, door op grond van de door eiseres zelf ten processe aangebrachte gegevens haar stelling te verwerpen, het recht van verdediging van eiseres niet miskent en geen exceptie opwerpt als bedoeld in artikel 774, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek; dat, voor het overige, geen wetsbepaling de Administratie voorschrijft zelf de mededeling van de in artikel 47, par. 1 van het WIB

beoogde datum der betalingen aan de belastingplichtige te vragen;

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

Over het tweede middel : schending van de artikelen 97 van de Grondwet, 1319, 1320 et 1322 van het BW, doordat het arrest overweegt dat geen tijdige taxatie van de derden-genieters meer mogelijk was, terwijl : 1) in de beslissing van de gewestelijke directeur reeds verwezen werd naar het belasten van de commissies aan de zijde van de verkrijgers, 2) de verkrijgers effectief werden belast en verweerder nooit het tegendeel heeft beweerd; waaruit volgt dat : 1) het middel aangevoerd door het hof van beroep en waarop de voorziening verworpen werd, geen feitelijke grondslag heeft; 2) het arrest de bewijskracht miskent van de beslissing van de gewestelijke directeur en de door de partijen regelmatig genomen conclusies : Overwegende dat uit het arrest niet blijkt dat dit het oordeel dat op 17 januari 1985 geen tijdige taxatie van de verkrijgers der commissie meer mogelijk was, baseert op de bewoordingen van de bestreden beslissing van de directeur der belastingen; dat het arrest derhalve de bewijskracht van die beslissing niet heeft kunnen miskennen;

Overwegende dat de aangewezen wetsbepalingen voor het overige geen verband houden met de grief dat het oordeel van het hof van beroep "geen feitelijk grondslag heeft";

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

OM DEZE REDENEN, Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

De kosten begroot op de som van 1 286 F door eiseres betaald.