Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003

Date :
21-02-2003
Language :
French Dutch
Size :
12 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Procesrecht,Nieuw procesrecht in fiscale aangelegenheden,Geen retroactiviteit,Geen schending gelijkheidsbeginsel,Art. 14 BUPO,Aanslag van ambtswege,Toepassingsvoorwaarden,Bewijslast

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Tax year : 2005
Document date : 21/02/2003
Document language : NL
Modification date : 11/12/2006 09:20:01
Name : C 03/3
Version : 1
Court : cassation

ARREST C 03/3


Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003



FJF 2003/183

Procesrecht - Nieuw procesrecht in fiscale aangelegenheden - Geen retroactiviteit - Geen schending gelijkheidsbeginsel - Art. 14 BUPO - Aanslag van ambtswege - Toepassingsvoorwaarden - Bewijslast

PROCESRECHT - NIEUW PROCESRECHT IN FISCALE AANGELEGENHEDEN - GEEN RETROACTIVITEIT - GEEN SCHENDING GELIJKHEIDSBEGINSEL

    Krachtens art. 11 W 23.03.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken worden de gedingen die hangende zijn bij de hoven van beroep vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 01.03.1999 geldende regels. Aldus blijven de regels van het bestaande procesrecht zonder enig onderscheid van toepassing op bestaande geschillen en zijn de regels van het nieuwe procesrecht zonder retroactiviteit toepasselijk op de nieuwe geschillen.

ART. 14 BUPO

    Art. 14 BUPO van 19.12.1966 is niet van toepassing op de geschillen over rechten en verplichtingen in belastingzaken, tenzij een rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van die bepalingen.

AANSLAG VAN AMBTSWEGE - TOEPASSINGSVOORWAARDEN - BEWIJSLAST

    Krachtens art. 256 WIB kan de administratie de aanslag ambtshalve vestigen in geval de belastingplichtige nagelaten heeft de op grond van art. 222 WIB gevraagde inlichtingen te verstrekken binnen de termijn van een maand na de verzending van de aanvraag. De belastingplichtige die de onwettigheid aanvoert van een ambtshalve aanslag om reden dat hij tijdig heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen, draagt de bewijslast met betrekking tot het feit dat hij aanvoert, met name dat hij tijdig die inlichtingen heeft verstrekt.



Nr. F.01.0014.N

E., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te ...,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te 2000 Antwerpen, tweede directie, Tabaksvest 50,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 november 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Voorzitter I.V. heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht D.T. heeft geconcludeerd.

III. Middelen

Eiseres voert in haar verzoekschrift vier middelen aan.

1. Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 24, b-24bis, 37 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

- de artikelen 603, 1°, zoals van toepassing voor de opheffing bij wet van 23 maart 1999, en 780 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart bij het bestreden arrest eiseres' voorziening tegen de beslissing van de gewestelijke directeur over haar bezwaarschriften, ingediend op 29 april 1993 en 5 juli 1993 tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1991, ontvankelijk doch ongegrond, onder meer op grond :

"dat het volstrekt onmogelijk is om enig verband te vinden tussen de betalingen en de facturen, vermits op de facturen geen enkele vermelding staat noch van de periode van de uitgevoerde werken, noch van de plaats van uitvoering en op de rekeninguittreksels ook geen enkele verwijzing naar een factuur voorkomt ; dat op de facturen nergens vermeld wordt dat ze reeds betaald werden noch dat er rekening werd gehouden met betaalde voorschotten ; dat op de facturen staat dat ze moeten voldaan worden 'au comptant par cheque ou par transfert Swift';

(…)

dat de administratie op grond van deze feiten terecht heeft geoordeeld dat de betalingen ongeloofwaardig voorkomen en dat de kwestieuze facturen niet als beroepskosten kunnen aanvaard worden".

Grieven

Luidens artikel 37 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen worden de vonnissen en arresten gesteld in de taal van de rechtspleging.

Blijkens artikel 24 van diezelfde wet wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

Artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 bepaalt dat wanneer het hof van beroep kennis neemt van de in artikel 603 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorzieningen, het voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

Uit artikel 603, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 23 maart 1999, volgt dat hiermee de voorzieningen tegen beslissingen van de gewestelijke directeurs der belastingen inzake directe belastingen worden bedoeld.

Uit voorgaande bepalingen volgt zodoende dat voor het Hof van Beroep te Antwerpen de rechtspleging in het Nederlands moet worden gevoerd.

Voornoemde regel is op straffe van nietigheid voorgeschreven, met dien verstande dat het arrest dat niet aan voornoemde voorwaarde beantwoordt door een nietigheid zal zijn aangetast.

Uit artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het arrest op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkend gedeelte, het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen in de taal van de rechtspleging dient te bevatten.

Een aanhaling in de andere taal van een voor de regelmatigheid van de beslissing vereiste vermelding doet bijgevolg afbreuk aan de eentaligheid van de akte, tenzij hiervan in de akte een vertaling is opgenomen dan wel de zakelijke inhoud ervan in de beslissing is weergegeven.

Te dezen blijkt dat in het bestreden arrest de facturen E., welke door eiseres als beroepskosten in mindering waren gebracht op haar inkomsten, verworpen worden op grond van de overweging dat de aangevoerde betalingen ongeloofwaardig overkwamen.

Dit besluit is mede zodoende een grond van de beslissing uit.

Van deze aanhaling bevat het bestreden arrest evenwel noch een vertaling noch een samenvatting van de zakelijke inhoud in de taal van de rechtspleging.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat oordeelt dat de aangevoerde facturen niet als beroepskosten konden worden aanvaard en onder meer op die grond eiseres' hoger beroep ongegrond verklaart, gelet op de hoger aangehaalde aanhaling in het Frans door een nietigheid is aangetast (schending van de in het middel aangehaalde bepalingen).

2. Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;

- artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten, en politieke rechten, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981.

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart bij het bestreden arrest eiseres' voorziening tegen de beslissing van de gewestelijke directeur over haar bezwaarschriften, ingediend op 29 april 1993 en 5 juli 1993 tegen de bijkomende aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1991, uitspraak doende met toepassing van de rechtspleging, zoals zij is geregeld in de artikelen 278 tot 286 en 293 van het Wetboek van de

Inkomstenbelastingen 1964, respectievelijk de artikelen 377 tot 385 en 392 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, ontvankelijk, doch ongegrond, na onder meer te hebben overwogen :

"dat eiseres voor het eerst in op 25 maart 1999 neergelegde conclusies de schending inroept van artikel 256 WIB (1964), met name dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege niet gemotiveerd is ;

dat deze grief weliswaar betrekking heeft op een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevorm, doch werd ingeroepen na het verstrijken van de termijn van artikel 381 W.I.B. (1992) ;

dat deze grief derhalve niet ontvankelijk is",

Grieven

2.1. Eerste onderdeel

Artikel 278, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of 377, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing op het aanslagjaar 1991, bepaalt dat eiseres aan het hof van beroep bezwaren mag onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd, noch ambtshalve door de directeur of door de door hemgedelegeerde ambtenaar werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inroepen.

In artikel 279, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of 378, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), wordt voorts gepreciseerd dat deze nieuwe bezwaren mogen worden geformuleerd ofwel in de voorziening ofwel in een geschrift dat aan de griffie van het hof van beroep wordt afgegeven en dit op straffe van verval binnen de termijn gesteld in artikel 282 W.I.B. (1964) (artikel 381 W.I.B.(1992)), te weten binnen de zestig dagen na neerlegging van de uitgifte van de stukken, bedoeld in artikel 281 W.I.B. 1964 (artikel 380 W.I.B. (1992)) door de directeur der belastingen.

Door aldus evenwel de mogelijkheid in te perken om in het kader van dat beroep nieuwe grieven aan te voeren, ontneemt artikel 278, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of 377, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, de belastingplichtigen zonder enige redelijke grond het onbeperkte jurisdictioneel rechtsmiddel dat zowel door de belastingplichtigen die een gelijkwaardig economisch belang vertegenwoordigen als door de andere rechtzoekenden kan worden gehanteerd.

Die bepaling schendt bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat uitspraak doet zonder voornoemde bepalingen terzijde te laten, doch integendeel eiseres' grief, verband houdende met de schending van artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), hierin bestaande dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege niet gemotiveerd is, als niet ontvankelijk verwerpt omdat zij niet binnen de in artikel 381 W.I.B. (1992) bepaalde termijn werd aangevoerd, voornoemde grondwetsbepalingen schendt (schending van de artikel 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1194).

2.2. Tweede onderdeel

Bij wet van 23 maart 1999 werd een nieuwe regeling in het leven geroepen, hierin bestaande dat voortaan de fiscale gedingen rechtstreeks voor de rechtbank van eerste aanleg kunnen worden ingeleid.

De belastingplichtige beschikt hierbij over de mogelijkheid om overeenkomstig de regels van gemeen recht, inzonderheid de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vordering te wijziging en uit te breiden, zonder dat dit recht in de tijd wordt beperkt.

Deze regeling werd weliswaar slechts van toepassing verklaard op de gedingen die voor de rechtbank van eerste aanleg aanhangig worden gemaakt vanaf 6 april 1999.

De artikelen 377 tot 395 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals deze bestonden voor hun opheffingen door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 (de artikelen 278 tot 286 en 293 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964), en derhalve de dwingende grievenregeling blijven daarentegen van toepassing ten aanzien van de beroepen die voor 1 maart 1999 werden ingeleid.

De artikelen 97, negende lid, van de wet van 15 maart 1999 en 11 van de wet van 23 maart 1999, die deze strikte regeling handhaafden ten aanzien van de op 1 maart 1999 ingeleide procedure, zonder dat hiervoor enige redelijke verantwoording voorhanden is, miskennen dan ook het gelijkheidsbeginsel.

Hieruit volgt dat het hof van beroep dat ten aanzien van eiseres verder toepassing maakt van de regeling, zoals vervat in de artikelen 278 e.v. van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), 377 e.v. van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing voor hun opheffing bij wet van 15 maart 1999, aldus toepassing maakt van een bepaling die met miskenning van het gelijkheidsbeginsel in stand gehouden werd en derhalve zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

2.3. Derde onderdeel

De gewestelijke directeur van de belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet als administratieve overheid uitspraak over de bezwaren tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting.

Het beroep in belastingzaken, zoals het is geregeld in de artikelen 278 tot 286 en 293 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of in de artikelen 377 tot 385 en 392 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), is bijgevolg de enige mogelijkheid van jurisdictioneel beroep tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting en tegen de door de administratie toegepaste verhogingen.

De rechtspleging, geregeld in de artikelen 278 tot 286 en 293 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen(1964) of in de artikelen 377 tot 385 en 392 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), wijst het hof van beroep aan om kennis te nemen van dat beroep.

Zij ontzegt aldus de belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting zonder enige redelijke grond de onbeperkte rechtspraak in twee instanties die, in de regel, genoten wordt door de aan andere belastingen onderworpen belastingplichtigen en door de andere rechtzoekenden, met inbegrip van degenen wier vermogen door andere bestuurlijke handelingen getroffen wordt.

Die bepalingen schenden bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat met toepassing van die bepalingen uitspraak doet of zich althans bevoegd verklaart om in eerste en laatste aanleg over het geschil uitspraak te doen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 schendt, evenals 14.1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981.

3. Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;

- artikel 1315 van het Burgerlijke Wetboek ;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 221, 222 en 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) ;

- artikel 315, zoals van toepassing voor de wijzigingen bij artikel 40 van het 6 juli 1994 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992).

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart bij het bestreden arresteiseres' voorzieningen tegen de beslissing van de gewestelijke directeur over haar bezwaarschriften, ingediend op 29 april 1993 en 5 juli 1993 tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1991, ontvankelijk doch ongegrond, onder meer op grond :

"dat de gevolmachtigde van eiseres zich op 3 februari 1993 niet akkoord verklaarde met de kennisgeving van aanslag van ambtswege, verwijzend naar het akkoord van 17 september 1992 en zijn tijdig aangetekend antwoord van 29 december 1992 op de vraag om inlichtingen, waarbij de alsdan gevraagde stukken zouden gevoegd geweest zijn ;

dat deze stukken ook bij het schrijven van 3 februari 1993 gevoegd waren ;

dat naar aanleiding van het onderzoek van het bezwaarschrift aan eiseres gevraagd werd het bewijs van aangetekende zending van 29 december 1992 voor te leggen, doch eiseres daaraan geen enkel gevolg heeft gegeven ;

(…)

dat niet wordt aangetoond dat tijdig geantwoord werd op de vraag om inlichtingen van 3 december 1992 ;

dat bij toepassing van artikel 256 W.I.B. (1964) terecht een aanslag van ambtswege werd gevestigd".

Grieven

3.1. Eerste onderdeel

Blijkens artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) (artikel 351 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) kan de administratie de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, wanneer de belastingplichtige nagelaten heeft de op grond van artikel 221 W.I.B (1964) (artikel 315 W.I.B. (1992)) gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken.

Blijkens artikel 222 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) (artikel 316 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) is eenieder die onderhevig is aan de vennootschapsbelasting verplicht de administratie op haar verzoek binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.

De administratie, die bij toepassing van voornoemde bepaling de aanslag ambtshalve wenst te vestigen, zal derhalve het bewijs dienen te leveren dat de gevraagde inlichtingen niet binnen de wettelijke bepaalde termijn werden verstrekt.

Eiseres wees in dat verband in haar conclusie uitdrukkelijk erop bij brief van 29 december 1992 de gevraagde inlichtingen aan de administratie te hebben bezorgd en voerde aan dat de controleur niet had betwist deze brief ontvangen te hebben.

Het kwam derhalve de administratie toe aan te tonen voornoemde brief niet tijdig ontvangen te hebben.

Hieruit volgt dat het hof van beroep dat oordeelt dat niet aangetoond werd dat tijdig geantwoord werd op de vraag om inlichtingen van 3 december 1992, gelet op het niet voorleggen door eiseres van het attest van aangetekende zending, de bewijslast omkeert (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) en derhalve niet wettig kon besluiten dat de aanslag terecht van ambtswege werd gevestigd (schending van de artikelen 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) en 351, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 6 juli 1994, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)).

3.2. Tweede onderdeel

Blijkens artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) (artikel 351 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) kan de administratie de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, wanneer de belastingplichtige nagelaten heeft de op grond van artikel 221 W.I.B. 1964 (artikel 315 W.I.B.(1992)) gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken.

Blijkens artikel 222 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (artikel 316 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) is eenieder die onderhevig is aan de vennootschapsbelasting verplicht de administratie op haar verzoek binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.

Uit voornoemde bepaling volgt weliswaar niet dat hieraan bij aangetekend schrijven zou moeten worden voldaan.

Te dezen voerde eiseres uitdrukkelijk aan bij brief van 29 december 1992 geantwoord te hebben.

Zij wees erop in haar besluiten voorts op het vijfde blad dat de controleur met zijn schrijven van 8 februari 1993 niet beweerde de brief van 29 december 1992 niet ontvangen te hebben, waaruit zij afleidde dat de administratie zich in geen geval kon wenden tot de procedure van aanslag van ambtswege.

Hieruit volgt dat het hof van beroep dat op grond van de enkele vaststelling dat er geen attest van aangetekende zending werd voorgelegd, oordeelt dat er niet werd aangetoond dat er werd geantwoord op de vraag om inlichtingen, aan de wettekst een voorwaarde toevoegt (schending van de artikelen 221, 222 en 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), 315, zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 40 van het koninklijk besluit van 20 december 1996, 316 en 351, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 6 juli 1994, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) en in ieder geval niet antwoordt op voormeld verweer (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

4. Vierde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 44 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) ;

- artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) ;

- artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel.

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart bij het bestreden arrest eiseres' voorziening tegen de beslissing van de gewestelijke directeur over haar bezwaarschriften, ingediend op 29 april 1993 en 5 juli 1993 tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1991, ontvankelijk, doch ongegrond, onder meer op grond :

"dat uit de kopies van de rekeninguittreksels blijkt dat meerdere betalingen gedaan werden via cheques of door opname in speciën van de rekening ; dat de eerste factuur van de firma E. dateert van 21 september 1990 en betrekking heeft op een bedrag van 180.000 BEF, terwijl volgens de rekeninguittreksels voordien reeds 547.256 BEF zou betaald geweest zijn ;

(…)

dat het volstrekt onmogelijk is om enig verband te vinden tussen de betalingen en de facturen, vermits op de facturen geen enkele vermelding staat noch van de periode van de uitgevoerde werken, noch van de plaats van uitvoering en op de rekeninguittreksels ook geen enkele verwijzing naar een factuur voorkomt ; dat op de facturen nergens vermeld wordt dat ze reeds betaald werden noch dat er rekening werd gehouden met betaalde voorschotten ;

dat op de facturen staat dat ze moeten voldaan worden 'au comptant par chèque ou par transfert Swift' ;

(…)

dat de administratie op grond van deze feiten terecht heeft geoordeeld dat de betalingen ongeloofwaardig voorkomen en dat de kwestieuze facturen niet als beroepskosten kunnen aanvaard worden".

Grieven

Blijkens artikel 44 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) zijn aftrekbare bedrijfsuitgaven of -lasten die welke de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of,

ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Als gedaan of gedragen tijden het belastbaar tijdperk worden de uitgaven of lasten beschouwd die tijdens dat tijdperk werkelijk werden betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verworven en als zodanig werden geboekt.

Te dezen bracht eiseres voor het aanslagjaar 1991 onder meer facturen, opgesteld door de firma E., ten bedrage van 588.000 BEF in rekening.

Indien het hof van beroep ieder verband verwerpt tussen de betalingen, die uit de voorgebrachte rekeninguittreksels bleken, en de facturen, waarop de vermelding te betalen per cheque of door Swift-overdracht voorkwam, sluit het ontbreken van voornoemd verband nochtans niet uit dat de facturen daadwerkelijk als bedrijfsuitgaven waren te aanzien, te meer daar het hof van beroep niet uitsluit dat zij met de bedrijfsactiviteit van eiseres verband hielden en een factuur de schriftelijke bevestiging is van het bestaan van een schuldvordering in geld die voortvloeit uit een overeenkomst tot levering van goederen of diensten, die de schuldeiser, krachtens wet of gebruik, verplicht is aan zijn medecontractanten uit te reiken.

Het aanvaardt bovendien elders in het arrest uitdrukkelijk dat het bedrag van 588.000 BEF het vermogen van eiseres verlaten had.

Hieruit volgt dat het hof van beroep dat het bestaan van de facturen, welke de belichaming van een schuldvordering zijn, verwerpt, zonder evenwel vast te stellen dat deze facturen geen uitstaans had met eiseres' bedrijfsactiviteit dan wel ongeloofwaardig was, niet wettig kon besluiten tot de verwerping van deze facturen als aftrekbare beroepsuitgaven (schending van artikel 44 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting (1964), 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) en 25 van het Wetboek van Koophandel), althans, zonder uit te sluiten dat de schuldvordering, belichaamd door deze facturen, geen zeker en vaststaand karakter had verworven tijdens de belastbare periode en als dusdanig was ingeschreven in de boekhouding, zijn arrest niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 44 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 en 25 van het Wetboek van Koophandel).

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste middel

Overwegende dat de vermelding van de woorden "au comptant, par chèque ou par transfert Swift" geen eigen redactie is van de appèlrechters maar een weergave is van de woorden die eiseres zelf in haar verzoekschrift tot hoger beroep gebruikte om de vermeldingen op de factuur te omschrijven ;

Dat teneinde die grief te identificeren, de appèlrechters zonder schending van de wet, vermochten de door eiseres zelf gebruikte termen over te nemen ;

Dat het middel niet kan worden aangenomen ;

2. Tweede middel

2.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de door eiseres ingeroepen grief betrekking heeft op de schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevorm, en vervolgens door toepassing te maken van artikel 279, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of 378, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), oordelen dat de grief onontvankelijk is, vermits hij werd ingeroepen na het verstrijken van de termijn van artikel 381 W.I.B. (1992) ;

Overwegende dat het middel zich ertoe beperkt aan te voeren dat artikel 278, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of artikel 377, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing voor het inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt ;

Dat het bestreden arrest zijn beslissing om de grief van eiseres onontvankelijk te verklaren niet grondt op de voornoemde artikelen 278, tweede lid of 377, tweede lid ;

Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ;

2.2. Tweede onderdeel

Overwegende dat eiseres in wezen aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is doordat de appèlrechters het fiscaal procesrecht toepassen zoals het gold voor zijn wijziging bij de wetten van 15 en 23 maart 1999 ;

Overwegende dat, krachtens artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de gedingen die hangende zijn bij de hoven van beroep vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de voor 1 maart 1999 geldende regels ;

Dat hiermede uitgesloten wordt dat in fiscale gedingen die voor 1 maart 1999 aanhangig waren gemaakt voor de hoven van beroep, de bestaande regels over de nieuwe grieven niet meer zouden gelden ;

Dat de onmiddellijk opheffing van het gekwalificeerd verbod nieuwe grieven voor te dragen, verbod dat nauw verband houdt met de omstandigheid dat er maar één rechterlijke aanleg was in fiscale zaken, en de toepassing ervan op hangende gedingen, niet in eenklank zou geweest zijn met de regel van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek ;

Dat aldus de regels van het bestaande procesrecht zonder enig onderscheid toepasselijk blijven op bestaande geschillen en de regels van het nieuwe procesrecht zonder retroactiviteit toepassing zijn op de nieuwe geschillen ;

Overwegende dat de vraag of de artikelen 278 tot 286 en 293 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of de artikelen 377 tot 385 en 392 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing voor hun vervanging bij wet van 15 maart 1999 en artikel 97, lid 9, van de wet van 15 maart 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, geen vraag is die een onderscheid betreft tussen personen of partijen die zich in een zelfde rechtstoestand bevinden, maar een onderscheid is dat geldt voor alle partijen en noodzakelijk voortvloeit uit elke toepassing van de wet in de tijd ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

2.3. Derde onderdeel

Overwegende dat artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 niet van toepassing is op de geschillen over rechten en verplichtingen in belastingzaken, tenzij een rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van die bepalingen ;

Dat het onderdeel niet aanvoert dat een dergelijke rechtspleging ten laste van eiseres is gevoerd ;

Overwegende dat het onderdeel voor het overige aanvoert dat het recht op een dubbele aanleg wordt ontnomen door de wet en dat dit recht genoten wordt door de aan andere belastingen onderworpen belastingplichtigen en door de andere rechtzoekenden, met inbegrip van degenen wier vermogen door andere bestuurlijke handelingen getroffen wordt ;

Overwegende dat het onderdeel niet preciseert welke categorieën belastingplichtigen over een dubbele aanleg zouden beschikken noch welke voorzieningen tegen bestuurlijke beslissingen in twee aanleggen zouden mogelijk zijn ;

Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ;

3. Derde middel

3.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat, krachtens artikel 222 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) eenieder die onderhevig is aan de vennootschapsbelasting verplicht is de administratie op haar verzoek, binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem gevorderd worden met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand ;

Dat, krachtens artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), de administratie de aanslag ambtshalve kan vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zijn kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zijn beschikt, in het geval de belastingplichtige nagelaten heeft de op grond van artikel 222 van hetzelfde Wetboek gevraagde inlichtingen binnen voornoemde termijn te verstrekken ;

Overwegende dat op grond van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert ;

Dat de belastingplichtige die de onwettigheid aanvoert van een ambtshalve aanslag om reden dat hij tijdig heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen, de bewijslast draagt met betrekking tot het feit dat hij aanvoert, met name dat hij tijdig die inlichtingen heeft verstrekt ;

Dat de appèlrechters door te oordelen dat "(door eiseres) niet wordt aangetoond dat tijdig werd geantwoord op de vraag om inlichtingen van 3 december 1992" en door te oordelen "dat bij toepassing van artikel 256 W.I.B. (1964) (door verweerder) terecht een aanslag van ambtswege werd gevestigd" hun beslissing naar recht verantwoorden ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

3.2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt met de in het middel weergegeven motivering ;

Dat het onderdeel, inzoverre het schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, feitelijke grondslag mist ;

Overwegende dat de appèlrechters niet oordelen dat de belastingplichtige door middel van een aangetekend schrijven zou moeten antwoorden op een vraag om inlichtingen, maar uit de omstandigheden dat eiseres geen enkel gevolg heeft gegeven aan het naar aanleiding van het onderzoek van het bezwaarschrift geformuleerde verzoek om het bewijs van de aangetekende zending voor te leggen, afleiden dat eiseres niet kon bewijzen dat zij tijdig had geantwoord op de vraag om inlichtingen van de administratie ;

Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ;

4. Vierde middel

Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat uit het arrest niet kan worden opgemaakt of naar oordeel van de appèlrechters de facturen waarvan sprake ongeloofwaardig waren ;

Overwegende dat de appèlrechters na onderzoek van de feitelijke omstandigheden van de zaak oordelen dat "de betalingen ongeloofwaardig voorkomen en dat de kwestieuze facturen niet als beroepskosten kunnen aanvaard worden" ;

Dat het middel feitelijke grondslag mist ;

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

De kosten begroot op de som van tweehonderd en een euro eenentachtig cent jegens de eisende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter I.V., de raadsheren G.B., G.L., E.D. en E.S., en in openbare terechtzetting van eenentwintig februari tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter I.V., in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht D.T., met bijstand van griffier P.V..

Getekend : V., B., L., D., S., V..

Voor eensluitend afschrift, afgegeven aan mr. C.B. ten titel van administratieve inlichtingen.

R.D. nr 4948