Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003

Date :
21-02-2003
Language :
French Dutch
Size :
6 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Invordering,Betwiste belastingschulden,Dwangbevel,Verjaring

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003
Tax year : 2005
Document date : 21/02/2003
Document language : NL
Modification date : 31/10/2006 13:41:50
Name : C 03/1
Version : 1
Court : cassation

ARREST C 03/1


Arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.02.2003



FJF 2003/169

De Fiscale Koerier 2003/345

Invordering - Betwiste belastingschulden - Dwangbevel - Verjaring

    Krachtens artikel 2244 van het BW wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen.
Naar luid van artikel 410 van het WIB 1992 vóór de wijziging ervan bij de Wet van 15 maart 1999, kan slechts het daarin omschreven onbetwistbaar gedeelte van de ingekohierde belastingschuld door alle middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd.
Inzake belastingen is een dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerende beslagmaatregel voorafgaat.
Geen middelen van tenuitvoerlegging kunnen worden aangewend om het met een bezwaar of beroep bestreden gedeelte van de ingekohierde belastingschuld in te vorderen.
Een betalingsbevel betekend voor een aldus betwiste belastingschuld kan niet geldig zijn en heeft geen stuitende werking.



BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Schoten, wiens kantoor gevestigd is te 2900 Schoten, Gelmelenstraat 83,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

C.N.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

III. Feiten

In het verzoekschrift worden de feiten als volgt samengevat.

Op 31 december 1980 werden er in hoofde van mevrouw C. en haar ex-echtgenoot twee aanslagen in de personenbelasting gevestigd :

- artikel 027477 (aanslagjaar 1978) voor een bedrag van 1.406.085 BEF.
- artikel 027461 (aanslagjaar 1977) voor een bedrag van 4.425.988 BEF.

Tegen beide aanslagen werd op 22 januari 1981 bezwaar ingediend.

Tegen de directoriale beslissing van 15 maart 1988 houdende afwijzing van de bezwaarschriften werd op 18 april 1988 een voorziening ingediend bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit fiscaal beroep werd bij arrest van 30 januari 2001 als ongegrond afgewezen. Bij gebreke aan een voorziening in cassatie zijn beide artikels bijgevolg definitief verschuldigd.

In de loop van deze fiscale procedure werden door de ontvanger te Schoten volgende maatregelen getroffen tot waarborg van de belastingschulden :

- op 5 april 1985 werd een verjaringstuitend dwangbevel betekend, gevolgd door een uitvoerend beslag op roerend goed van 27 juni 1988 ;
- op 18 januari 1990 werd een schulderkenning en verzaking aan de reeds op de verjaring verkregen termijn ondertekend door de heer L., tevens volmachtdrager van verweerster ;
- op 28 november 1994 werd opnieuw een (verjaringsstuitend) dwangbevel betekend.

Op 22 september 1995 werd de echtscheiding tussen verweerster en de heer L. overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarna op 4 juni 1996 werd overgegaan tot vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap. Naar aanleiding hiervan legde de ontvanger op 4 juni 1996 bewarend derdenbeslag in handen van de instrumenterende notaris, waarna een cheque ten bedrage van 18.300.000 BEF door verweerster aan haar vader werd geëndosseerd.

Op 5 juni 1996 legde de ontvanger tevens bewarend beslag onder derden voor een bedrag van 16.000.000 BEF in handen van de NV Generale Bank en de GCV Bank J. Van Breda. De dagvaarding van 30 augustus 1996 in opheffing van deze bewarende derdenbeslagen door de vader van verweerster werd bij beschikking van de Beslagrechter te Antwerpen van 5 mei 1997 onontvankelijk verklaard.

Op 14 augustus 1996 werd door verweerster verzet aangetekend tegen het verjaringstuitend dwangbevel van 28 november 1994.

Bij beschikking van de beslagrechter te Antwerpen van 4 november 1997 werd de vordering van verweerster als ongegrond afgewezen. Het door haar tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep werd echter door het bestreden arrest ingewilligd.

IV. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek ;
- de artikelen 300, 409 in de tekst zoals van kracht in 1994, zij vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999, en 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) ;
- artikel 145 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1992 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992).

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het op 28 november 1994 betekende dwangbevel nietig en zonder rechtsgevolg, en stelt vast dat er tussen 18 januari 1990 en het derdenbeslag van 4 en 5 juni 1996 geen daad van stuiting van de verjaring van de belastingschuld gesteld werd zodat de schuld als verjaard moet aangezien worden, daarbij overwegende dat :

"Te dezen staat vast dat het bezwaar de integrale aanslagen betrof zodat er geen onbetwistbaar verschuldigd gedeelte bestond. Zich beroepend op de artikelen 300 en 301 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) (409 en 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) in de tekst zoals van toepassing voor de Wet van 15 maart 1999, is verweerster van oordeel dat de fiscus niet gerechtigd was om tot uitvoeringsmaatregelen over te gaan. Zij beschouwt de betekening van het dwangbevel als een daad van uitvoering zodat het dwangbevel van 28 november 1994 nietig is en zonder rechtsgevolg blijft en derhalve geen verjaring stuitende werking kan hebben.

Krachtens artikel 301 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) (410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)) zijn middelen van tenuitvoerlegging na het indienen van bezwaar of van beroep slechts mogelijk voor de invordering van het onbetwistbaar verschuldigd gedeelte van de belasting.

Middelen van tenuitvoerlegging die na het indienen van bezwaar of van beroep genomen werden met betrekking tot in betwisting zijnde belastingschulden zijn nietig en zonder gevolgen.

De betekening van een dwangbevel moet aangezien worden als een middel van tenuitvoerlegging.

Na het indienen van het bezwaarschrift of van het beroep kan het dwangbevel dan ook geen rechtsgevolg hebben wat betreft het betwiste deel van de aanslag. Terecht werpt (verweerster) dan ook de nietigheid op van het dwangbevel van 28 november 1994.

De omstandigheid dat het dwangbevel een verjaring stuitende werking heeft doet geen afbreuk aan de gevolgen van de nietigheid van het dwangbevel. De aard van het dwangbevel, zijnde een uitvoeringsmaatregel, verandert immers niet naargelang van het gevolg dat ermee beoogd wordt. Door vast te stellen dat de gevorderde uitvoering ongegrond is (want wettelijk uitgesloten) kan bij analogie verwezen worden naar artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek en moet de stuiting voor niet bestaande worden gehouden.

Spijts de beweringen van (eiser) laten de in het dwangbevel gebruikte bewoordingen niet toe te besluiten dat het niet enkel om een dwangbevel gaat maar ook om een bevel tot betaling. Weliswaar wordt bevel gegeven om te betalen maar uitdrukkelijk wordt vermeld dat dit moet gebeuren binnen de 24 uren en dat dit bevel gegeven wordt op straffe van tenuitvoerlegging door uitvoerend beslag op roerend goed. Het ene kan niet los gezien worden van het andere. Het bevel wordt gegeven onder dreiging van gedwongen uitvoering.

Voor de belastingplichtige aan wie een op die wijze geformuleerd bevel betekend wordt, maakt het geen verschil uit dat de subjectieve beweegreden in hoofde van de fiscus enkel gelegen zou zijn in de verjaring stuitende werking van het dwangbevel en dat de fiscus dus eigenlijk niet meent wat hij laat betekenen door de gerechtsdeurwaarder. Dergelijke beweegreden is trouwens niet af te leiden uit de betekende akte. De vermelding dat de betekening gebeurt 'teneinde de invordering te waarborgen en de rechten van de schatkist te handhaven' laat aan de belastingplichtige niet toe te besluiten dat in weerwil van de andere bewoordingen van het dwangbevel het niet gaat om een uitvoeringshandeling.

Het dwangbevel kan te dezen niet anders opgevat worden dan als een uitvoeringsmaatregel.

Het is dan ook niet mogelijk ondanks de nietigheid van het dwangbevel tot de geldigheid van de akte te besluiten als bevel tot betaling waardoor de verjaring rechtsgeldig gestuit zou zijn".

Grieven

Artikel 409 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), in de tekst zoals van kracht in 1994 en waarnaar het arrest verwijst, bepaalt dat het indienen van bezwaar of beroep, geen hinderpaal vormt voor het beslag, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek, noch voor de overige maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen van het algehele bedrag van de betwiste belasting.

Artikel 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) beperkt de invordering door middelen van tenuitvoerlegging evenwel tot het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer de aanslag ambtshalve werd gevestigd bij niet-aangifte, tot hetgeen definitief werd gevestigd ten laste van de belastingschuldige voor een vorig aanslagjaar, voor zover het niet meer bedraagt dan de laatste aanslag.

Beide fiscale bepalingen bevatten de mogelijkheid maatregelen te treffen die ertoe strekken de invordering te waarborgen van de betwiste belastingen en toebehoren, niettegenstaande het indienen van een bezwaar of van een beroep. Zij verbieden enkel de effectieve invordering en niet de hieraan voorafgaande maatregelen die ertoe strekken een door verjaring bedreigd recht te doen erkennen en te waarborgen.

Hoewel het betwiste dwangbevel van 28 november 1994 als eerste middel van tenuitvoerlegging nietig kan zijn, heeft het desalniettemin een bewarend karakter wanneer men het verjaringsstuitend aspect beschouwt, omdat hierdoor de latere invordering gewaarborgd wordt.

Artikel 145 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1992 in uitvoering van artikel 300, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) bepaalt dat "de directe belastingen verjaren door verloop van vijf jaren vanaf hun eisbaarheid, zoals die eisbaarheid ontstaat ingevolge artikel 413 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992)", dit wil zeggen na verloop van twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.

De termijn van vijf jaren voor de invordering van de directe belastingen en voorheffingen kan overeenkomstig artikel 145 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1992 gestuit worden op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen.

Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vereist niet dat, opdat het dwangbevel de verjaring zou stuiten, dit uitdrukkelijk zou dienen te worden vermeld in de akte zelf.

Uit de omstandigheid dat het betwiste dwangbevel van 28 november 1994 aan verweerster bevel geeft om te betalen binnen 24 uren op straffe van tenuitvoerlegging op roerend goed en dat het exploot niet uitdrukkelijk vermeldt dat het is betekend met verjaringsdoeleinden, kan niet worden afgeleid dat het uitsluitend werd betekend met het oog op tenuitvoerlegging en dat het niet tot doel had de stuiting van de verjaring uit te lokken.

Deze twee aspecten van het dwangbevel moeten duidelijk onderscheiden worden : enerzijds voor uitvoeringsdoeleinden en anderzijds met het oog op de stuiting van de verjaring.

Een dwangbevel kan immers los van elke maatregel van tenuitvoerlegging gevolgen sorteren, en wordt niet noodzakelijk gevolgd door een beslag. Het verjaringstuitend karakter is immers intrinsiek verbonden aan een dwangbevel.

Het dwangbevel kan daarom gelden als handeling tot stuiting van de verjaring ongeacht de ontstentenis of het bestaan van enige al dan niet regelmatige uitvoeringsdaad.

Het feit dat het betwiste dwangbevel - in tegenstelling tot het aangehechte dwangschrift dat er integraal deel van uitmaakt - niet uitdrukkelijk vermeldt dat het werd betekend om de verjaring te stuiten, ontneemt niet het verjaringsstuitend karakter ervan.

Dergelijke vormvermelding wordt immers niet vereist door artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.

Het doel van de verjaringsstuitende akte, met name het aan de bestemmeling ter kennis brengen van een door verjaring bedreigd recht, wordt, ondanks de nietigheid van de akte als eerste maatregel van tenuitvoerlegging, bereikt.

Hieruit volgt dat het arrest, door om de aangeduide redenen te zeggen voor recht dat het op 28 november 1994 betekende dwangbevel nietig is en zonder rechtsgevolgen blijft, ten onrechte aan dit dwangbevel en de betekening ervan verjaringsstuitend effect te ontkennen ondanks het erin vervat bevel tot betaling (schending van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek), en door aldus de bestreden fiscale schuld verjaard te verklaren, de wetsbepalingen betreffende de terzake geldende bewarende maatregelen miskent (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen).

V. Beslissing van het Hof

Overwegende dat, krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, de verjaring wordt gestuit door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen ;

Overwegende dat, luidens het toepasselijk artikel 410 WIB (1992) voor zijn wijziging bij de wet van 15 maart 1999, de belasting nochtans slechts door middelen van tenuitvoerlegging kan worden ingevorderd, voor zover zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij niet-aangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste belasting welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste van de belastingschuldige ;

Dat, krachtens deze bepaling, slechts het daarin omschreven onbetwistbaar verschuldigde gedeelte van de ingekohierde belastingschuld door alle middelen van tenuitvoerlegging kan worden ingevorderd ;

Overwegende dat inzake belastingen een dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerende beslagmaatregel voorafgaat; dat geen middelen van tenuitvoerlegging kunnen worden aangewend om het met een bezwaar of beroep bestreden gedeelte van de ingekohierde belastingschuld in te vorderen ;

Dat een betalingsbevel betekend voor een aldus betwiste belastingsschuld, niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft ;

Dat het arrest dat zulks beslist, zijn beslissing naar recht verantwoordt ;

Dat het middel niet kan worden aangenomen ;

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiser in de kosten.

De kosten begroot op de som van honderd drieënzeventig euro zevenenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënvijftig euro vijfenvijftig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.