Arrêt de la Conseil d'Etat dd. 09.02.1998

Date :
09-02-1998
Language :
French Dutch
Size :
9 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Accès au dossier fiscal,Refus,Action en suspension

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Conseil d'Etat dd. 09.02.1998
Arrêt de la Conseil d'Etat dd. 09.02.1998
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Conseil d'Etat dd. 09.02.1998
Tax year : 2005
Document date : 09/02/1998
Document language : FR
Name : RS 98/1
Version : 1

ARRET RS 98/1


Arrêt de la Conseil d'Etat dd. 09.02.1998



FJF 99/153

Accès au dossier fiscal - Refus - Action en suspension

    L'action en suspension d'une décision de l'ISI refusant l'accès au dossier après l'enrôlement d'une cotisation supplémentaire à l'impôt sur les revenus est irrecevable, si, au moment de l'introduction de cette action en suspension, le contribuable avait déjà introduit une réclamation contre la cotisation supplémentaire dans laquelle il avait demandé accès au dossier sur la base de l'article 374 du CIR.

    L'action en suspension d'une décision refusant l'accès au dossier après l'enrôlement d'une cotisation supplémentaire est recevable et fondée, lorsque la réclamation contre la cotisation n'a pas encore été introduite. L'intérêt économique ou financier de l'Etat fédéral ne constitue pas, dans sa généralité, une base légale suffisante pour un refus. Une appréciation concrète est requise dans chaque cas individuel. Le secret professionnel de l'administration ne peut être invoqué dans le dossier propre au contribuable. Ce dernier a un intérêt légitime et suffisant et subit un dommage suffisamment grave qui n'est pas uniquement d'ordre financier, vu qu'en obtenant l'accès au dossier il peut déterminer sa position en connaissance de cause. Par conséquent, la décision de suspension est justifiée.



Eerste voorzitter van de Raad : M. Baeteman
Staatsraden : M. Baert, M. Smets
Advocaat : Mr. Swartenbroux

de n.v. B.A.T.C.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

De Raad van State, IXe Kamer,
Gezien het verzoekschrift dat de n.v. B.A.T.C. op 12 augustus 1997 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 13 juni 1997 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het Ministerie van Financiën houdende uitspraak over het verzoek tot heroverweging van de beslissing van 9 april 1997, waarbij haar de inzage en het afschrift van het administratief dossier betreffende de aanslagjaren 1994 en 1995 en volgende geweigerd wordt;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18;
Gezien de nota van de verwerende partij;
Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. Debersaques;
Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen;
Gelet op de beschikking van 27 november 1997 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 1997;
Gehoord het verslag van Staatsraad J. Smets;
Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. Swartenbroux, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Inspecteur J. De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij;
Gehoord het andersluidend advies van Auditeur G. Debersaques;
Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
1. Over de gegevens van de zaak.
Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat :
1.1. Op 18 november 1996 betekent het Ministerie van Financiën, administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, inspectie Gent 3, aan de verzoekende partij een bericht van wijziging van aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1994 (inkomsten van het jaar 1993).
Op 17 december 1996 reageert de verzoekende partij op dit bericht.
1.2. Op 24 december 1996 vestigt de administratie der directe belastingen een aanvullende aanslag voor het aanslagjaar 1994. De verzoekende partij stelt dat ze deze aanvullende aanslag, evenals de nalatigheidsinteresten, onder alle voorbehoud heeft betaald.
1.3. Op 28 februari 1997 laat de administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie de redenen kennen «waarom geen rekening werd gehouden met uw opmerkingen verwoord in het niet-akkoord op mijn bericht van wijziging over het aanslagjaar 1994».
1.4. Op 4 april 1997 vraagt de verzoekende partij op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voor de aanslagjaren 1994 en 1995 inzage te verkrijgen in haar administratief dossier.
Op 9 april 1997 wijst de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie dit verzoek tot inzage af.
1.5. Op 28 april 1997 dient de verzoekende partij een verzoek tot heroverweging in van haar voornoemde vraag tot inzage van 4 april 1997. Gelijktijdig vraagt zij de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten advies te verstrekken.
1.6. Op 9 juni 1997 adviseert de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten de fiscale administratie de aanvraag van de verzoekende partij in te willigen.
1.7. Op 13 juni 1997 verwerpt de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie het verzoek van heroverweging.
Dit is de bestreden beslissing.
1.8. Op 24 juni 1997 dient de verzoekende partij overeenkomstig de artikelen 366 en volgende van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een bezwaar in tegen de aanslag van de belasting voor het aanslagjaar 1994. In fine van dit bezwaarschrift verzoekt de verzoekende partij om overeenkomstig artikel 374 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen te worden gehoord en inzage te krijgen van het dossier voor de definitieve afhandeling van het bezwaar;
2. Over het voorwerp en de ontvankelijkheid van de vordering en over de bevoegdheid van de Raad van State.
2.1. Overwegende dat de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op de inzage in het administratief dossier wat betreft de aanslagjaren 1994 en 1995; dat de vordering tot schorsing derhalve geen voorwerp heeft voor zoverre ze is gericht tegen de weigering om inzage en afschrift te verlenen van het administratief dossier betreffende de aanslagjaren 1996 en volgende;
2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij haar belang bij de vordering als volgt omschrijft :
«Verzoekster werd en wordt ook de mogelijkheid ontnomen om op grond van deze documenten te oordelen of het nuttig was en/of is om een bezwaar bij de gewestelijke directeur der directe belastingen in te dienen overeenkomstig artikel 366 en volgende van het WIB '92. De ratio legis van de wet openbaarheid bestuur bestaat er, toegepast in fiscale zaken, juist in dat belastingplichtigen op grond van de inzage van de fiscale documenten kunnen oordelen of het nuttig is om een bezwaar in te dienen overeenkomstig artikel 366 en volgende van het WIB '92 (zie het arrest van Uw Raad, nr. 62.547, 14 oktober 1996, S.A. Electrification e.a.)»;
2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij op 24 juni 1997 een bezwaar heeft ingediend tegen de aanslag van de belasting voor het aanslagjaar 1994; dat, daargelaten de vraag naar de bevoegdheid van de Raad van State, hieruit in ieder geval volgt dat zij geen actueel belang meer heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing in zoverre deze betrekking heeft op de inzage in haar dossier over het aanslagjaar 1994, nu zij haar belang juist ziet in het beschikken over de mogelijkheid om met kennis van zaken te kunnen oordelen of het nuttig is een bezwaar in te dienen overeenkomstig artikel 366 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen; dat gelet op het gegeven dat zulk een bezwaar is ingediend, de schorsing van de tenuitvoerlegging geen nuttig effect meer kan hebben in zoverre ze betrekking heeft op de afwijzing van heroverweging van de beslissing tot weigering van inzage en afschrift van het administratief dossier betreffende het aanslagjaar 1994; dat de verzoekende partij overigens binnen het raam van de fiscale procedure inzage kan vragen in dat dossier; dat de vordering tot schorsing in die mate niet ontvankelijk is;
2.3. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing slechts moet worden onderzocht in zoverre de bestreden beslissing het administratief dossier betreffende het aanslagjaar 1995 betreft; dat dienvolgens ook geen uitspraak moet worden gedaan over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, die enkel wordt aangevoerd in zoverre de vordering tot schorsing betrekking heeft op de weigering tot inzage van het administratief dossier betreffende het aanslagjaar 1994;
3. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing.
Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
3.1.1.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat in het tweede middel de schending wordt aangevoerd van, onder meer, artikel 6, § 2, 2º, en § 4, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen,
«doordat de bestreden beslissing ten onrechte weigert verzoekster inzage en afschrift te verlenen van de fiscale documenten betreffende de aanslagjaren (1994), 1995 (en volgende) op grond van de overweging dat de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie gebonden is «aan het beroepsgeheim ingevolge de bepalingen van artikel 337, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelasting (WIB 92) en waarvan de schending strafrechtelijk kan worden beteugeld overeenkomstig het artikel 453 WIB 92 zodat (...) de vraag om inlichtingen alsook het antwoord hierop van de verzekeraars niet kan (medegedeeld worden). Ten aanzien van de belastingplichtige rijst het fiscaal geheim niet, enkel en alleen wanneer het een document van persoonlijke aard betreft waarin enkel gegevens over die persoon voorkomen, hetgeen in casu niet het geval is,
terwijl, eerste onderdeel, het in artikel 337 van het WIB '92 vermelde beroepsgeheim een bescherming beoogt tegen de openbaarmaking van geïndividualiseerde gegevens met betrekking tot de fiscale toestand van belastingplichtige derden; uit de loutere vaststelling dat de documenten eveneens gegevens bevatten over derde belastingplichtigen, zonder te vermelden dat deze gegevens op de fiscale situatie van die derde belastingplichtigen betrekking zouden hebben, de verwerende partij in de bestreden beslissing bijgevolg niet wettig kon afleiden dat artikel 337 van het WIB '92 en bijgevolg artikel 6, § 2, 2º van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur van toepassing is; de bestreden beslissing aldus alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen en beginselen schendt,
en terwijl, tweede onderdeel, het beroepsgeheim in fiscale zaken niet geldt ten aanzien van de belastingplichtige zelf; de verklaringen die derden hebben afgelegd over de fiscale situatie van verzoekster bijgevolg niet onder het beroepsgeheim van artikel 337 van het WIB '92 vallen; de bestreden weigeringsbeslissing, in de mate ze op deze verklaringen betrekking heeft, dus niet geldig kan gesteund zijn op artikel 337 WIB '92 en bijgevolg evenmin op artikel 6, § 2, 2º van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; de bestreden beslissing aldus alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen en beginselen schendt,
en terwijl, derde onderdeel, artikel 6, § 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur uitdrukkelijk bepaalt dat «wanneer (...) een bestuursdocument slechts voor een deel aan de openbaarheid moet of mag worden onttrokken, de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift tot het overige deel beperkt (wordt)»; verwerende partij in de bestreden beslissing niet betwist dat artikel 337 van het WIB '92 niet van toepassing is ten aanzien van de belastingplichtige zelf; zij evenmin betwist dat bepaalde gedeelten van de fiscale documenten, waarvan inzage werd gevraagd, gegevens bevatten die uitsluitend op verzoekster betrekking hebben; de verwerende partij in de bestreden beslissing bijgevolg niet wettig kon oordelen dat verzoekster geen inzage en afschrift kon krijgen van de gedeelten van de fiscale documenten die uitsluitend op de fiscale situatie van verzoekster betrekking hebben; de bestreden beslissing aldus alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen en beginselen schendt,
en terwijl, vierde onderdeel, de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, die de bestreden beslissing heeft genomen, verzoekster bij brief van 28 februari 1997, en dus voorafgaandelijk aan elke aanvraag tot inzage en afschrift, mede deelde om welke redenen hij geen rekening had gehouden met haar opmerkingen bij het bericht van wijziging; hij in deze brief letterlijk citeerde uit verklaringen afgelegd door de verzekeraars en uit briefwisseling van een verzekeraar aan de makelaar; zijn beslissing tot weigering van inzage van deze documenten, minstens van deze geciteerde gegevens, bijgevolg niet geldig kon steunen op zijn fiscale geheimhoudingsplicht, zonder de schending van de formele motiveringsplicht evenals de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de motiveringsverplichting, de rechtszekerheid, het redelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur»;
3.1.1.2. Overwegende dat in het derde middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 1, 4 tot en met 6, inzonderheid artikel 6, § 1, 6º, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur,
«doordat niettegenstaande het gunstig advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, de bestreden beslissing weigert verzoekster inzage en afschrift te verlenen van de fiscale documenten die betrekking hebben op de aanslagjaren 1995 en volgende op grond van de overweging dat, nu het onderzoek van de fiscale toestand voor deze aanslagjaren nog aan de gang is «de toelating tot inzage (zou) schaden aan de bescherming van een federaal economisch of financieel belang. De correcte inning van de belastingen maakt op zich een federaal economisch of financieel belang uit. De vroegtijdige mededeling - dit wil zeggen - voor het sluiten van het onderzoek van Uw dossier - van de informatie in het bezit van de administratie zou kunnen van aard zijn om U te onttrekken aan de wettelijk verschuldigde belasting, hetgeen inbreuk zou kunnen maken op de efficiëntie van de administratie en een vermindering van de fiscale opbrengsten zou kunnen teweegbrengen. Ik stel dus vast dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de efficiëntie van de administratie, die bijdraagt tot het federaal economisch of financieel belang»,
terwijl, (...), de openbaarheid van bestuursdocumenten het beginsel is en de uitzonderingen op dit beginsel strikt geïnterpreteerd moeten worden; de afweging tussen het belang van de openbaarheid en het in artikel 6, § 1, 6º van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur beschermde belang overigens op concrete wijze moet gebeuren; de bestreden beslissing op geen enkele wijze verwijst naar de specifieke feitelijke situatie waarin verzoekster zich bevindt en slechts op vage en algemene wijze verwijst naar het risico van onvolledige invordering wegens voortijdige mededeling van informatie; de bestreden beslissing bijgevolg elk nut of inhoud aan de wet van 11 april 1994 ontneemt, derhalve de ingeroepen uitzonderingsgrond van artikel 6, § 1, 6º van de wet van 11 april 1994 allerminst op concrete wijze staaft en evenmin op restrictieve wijze toepast; het bestreden besluit aldus de artikelen 1, 4 tot en met 6, inzonderheid artikel 6, § 1, 6º van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur schendt»;
3.1.2.1. Overwegende dat de verwerende partij op het tweede middel als volgt repliceert :
«Artikel 6 § 2, 2º van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat een vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument moet afgewezen worden wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij de wet ingestelde geheimhoudingsverplichting.
Het is de verweerder niet toegelaten krachtens een bij wet ingestelde geheimhoudingsplicht (art. 337 van het WIB 92) de stukken afkomstig van derden of die aan derden toebehoren mede te delen aan verzoekster. Het feit dat de inspecteur van de BBI refereert naar verklaringen van derden doet aan dit principe geen afbreuk.
Artikel 337, eerste lid, van het WIB 92 luidt als volgt :
«Hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie der directe belastingen is, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft».
Die bepaling, welke haar oorsprong vindt in artikel 76 van de wet van 29 oktober 1919 tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van een bijkomende belasting op het globaal inkomen (BS van 24-25 november 1919) heeft als oogmerk de persoon die bepaalde inlichtingen aan de fiscale administratie mededeelt te beschermen; die persoon geeft immers aan de Administratie een aantal gegevens door en de Administratie mag dat vertrouwen niet schaden.
Bovendien vermeldt het bericht van wijziging, conform artikel 346, eerste lid, van het WIB 92, de redenen die naar oordeel van de Administratie de wijzigingen rechtvaardigen. De wijzigingen worden zowel naar de feiten als in rechte uitvoerig weergegeven. De Administratie kan zich voor de wijzigingen enkel beroepen op de in het bericht van wijziging opgenomen feitelijke gegevens. Verzoekster beschikt dus over alle elementen om haar opmerkingen zoals bedoeld in artikel 346 van het WIB 92 te maken»;
3.1.2.2. Overwegende dat de verwerende partij op het derde middel als volgt repliceert :
«De administratieve overheid moet de vraag om inzage of afschrift van een bestuursdocument afwijzen, wanneer ze vastgesteld heeft dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een economisch of financieel belang.
Aangezien het onderzoek van de fiscale toestand van verzoekster voor bovenvermelde aanslagjaren nog aan de gang is, zou de toelating tot inzage schaden aan de bescherming van een federaal economisch of financieel belang. De correcte inning van de belastingen maakt op zich een federaal economisch of financieel belang uit. De vroegtijdige mededeling - d.i. voor het sluiten van het onderzoek van het dossier - van de informatie in het bezit van de administratie zou ertoe kunnen leiden dat verzoekster zich onttrekt aan de werkelijk verschuldigde belasting, hetgeen een inbreuk zou kunnen maken op de efficiëntie van de administratie en een vermindering van de fiscale opbrengsten zou kunnen teweegbrengen. Het belang van de openbaarheid weegt niet op tegen de bescherming van de efficiëntie van de administratie, die bijdraagt tot het federaal economisch of financieel belang»;
3.1.3.1. Overwegende dat artikel 6, § 1, 6º, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument afwijst wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van «een federaal economisch of financieel belang, de munt of het openbaar krediet»; dat die bepaling, als uitzondering op een door artikel 32 van de Grondwet beschermd fundamenteel recht, restrictief moet worden geïnterpreteerd; dat de toepassing van die bepaling bovendien impliceert dat er, in concreto, een reële belangenafweging plaatsvindt tussen de erin vermelde belangen; dat de beslissing die het verzoek tot inzage afwijst bovendien krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en krachtens artikel 6, § 5, van de voornoemde wet van 11 april 1994 formeel moet zijn gemotiveerd; dat in de bestreden beslissing eerstens in het algemeen wordt gesteld dat de correcte inning van de belastingen een federaal economisch en financieel belang uitmaakt, en voorts dat een vroegtijdige mededeling van het dossier tot gevolg zou kunnen hebben dat de verzoekende partij zich zou kunnen onttrekken aan de wettelijk verschuldigde belasting; dat aldus slechts op vage wijze en zonder enige verwijzing naar de concrete situatie van de verzoekende partij, maar integendeel met motieven die op gelijk welke belastingplichtige van toepassing kunnen zijn, wordt aangegeven waarom de voormelde uitzonderingsgrond aanwezig is; dat niet blijkt dat een reële belangenafweging is verricht tussen de in het geding zijnde belangen; dat de bestreden beslissing in ieder geval niet afdoende motiveert in welk opzicht een federaal economisch en financieel belang door de inzage wordt geschonden, noch waarom dit belang moet primeren op het grondrecht van de verzoekende partij op toegang tot bestuursdocumenten; dat het middel, in zoverre het een schending aanvoert van artikel 6, § 1, 6º, van voornoemde wet van 11 april 1994 en van de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet van 29 juli 1991, ernstig is;
3.1.3.2. Overwegende dat artikel 6, § 2, 2º, van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg, of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, afwijst, wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting; dat het door artikel 337 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geregelde beroepsgeheim de openbaarmaking van gegevens met betrekking tot de fiscale toestand van de belastingplichtige aan derden beoogt te beletten, maar niet geldt ten aanzien van de belastingplichtige zelf wanneer het de stukken van zijn eigen fiscaal dossier betreft; dat in beginsel aan de belastingplichtige op grond van artikel 6, § 2, 2º, van de wet van 11 april 1994 geen inzage kan worden geweigerd van een stuk met een verklaring van een derde over de belastingssituatie van die belastingplichtige zelf; dat derhalve het middel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 6, § 2, 2º, van de wet van 11 april 1994, ernstig is;
3.2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij aanvoert dat het niet kunnen inzien van de fiscale documenten die op haar situatie betrekking hebben, tot gevolg heeft dat ze het fiscale statuut van de door haar afgesloten verzekeringen niet met kennis van zaken opnieuw kan onderzoeken ten einde op dat vlak zo nodig maatregelen te kunnen treffen; dat zij in dit verband wijst op de schade die ze zou kunnen oplopen door aanvullende aanslagen, nalatigheidsinteresten en belastingverhogingen en die, afhankelijk van de conclusies van de herevaluatie, in voorkomend geval zou kunnen worden vermeden; dat zij voorts betoogt dat de bestreden beslissing haar niet in staat stelde en stelt de zinvolheid van het indienen van een bezwaar bij de gewestelijke directeur der directe belastingen overeenkomstig artikel 336 en volgende van het Wetboek der Inkomstenbelastingen te onderzoeken; dat zij daar nog aan toevoegt dat noch het indienen van een bezwaar, noch het indienen, per hypothese slechts na een annulatiearrest, van een vordering tot schadevergoeding, dit nadeel kunnen herstellen; dat zij tenslotte stelt dat een schorsingsarrest de overheid ertoe zal aanzetten de zaak opnieuw te onderzoeken;
3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die een weigeringsbeslissing is, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij het recht verkrijgt om de gevraagde documenten in te zien, zodat de schorsing niet bij machte is het aangevoerde nadeel ongedaan te maken; dat zij vervolgens aanvoert dat het nadeel dat de verzoekende partij zegt te kunnen lijden een louter financieel nadeel is met betrekking tot hetwelk de verzoekende partij geen gegevens aanbrengt die aantonen dat dit nadeel niet door een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing ongedaan zou kunnen worden gemaakt; dat zij tenslotte stelt dat het argument dat de schorsing van de tenuitvoerlegging de overheid ertoe zal aanzetten de zaak opnieuw te onderzoeken, niet dienend is om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen;
3.2.3.1. Overwegende dat de eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing tot weigering inzage van bestuursdocumenten te verlenen weliswaar niet uit zichzelf inhoudt dat de verzoekende partij toegang tot die documenten verkrijgt; dat evenwel, nu de beslissing waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen met gezag van gewijsde eigen aan een rechterlijke uitspraak vaststelt dat een of meerdere tegen de bestreden beslissing aangevoerde middelen ernstig zijn, de overheid er, veel meer dan op grond van het vernietigingsberoep alleen, toe wordt aangezet de zaak opnieuw te onderzoeken en, in voorkomend geval, in het licht van het gestelde in het schorsingsarrest de bestreden beslissing in te trekken en opnieuw over de aanvraag tot inzage te beschikken; dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wel degelijk een nuttig effect kan hebben;
3.2.3.2. Overwegende dat de verzoekende partij door de weigering tot inzage van haar fiscaal dossier betreffende het aanslagjaar 1995 wordt belet om met kennis van zaken haar fiscale situatie te evalueren en op grond daarvan een standpunt te bepalen met betrekking tot de fiscale behandeling van door haar betaalde verzekeringspremies, met name om te oordelen of het indienen van een bezwaar tegen de betwiste aanslag van de belasting zinvol is; dat het aangevoerde nadeel bijgevolg geen financieel nadeel is - dat in beginsel steeds herstelbaar is -, maar wel een nadeel dat in essentie de miskenning van de finaliteit van het grondwettelijk beschermde recht op toegang tot bestuursdocumenten betreft; dat zulk een nadeel als ernstig moet worden aangezien; dat het bovendien moeilijk te herstellen is door enkel en alleen een vernietigingsarrest; dat immers, juist omdat de inzage van de betrokken bestuursdocumenten moet toelaten de zinvolheid van het indienen van een bezwaar te onderzoeken, het recht op inzage moet kunnen worden uitgeoefend vooraleer de termijn om een bezwaar in te dienen, is verstreken; dat er bijgevolg een risico aanwezig is dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
3.3. Overwegende dat, in zoverre de bestreden beslissing betrekking heeft op het administratief dossier over het aanslagjaar 1995, voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen,

Besluit :
Artikel 1.
Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 juni 1997 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het Ministerie van Financiën houdende uitspraak over het verzoek tot heroverweging van de beslissing van 9 april 1997, waarbij haar de inzage en het afschrift van het administratief dossier betreffende de aanslagjaren 1994 en 1995 geweigerd wordt in zoverre die beslissing betrekking heeft op het aanslagjaar 1995.
Artikel 2.
De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen.