Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.09.1999

Date :
07-09-1999
Language :
French Dutch
Size :
4 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Réclamation,Point de départ,Notification de l'imposition

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.09.1999
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.09.1999
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.09.1999
Tax year : 2005
Document date : 07/09/1999
Document language : FR
Name : A 99/48
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 99/48


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.09.1999



FJF 99/297

Réclamation - Point de départ - Notification de l'imposition

    En vertu de l'article 5, alinéa 2 de la loi du 23 décembre 1986, une réclamation contre une imposition par voie de rôle doit être introduite par écrit, motivée et présentée ou envoyée par la poste, dans les trois mois de la délivrance de l'avertissement-extrait de rôle, à la Députation permanente du Conseil provincial. Il incombe au défendeur (la ville d'Anvers) de démontrer l'envoi régulier au contribuable de l'avertissement-extrait de rôle. Est introduite à temps la réclamation effectuée par les demandeurs dans les trois mois suivant la mise en demeure émanant de la défenderesse, dès lors que les demandeurs contestent avoir reçu l'avertissement-extrait de rôle en question à la date mentionnée sur ce dernier et que la défenderesse reste en défaut de prouver l'envoi régulier et la délivrance à cette date de l'avertissement précité.

    En vertu de l'article 4 de la loi du 23 décembre 1986, le contribuable doit recevoir un avertissement-extrait de rôle daté par lequel connaissance lui est donnée de l'impôt enrôlé à sa charge. Cette notification doit avoir lieu à peine de forclusion, dans les six mois de la date du visa exécutoire du rôle. L'examen de la copie de l'avertissement-extrait de rôle fait apparaître que le Gouverneur a rendu le rôle exécutoire à la date du 20 décembre 1986. Par conséquent, l'avertissement-extrait de rôle, pour être valable, devait être envoyé au demandeur au plus tard le 20 juin 1987. L'absence de preuve de l'envoi de l'avertissement-extrait de rôle (supra) permet de conclure que la défenderesse ne démontre pas l'existence de la notification, par avertissement-extrait de rôle, visée à l'article 4 de la loi précitée. Dès lors, l'imposition est frappée de forclusion. En effet, attendu que la législation fiscale touche à l'ordre public et doit être interprétée, par conséquent, de manière stricte, l'envoi d'une mise en demeure ne peut être assimilé à l'envoi régulier d'un avertissement-extrait de rôle.



Voorzitters : Mevr. Bertrand, M. Thys
Raadsheer : Mevr. Wouters
Advocaten : Mr. Verlinden loco Mr. Dubois, Mr. Thijs loco Mr. van der Straten

J.P., A.E.
tegen
de stad Antwerpen, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting wijst het volgend arrest :
Gelet op de aanslag in de belasting op krotwoningen, Gemeente Antwerpen : Aanslagjaar 1996, artikel 325679, toegezonden aan de belastingschuldigen op 12 februari 1997;
Gelet op het bezwaarschrift, toegekomen bij de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen op 19 juni 1997;
Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen op 16 april 1998, op 5 mei 1998 aangetekend verzonden aan de belastingschuldigen waardoor het bezwaar onontvankelijk wordt verklaard;
Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 5 juni 1998, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 5 juni 1998;
***
Overwegende dat eisers de hervorming nastreven van de bestreden beslissing teneinde hun bezwaren ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens de betwiste aanslag te horen tenietdoen, de integrale ontheffing ervan te horen bevelen en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding;
Dat zij daartoe de in hun bezwaarschrift en aanvullend bezwaarschrift verwoorde grieven handhaven, en vooral benadrukken dat de betwiste aanslag nietig is daar de voorschriften van art. 4 van de Wet van 23 december 1986 niet werden nageleefd;

Overwegende dat verweerster het Hof verzoekt de voorziening onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;
Dat zij bovendien de bestreden beslissing verdedigt en de bevestiging ervan nastreeft; dat zij tevens opmerkt dat geen schending van de bepalingen van het voornoemde artikel 4 is aangetoond, en stelt dat deze bepalingen niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven;

1) De toelaatbaarheid van de voorziening.

Overwegende dat verweerster de ontoelaatbaarheid van de voorziening inroept, doch nalaat hiertoe enig middel aan te wijzen;
Dat ook het Hof geen gronden van onontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid, eventueel ambtshalve in te roepen, opmerkt;
Dat dan ook de voorziening, ingesteld naar de door art. 7 van de Wet van 23 december 1986 voorgeschreven vereisten, toelaatbaar is;

2) De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift.

Overwegende dat krachtens art. 5 lid 2 van de Wet van 23 december 1986 het bezwaar tegen een kohierbelasting schriftelijk moet worden gedaan, met redenen omkleed zijn en overhandigd of per post verzonden worden aan de Bestendige Deputatie van de Provincieraad binnen 3 maanden na de afgifte van het aanslagbiljet;
Dat te dezen blijkens de vermelding op het afschrift van het aanslagbiljet de afgifte ervan aan eisers zou zijn geschied op 12 februari 1987 en dat het bezwaarschrift bij de Bestendige Deputatie slechts toekwam op 19 juni 1987, zijnde buiten de termijn van 3 maanden;

Overwegende dat eisers ten stelligste betwisten het kwestieuze aanslagbiljet te hebben ontvangen, en stellen slechts ingevolge de aanmaning van verweerster d.d. 12 mei 1997 in kennis te zijn gesteld van het bestaan van de aanslag, zodat dan ook slechts deze datum als aanvang van de bezwaartermijn kan worden aangezien en het op 19 juni 1987 ingediende bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn werd ingediend;

Overwegende dat het aan verweerster behoort de regelmatige toezending van het aanslagbiljet aan de belastingplichtige aan te tonen;
Dat verweerster in casu op het aanslagbiljet als datum van afgifte 12 februari 1987 vermeldt; dat zij de regelmatige afgifte verdedigt door verwijzing naar 2 aangetekende zendingen aan eisers respectievelijk d.d. 18 oktober 1986 en 6 februari 1987; dat zij bovendien toelichting van de Postdiensten voortbrengt betreffende de aanbieding en de inontvangstname van deze zendingen;

Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de overgelegde stukken, vaststelt dat verweerster geenszins aantoont dat het kwestieuze aanslagbiljet op 12 februari 1987 aan eisers werd afgegeven;
Dat de verwijzing naar een aangetekende verzending op 18 oktober 1986 geenszins dienend is om de afgifte van een document op 12 februari 1987 - zoals vermeld op het aanslagbiljet - te rechtvaardigen;
Dat evenmin enig objectief gegeven toelaat vast te stellen dat de aangetekende zending d.d. 6 februari 1987 - die op 7 februari 1987 door de Postdiensten werd aangeboden en in ontvangst genomen - de verzending betreft van het kwestieuze aanslagbiljet; dat immers alsdan verweerster zelf tegenstrijdige gegevens betreffende de afgifte van het aanslagbiljet zou verdedigen;

Overwegende dat uit vorenstaande gegevens blijkt dat in casu de regelmatige toezending en afgifte van het aanslagbiljet niet is aangetoond;
Dat verweerster geheel in gebreke blijft de beweerde afgifte te bewijzen, zodat dan ook de bezwaartermijn geen aanvang nam op 12 februari 1987;
Dat derhalve het bezwaarschrift van eisers, ingediend op 19 juni 1987 na ontvangst van de aanmaning d.d. 12 mei 1987, tijdig en ontvankelijk is; dat dan ook de bestreden beslissing op onjuiste gronden werd getroffen en niet kan behouden blijven;

3) Ten gronde

Overwegende dat, nu wordt vastgesteld dat het bezwaarschrift van eisers ontvankelijk is, het Hof thans ten gronde uitspraak dient te doen;
Dat eisers concluderen tot de nietigheid van de betwiste aanslag omwille van de schending van de voorschriften van art. 4 van de Wet van 23 december 1986, zoals reeds aangevoerd in het bezwaarschrift en aanvullend bezwaarschrift;
Dat verweerster daarentegen stelt dat de op 12 mei 1987 verzonden aanmaning alle door voornoemd art. 4 vereiste vermeldingen bevat, en dat bovendien deze bepalingen niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, zodat een eventueel verzuim niet tot de nietigheid van de aanslag kan leiden;

Overwegende dat krachtens art. 4 van de voornoemde wet de belastingplichtige zonder kosten een aanslagbiljet, dat is gedagtekend en de gegevens bedoeld in art. 3 moet bevatten, dient te ontvangen, waarbij hem kennis wordt gegeven van de te zijnen name ingekohierde belasting;
Dat lid 2 van voornoemd art. 4 bepaalt dat deze kennisgeving - bij aanslagbiljet - op straffe van verval dient te geschieden binnen 6 maanden te rekenen van de datum der uitvoerbaarverklaring van het kohier;

Overwegende dat uit het onderzoek van het overgelegde afschrift van het aanslagbiljet blijkt dat het kohier door de Gouverneur uitvoerbaar werd verklaard op 20 december 1986;
Dat derhalve aan eisers een aanslagbiljet diende toegezonden vóór 20 juni 1987 opdat de aanslag rechtsgeldig en binnen de wettelijke termijn zou zijn gevestigd;
Dat te dezen ingevolge de hierboven gedane vaststellingen in verband met het gebrek aan bewijs van de toezending van het aanslagbiljet, enkel kan worden vastgesteld dat verweerster niet aantoont de in artikel 4 lid 2 van de wet van 23 december 1986 bedoelde kennisgeving bij aanslagbiljet aan eisers te hebben gedaan, zodat dan ook tot verval dient geconcludeerd;
Dat, gelet op het feit dat de belastingwetgeving de openbare orde raakt en derhalve op strikte wijze dient geïnterpreteerd, de verzending van een aanmaning niet kan worden gelijkgesteld met de regelmatige verzending van een aanslagbiljet; dat immers de wet uitdrukkelijk de kennisgeving bij aanslagbiljet voorschrijft; dat dienvolgens de door verweerster geformuleerde opmerkingen niet terzake dienend zijn en als ongegrond worden afgewezen;

Overwegende dat eisers zich terecht beroepen op voornoemd art. 4 om de betwiste aanslag te horen tenietdoen wegens verval;
Dat het bezwaar dan ook gegrond is;
***
Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, de betwiste aanslag in strijd met de wettelijke bepalingen werd gevestigd en de bestreden beslissing op onjuiste gronden werd getroffen, zodat zij niet kunnen behouden blijven;
Dat de voorziening van eisers gegrond is, en verweerster in de kosten, zoals hierna overeenkomstig art. 392 W.I.B, '92 - dat krachtens art. 7 van de Wet van 23 december 1986 ook te dezen van toepassing is - begroot, dient verwezen;
***

Om die redenen,
Het Hof,
Recht doende op tegenspraak :
Gelet op artikel 24 bis van de Wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van Voorzitter R. Thys;
Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond;
Wijzigt de bestreden beslissing;
Verklaart de bezwaren ontvankelijk en gegrond;
Doet de aanslag teniet;
Veroordeelt verweerster tot terugbetaling van alle op grond van de vernietigde aanslag ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen '92;
Verwijst verweerster in de kosten.