Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.01.1995
Summary :
Activités lucratives,Caractère accessoire,Manège
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.01.1995
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.01.1995 Tax year : 2005 Document date : 09/01/1995 Document language : FR Name : A 95/2 Version : 1 Court : appeal
ARRET A 95/2 Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.01.1995 FJF 95/86 Activités lucratives - Caractère accessoire - Manège L'exploitation d'une cafétaria, la location de chevaux de selle, des leçons d'équitation de l'organisation de camps sportifs sont des activités commerciales, mais ne peuvent être considérées comme des opérations de caractère lucratif telles que visées à l'article 94, alinéa 1er CIR, s'il apparaît très clairement de la lecture des statuts de l'ASBL présentés que les activités mentionnées concernent seulement des activités de l'ASBL qui sont accessoires à la réalisation de ses objectifs, à savoir l'exercice du sport et en particulier de l'équitation. Une telle ASBL n'est dès lors pas assujettie à l'impôt des sociétés, de sorte que les indemnités qu'elle a accordées à une personne physique ont été à tort qualifiées par l'administration de rémunérations d'administrateur au sens de l'article 20, 2°, b CIR. Il appartient à l'administration d'apporter la preuve de l'existence de revenus non déclarés lorsque les contribuables ont introduit à temps des déclarations régulières à l'impôt des personnes physiques. Raadsheer wd. voorzitter: dhr. Thys Raadsheer: mevr. Vanstraelen Advocaten: mr. Vanrooy, mr. van Loock loco mr. Bonjé F. 29/91V.Z.W. F.tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gelet op de aanslag in de vennootschapsbelasting, Gemeente B.: Aanslagjaar 1987, boekjaar 1986, artikel 073021, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 oktober 1990, een belasting vorderend van 89.021 fr., op grond van een belaste winst van 238.805 fr.; Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 22 november 1990; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 02049049404 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 11 januari 1991, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaarschrift wordt afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 19 februari 1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 19 februari 1991; F. 193/91V.Z.W. F.tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gelet op de aanslag in de vennootschapsbelasting, Gemeente B.: Aanslagjaar 1988, boekjaar 1987, artikel 9855871, toegezonden aan de belastingschuldige op 25 augustus 1989, een belasting vorderend van 46.645 fr., op grond van een belaste winst van 131.765 fr.; Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 15 september 1989; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 02048950810 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 4 juni 1991, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaarschrift wordt afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 11 juli 1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 11 juli 1991; F. 97/911. F.D. en zijn echtgenote2. A.V. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gelet op de aanslagen in de personenbelasting, Gemeente B.: a) Aanslagjaar 1986, inkomsten 1985, artikel 7711972, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 mei 1987, een belasting vorderend van 9.567 fr., op grond van een belast inkomen van 493.573 fr.; b) Aanslagjaar 1987, inkomsten 1986, artikel 8710574, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 april 1988, een belasting vorderend van 15.904 fr., op grond van een belast inkomen van 504.983 fr.; c) Aanslagjaar 1988, inkomsten 1987, artikel 9726637, toegezonden aan de belastingschuldige op 7 november 1989, een belasting vorderend van 192.988 fr., op grond van een belast inkomen van 846.206 fr.; Gelet op de bezwaarschriften, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, respectievelijk op 23 juli 1987, 9 augustus 1988 en 23 november 1989; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 489457 - 501268 - 89/53893 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 12 maart 1991, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor met betrekking tot aanslagjaren 1987 en 1988 een ontheffing van respectievelijk 19.043 fr. en 102.876 fr. werd verleend en voor het overige de bezwaarschriften werden afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 18 april 1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 18 april 1991; Het Hof, (...), wijst het volgend arrest: I. SamenhangOverwegende dat beide partijen het Hof verzoeken de zaken, gekend onder nummers F. 29/91, F. 193/91 en F. 97/91, samen te behandelen en te berechten, aangezien zij als samenhangende zaken dienen aangezien;Overwegende dat uit het onderzoek van de drie zaken blijkt dat de beide zaken door de V.Z.W. F. ingeleid inderdaad betrekking hebben op éénzelfde betwisting - te weten of de ''winsten' door de V.Z.W. behaald in de vennootschapsbelasting dan wel in de rechtspersonenbelasting belastbaar zijn -, terwijl de betwisting in de zaak door appellanten D. en V. ingeleid - nl. of de door de V.Z.W. F. aan de heer D. uitgekeerde vergoedingen lonen dan wel bezoldigingen als beheerder zijn - volkomen afhankelijk is van de beoordeling omtrent de al dan niet onderworpenheid van de V.Z.W. aan de vennootschapsbelasting; Dat derhalve te dezen vaststaat dat de 3 zaken onderling zo nauw verbonden zijn, zodat het - in toepassing van art. 30 Ger.W. - in het belang van een goede rechtsbedeling gepast is ze samen te behandelen en in één arrest te berechten ten einde oplossingen te vermijden die, ingeval van afzonderlijke berechting, onverenigbaar kunnen zijn; II. Nopens de aanslagen ten name van de V.Z.W. F.Overwegende dat geïntimeerde thans in de op 1 juli 1993 ingediende conclusie stelt niet langer de aanslagen van de V.Z.W. F. in de vennootschapsbelasting met betrekking tot de aanslagjaren 1987 en 1988 te handhaven en te verdedigen, aangezien te dezen uit de gegevens blijkt dat de V.Z.W. zich bezig houdt met verrichtingen die slechts bijkomstig betrekking hebben op nijverheids- of handelsverrichtingen of die niet volgens nijverheids- of handelsmethodes worden uitgevoerd, zodat dergelijke verrichtingen, krachtens art. 94, n., 3o W.I.B., niet als verrichtingen van winstgevende aard kunnen worden aangemerkt;Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de overgelegde gegevens, vaststelt dat de V.Z.W. F., blijkens het verslag van de Opsporingsinspectie der Directe Belastingen te Antwerpen-Borgerhout d.d. 25 juli 1986, weliswaar ''handelsverrichtingen' stelt, waaruit inkomsten worden behaald, te weten het uitbaten van een cafetaria, het verhuren van rijpaarden, rijlessen en inrichting van sportkampen. (cfr. stukken 36 - 41 in dossier F. 29/91); Dat evenwel te dezen blijkt dat de kwestieuze handelsverrichtingen niet als verrichtingen van winstgevende aard, zoals bedoeld in art. 94, 1o lid W.I.B., kunnen worden beschouwd, aangezien uit de lezing van de overgelegde statuten van de V.Z.W., gepubliceerd in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 1976 (Nr. 6661 blz. 3020-3021), zeer duidelijk is dat de voornoemde verrichtingen betrekking hebben op activiteiten van de V.Z.W. die slechts bijkomstig zijn aan de verwezenlijking van de doelstellingen, zijnde de sportbeoefening en in het bijzonder het paardrijden; Dat inderdaad de kwestieuze statuten het doel van de V.Z.W. F. omschrijven als volgt: ''... - de vereniging is een sportclub; - de vereniging kan alle mogelijke sporten bedrijven; - de sport die hoofdzakelijk zal beoefend worden is het ''paardrijden'; - om haar doel te bereiken mag de vereniging terreinen en lokalen huren en/of kopen waar de sporten kunnen beoefend worden; - om haar doel te bereiken mag de vereniging paarden huren of kopen; - de inkomsten van de vennootschap zullen aangewend worden om de paarden, de lokalen en de terreinen gebruikt door de vereniging te onderhouden, te huren of aan te kopen en om de algemene onkosten te betalen; - de vereniging mag verder alle aktiviteiten ontplooien die zouden kunnen bijdragen tot het verwezenlijken van haar doel;'' (cfr. stukken 42 - 43 in dossier F. 29/91); Overwegende dat derhalve uit de hierboven gedane vaststellingen volgt dat de kwestieuze verrichtingen geen verrichtingen van winstgevende aard zijn, zodat de V.Z.W. F. overeenkomstig art. 94, n., 3o W.I.B. niet aan de Vennootschapsbelasting is onderworpen; Dat dienvolgens de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting met betrekking tot aanslagjaren 1987 en 1988 ten onrechte werden gevestigd en dienen te niet gedaan; Dat dan ook de beide voorzieningen van appellante gegrond zijn, de beide directoriale beslissingen dienen gewijzigd en geïntimeerde in de kosten, zoals hierna overeenkomstig art. 392 W.I.B. '92 begroot, dient verwezen; III. Nopens de aanslagen ten name van D. en V.Overwegende dat zij voor de aanslagjaren 1986, 1987 en 1988 tijdige en regelmatige aangiften in de personenbelasting indienden, waarin opgave werd gedaan van de door eerste appellant - vanwege de V.Z.W. F. - ontvangen lonen ten bedrage van respectievelijk 520.961 fr., 531.561 fr. en 531.561 fr.;Dat de thans betwiste aanslagen, in toepassing van art. 251 W.I.B., werden gevestigd overeenkomstig de gegevens vermeld in de berichten van wijziging van aangifte d.d. 28 januari 1987, 21 januari 1988, 22 februari 1988 en 22 juni 1989, waarmede appellanten zich telkens binnen de voorgeschreven termijn niet akkoord verklaarden; Dat de taxatieambtenaar met voornoemde berichten appellanten ter kennis bracht dat de aangegeven wedden en lonen dienden beschouwd als bezoldigingen van beheerder, zoals bedoeld in art. 20, 2o b W.I.B., en aldus dienovereenkomstig belast, alsook dat wat aanslagjaar 1988 betreft de belastbare inkomsten dienden verhoogd tot 891.661 fr., door toevoeging van het bedrag van 360.100 fr., zijnde genoten voordelen van alle aard; (cfr. stukken 20, 34, 48 en 51 van dossier F. 97/91); Overwegende dat geïntimeerde thans in zijn op 1 juli 1993 ingediende conclusie stelt dat de door eerste appellant ontvangen bedragen inderdaad belastbaar zijn als wedden en lonen (zoals bedoeld in art. 20, 2o a W.I.B.) zodat de betwiste aanslagen geheel ten onrechte werden gevestigd in toepassing van art. 20, 2o b W.I.B.; Dat hij derhalve niet langer de doorgevoerde taxaties, in zoverre zij werden gevestigd op bezoldigingen als beheerder, verdedigt, en tevens stelt dat hij zich, wat de begroting van de voordelen van alle aard betreft naar de wijsheid van het Hof gedraagt; Overwegende dat uit de hierboven gedane vaststellingen met betrekking tot de V.Z.W. F. volgt dat deze V.Z.W., in toepassing van art. 94, n 3o W.I.B., niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, zodat de door haar aan huidige eerste appellant toegekende vergoedingen geen bezoldigingen hem toegekend als tegenprestatie voor de door hem uitgeoefende functie van beheerder van een vennootschap kunnen opleveren, en dienvolgens niet overeenkomstig art. 20, 2o b W.I.B. kunnen worden belast; Dat derhalve vaststaat dat eerste appellant zeer terecht de door hem vanwege de V.Z.W. F. - wier werknemer hij is - ontvangen vergoedingen als wedden en lonen tegenover code 250 van het aangifteformulier heeft aangegeven over de aanslagjaren 1986, 1987 en 1988; Dat dan ook de aanslagen, in zoverre gevestigd in toepassing van art. 20, 2o b W.I.B., niet kunnen behouden blijven en wegens willekeurige vestiging dienen te niet gedaan; Overwegende dat met betrekking tot aanslagjaar 1988 het Hof, na onderzoek van de overgelegde gegevens, vaststelt dat de begroting van de belastbare voordelen van alle aard evenzeer op willekeurige wijze werd gedaan, tengevolge waarvan de gehele belastbare grondslag willekeurig werd vastgesteld; Dat het immers aan de fiscale administratie behoort het bewijs te leveren van het bestaan van ieder ander inkomen dan is aangegeven, wanneer - zoals te dezen - de belastingplichtigen tijdige en regelmatige aangiften in de personenbelasting hebben ingediend; (cfr. Cass. 25 januari 1993, Rec. Cass. 1993, nr. 308 en 369); Overwegende dat in casu de kwestieuze voordelen van alle aard voor het aanslagjaar 1988 op 360.100 fr. werden bepaald, op grond van een door de opsporingsambtenaar toegepaste breuk van 17/35 op een bedrag van 741.384 fr., zijnde de ten name van de V.Z.W. in rekening gebrachte onkosten; (cfr. stuk 49 in dossier F. 97/91); Dat evenwel het voornoemde kwestieuze verslag van de taxatieambtenaar, noch het verslag van de opsporingsambtenaren - waarnaar wordt verwezen - enig concreet en vaststaand gegeven bevatten, waaruit zou blijken dat de vooropgestelde verhouding van 17/35 aan de realiteit beantwoordt; Dat derhalve de kwestieuze verhouding te dezen niet overeenkomstig art. 246 W.I.B. als feitelijk vermoeden kan worden aangewend, daar zij niet is gesteund of afgeleid uit vooraf bewezen onbetwistbaar vaststaande gegevens, die krachtens art. 1353 B.W. gronden opleveren om vermoedens te vormen; Overwegende dat dienvolgens de bepaling van de voordelen van alle aard op willekeurige wijze werd gedaan, zodat hiermede geen rekening kan worden gehouden ter vaststelling van de belastbare grondslag; Overwegende dat uit de hierboven gedane vaststellingen volgt dat de administratie te dezen geheel ten onrechte de door appellanten aangegeven inkomsten en andere te hunnen name in aanmerking komende gegevens heeft gewijzigd; Dat derhalve de betwiste aanslagen op willekeurige wijze werden gevestigd en dienen te niet gedaan; dat tevens de bestreden beslissing op onjuiste gronden, behoudens wat de reeds verleende ontheffingen betreft, werd getroffen, en dient gewijzigd; Overwegende dat de voorziening van appellanten gegrond is, en geïntimeerde in de kosten, zoals hierna overeenkomstig art. 392 W.I.B. '92 begroot, dient verwezen; Om die redenen, Het Hof, Voegt de zaken gekend onder nummer F. 29/91, F. 193/91 en F. 97/91 wegens samenhang en erover recht doende op tegenspraak: Gelet op art. 24 bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van raadsheer R. Thys; Verklaart de voorzieningen toelaatbaar en gegrond; Wijzigt de bestreden beslissingen; Verklaart de bezwaren gegrond; Doet de aanslagen te niet; Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle op grond van de vernietigde aanslagen ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 W.I.B.92; Zegt rechtens dat de reeds verleende ontheffingen voor partijen D.-V. verworven blijven; Verwijst geïntimeerde in de kosten. Noot: Zie Fiscale Koerier, 1995, p. 264. |
|||||||