Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 28.02.2006

Date :
28-02-2006
Language :
French Dutch
Size :
5 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Déduction pour investissement (matériel de coffrage),Cession de l'usage à des tiers

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 28.02.2006
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 28.02.2006
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 28.02.2006
Tax year : 0
Document date : 28/02/2006
Document language : FR
Modification date : 13/06/2006 09:19:46
Name : A 06/1
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 06/1


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 28.02.2006



Déduction pour investissement (matériel de coffrage) - Cession de l'usage à des tiers

    L'application de la déduction pour investissement a été refusée à l'intimée en ce qui concerne des investissements dans du matériel de coffrage qu'elle met à la disposition de ses clients entrepreneurs.

    LA COUR

    La mise à disposition de systèmes de coffrage entre dans le cadre des activités normales de l'intimée. Celle-ci démontre à suffisance que tout projet utilisant son matériel de coffrage requiert son assistance spécialisée et que sa prestation de service constitue donc une part essentielle de ses activités. C'est à juste titre que le premier juge a accordé la déduction pour investissement dès lors que la mise à disposition des systèmes de coffrage ne se limite pas au seul octroi de droits d'usage sur les biens mais fait partie d'une prestation de service globale, ce qui n'est pas contesté. Le premier juge a donc décidé pour de justes motifs que, dans ces circonstances, la règle générale prévue par l'art. 69, CIR 92 en matière de déduction pour investissement s'appliquait. En effet, il n'y a pas de « cession » d'un « droit d'usage » au sens de l'art. 75, 3°, CIR 92 : les actifs ne sont pas loués tels quels aux clients mais sont utilisés par l'intimée elle-même dans le cadre de sa prestation de service

 



 

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2004/AR/2100

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der directe belastingen, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;

    appellant,

    tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 26 mei 2004;

    vertegenwoordigd door Meester J.S. loco Meester V.W., advocaat te …;

tegen:

N.V. C., H.R. te Tongeren N° …, ondernemingsnummer …, met uitbatingzetel te …;

    geïntimeerde,

    vertegenwoordigd door Meester F.S. loco Meester J.S., advocaat te …;

* * *

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 26 mei 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 juli 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1.

De betwisting betreft de in hoofde van geïntimeerde gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting, gemeente Opglabbeek, aanslagjaar 1996 (balans per 31 december 1995), kohierartikel 870409331 (supplement aan artikel 863615530) voor een verschuldigd bedrag van 546.467 BEF (thans 13,546,56 EUR).

1.2.

Geïntimeerde is naar eigen zeggen gespecialiseerd in de ontwikkeling en productie van nieuwe bekistingsystemen voor wandbekisting, kolom-, balk-, en funderingsbekisting, ronde bekisting, vloerbekisting en prefabbekisting. De ontwikkeling en de productie van die bekistingsystemen is gericht op aannemingen van woningbouw, appartementsgebouwen, utiliteitsgebouwen en burgerlijke bouwkunde. De levering van het bekistingsysteem aan haar klanten gaat volgens geïntimeerde gepaard met een ruime dienstverlening.

1.3.

De administratie verzond op 4 oktober 1996 een aangetekend bericht van wijziging waarbij onder meer werd aangekondigd dat de investeringsaftrek op bekistingsmaterieel werd verworpen omdat overeenkomstig artikel 3 van de wet van 28 december 1992 er geen investeringsaftrek kan toegestaan worden op activa waarvan het gebruik aan een rechtspersoon is afgestaan (stukken 124 t/m 127 A. D.).

Namens geïntimeerde werd bij brief van 26 juni 1996 gesteld dat de investeringsaftrek wel kon worden toegepast op die activa waarvan de terbeschikkingstelling zich niet beperkt tot het louter verlenen van gebruiksrechten op de investeringsgoederen doch eveneens deel uitmaken van een globale dienstverlening. Nu het bekistingsmateriaal niet enkel wordt verhuurd maar via een uitgebreide dienstverlening ter beschikking van haar gebruikers wordt gesteld, is de toegepaste investeringsaftrek wel gerechtvaardigd (stukken 128 t/m 133 A.D.).

De taxatieambtenaar vestigde niettemin de aanslag overeenkomstig het bericht van wijziging. Bij brieven van 13 maart 1997, ontvangen ter directie op 17 maart 1997, tekende geïntimeerde bezwaar aan tegen de aldus gevestigde aanslag voor de aanslagjaren 1995 en 1996 (stukken 2 t/m 12 A.D.).

Bij de bestreden directoriale beslissing van 2 oktober 2000 werd het bezwaar afgewezen (stukken 13 t/m 22 A.D.).

1.4.

Bij het gedinginleidend verzoekschrift dd. 2 januari 2001 leidde geïntimeerde de procedure in voor de eerste rechter.

De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en beval de herberekening van de bestreden aanslag, meerbepaald in de mate dat de investeringsaftrek diende te worden toegepast met veroordeling van appellant tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen en tot de kosten van het geding.

1.5.

De vordering van appellant, zoals laatste geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt:

" …

Dit hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

Bijgevolg het bestreden vonnis te vernietigen en te doen wat de eerste rechter had moeten doen m.n. De oorspronkelijke vordering van gedaagde, oorspronkelijke geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond te verklaren, haar er bijgevolg van af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding … "

2. Bespreking

2.1.

De betwisting betreft enkel aanslagjaar 1996 en meerbepaald m.b.t. de vraag of geïntimeerde recht heeft op de investeringsaftrek m.b.t. het bekistingsmateriaal dat zij ter beschikking stelt van haar klanten-aannemers.

2.2.

Voor de investeringsaftrek komen enkel materiële en immateriële vaste activa in aanmerking die voldoen aan de in art. 68 t/m 77 WIB92 gestelde voorwaarden.

Om de investeringsaftrek te kunnen genieten moeten de investeringen aan de volgende voorwaarden voldoen :

  • het moet gaan om investeringen in materiële en immateriële vaste activa;
  • die activa moeten in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht;
  • de investeringen moeten tijdens het belastbaar tijdperk zijn gedaan;
  • de investeringen moeten in België voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.

Krachtens artikel 75, 2° WIB92 is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, in geval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen.

Overeenkomstig artikel 75, 3° W1B92, zoals ingevoerd door artikel 3 van de wet van 28 december 1992 (B.S., 31/12/1992), komen de vaste activa waarvan het recht van gebruik, anders dan op de wijze als vermeld in art. 75, 2° WIB92 aan een andere belastingplichtige worden overgedragen niet in aanmerking voor de investeringsaftrek, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt.

Voornoemde wet is van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met ingang van 1 januari 1992.

Volgens de administratie volgt uit deze wettelijke voorwaarden dat de toepassing van de investeringsaftrek uitgesloten is voor vaste activa waarvan het gebruik door huur aan een derde is afgestaan en waarbij de verhuring van het materieel primeert op de ermee gepaard gaande dienstverlening.

Partijen zijn het erover eens dat de artikelen 75, 2° en 3° WIB92 zijn ingevoerd om misbruiken te verhinderen. De ratio legis van artikel 75, 2° wilde verhinderen dat twee onderscheiden belastingplichtigen m.b.t. dezelfde vaste activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek.

Uit de wetshistoriek van artikel 75, 3° WIB92 blijkt dat de wetgever de uitzonderingen op de investeringsaftrek heeft voorzien om te vermijden dat de opnulzetting van de gewone investeringsaftrek voor vennootschappen zou worden omzeild, meerbepaald dat vennootschappen zouden overwegen om de investeringen niet zelf te doen, maar ze in de plaats daarvan te huren bij een verhuurder die wel voor investeringsaftrek in aanmerking komt (Cass., 22 november 2001, T.F.R., 2002, p. 358361 en Brussel, 11 oktober 2001, TER., 2002, p. 364-367, beiden met noot J. MEULEMEESTER, "De overdracht van het recht van gebruik en de investeringsaftrek : hoe een ruim geïnterpreteerde wettekst het doel van de wet kan voorbijschieten"; Cass., 27 juni 2002, Fiscoloog, 2002, 863,4).

2.3.

Het argument van geïntimeerde dat de wettekst van artikel 75,3° WIB92 geen toepassing kan vinden omdat "het recht van gebruik" overeenkomstig het gemeen recht (art. 625 BW) dient verstaan te worden als een zakelijk recht kan niet worden gevolgd.

Terecht stelt de eerste rechter dat bij de interpretatie van fiscale wetten er eerst moet uitgegaan worden van de tekst zelf van de wet en er moet gezocht worden naar de juiste betekenis van de door de wetgever gebruikte woorden, binnen de context waarin het begrip is gesitueerd.

Terecht stelt de eerste rechter dat in casu het begrip "overdracht van een recht van gebruik" niet beperkend dient geïnterpreteerd te worden als zijnde een "overdracht van een zakelijk recht".

2.4.

Geïntimeerde stelt dat haar kernactiviteit erin bestaat een dienst aan te bieden aan haar klanten.

De diensten van geïntimeerde bestaan in het bekisten middels de efficiënte aanwending van bekistingsmaterialen.

Niet betwist wordt dat de levering van het bekistingssysteem gepaard gaat met een meer globale dienstverlening (Volgens geïntimeerde is dit een ruime dienstverlening, volgens appellant is deze dienstverlening ondergeschikt aan de verhuur van bekistingsmateriaal zodat er in casu alleen sprake is van een loutere "verhuur").

Geïntimeerde verwijst naar het standpunt van de Minister welke in antwoord op parlementaire vragen reeds te kennen heeft gegeven dat de investeringsaftrek kan worden toegepast wanneer de ter beschikking stelling van activa zich niet beperkt tot het louter verlenen van gebruiksrechten op de investeringsgoederen, doch deel uitmaakt van een globale dienstverlening (Pari. Vraag, nr. 60, dhr. Peeters, 10 december 1990, Bull. Bel., nr. 707, 1791; Parl. Vr., nr. 169, dhr. Van Hooland, 24 april 1990, Bull. Bel., 1990, nr. 699, 3146).

Het ter beschikking stellen van bekistingssystemen kadert binnen de normale bedrijfsactiviteit van geïntimeerde.

Geïntimeerde maakt voldoende aannemelijk dat elk project met haar bekistingsmateriaal haar gespecialiseerde bijstand vereist en dat derhalve haar dienstverlening een essentieel onderdeel uitmaakt van haar activiteiten (zie terzake : het enig stuk van geïntimeerde).

Nu het ter beschikking stellen van bekistingssystemen zich niet beperkt tot het louter verlenen van gebruiksrechten op de goederen, doch deel uitmaakt van een globale dienstverlening - wat niet wordt betwist - heeft de eerste rechter terecht de investeringsaftrek toegestaan.

Terecht stelt de eerste rechter dat in dergelijke omstandigheden de algemene regel van artikel 69 WIB92 inzake investeringsaftrek van toepassing is.

Er is nl. geen "overdracht" van een "recht van gebruik" in de zin van de tekst van artikel 75, 3° WIB92 : de activa worden niet als dusdanig aan de klanten verhuurd maar worden geïntimeerde zelf gebruikt in het kader van haar dienstverlening (zie ook : Brussel, 11 oktober 2001, T.F.R., 2002, p. 364-367).

Bovendien wordt geïntimeerde niet geviseerd door de doelstelling van de wetgever welke de artikelen 75, 2° en 3° WIB92 invoerde:

  • geïntimeerde heeft niet tot doel gehad om twee onderscheiden belastingplichtigen m.b.t. dezelfde activa te laten genieten van de investeringsaftrek.
  • Geïntimeerde heeft niet op vraag van derden geïnvesteerd in activa met het oog op het ontwijken van de opnulzetting van de investeringsaftrek in hoofde van deze derden.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook te worden bevestigd.
   

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op 233,02 EUR, volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ACHTENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZENDENZES, waar aanwezig waren:
R.T., Voorzitter;
D.W.
en M.V.d.B., Raadsheren;
A.V.L., Griffier.