Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 14.12.1984
Summary :
Taxation présomptions homme,Fondement présomption,Achat,Listing TVA,Revenus exercices antérieurs,Comparaison contribuables similaires
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 14.12.1984
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 14.12.1984 Tax year : 2005 Document date : 14/12/1984 Document language : FR Name : G 84/2 Version : 1 Court : appeal
ARRET G 84/2 Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 14.12.1984 Taxation présomptions homme - Fondement présomption - Achat - Listing TVA - Revenus exercices antérieurs - Comparaison contribuables similaires Un opticien fut taxé d'office pour absence de déclaration. Le revenu imposable fut fixé à 1.100.000 F sur base de présomption de l'homme (art. 246 CIR), à savoir sur base de la même marge bénéficiaire brute que l'année précédente (125%). L'opticien conteste: - le montant des achats pris en considération; - la marge bénéficiaire; - le calcul des charges professionnelles. Il ne prouve cependant pas le chiffre exact de ses revenus. Il ne prouve pas non plus le caractère arbitraire de la taxation: - les achats furent déterminés sur base du listing TVA; - la marge bénéficiaire de 125% n'est pas exagérée. En effet, sur base d'une comparaison avec 3 contribuables similaires, il apparaît que celle-ci oscille entre 150% et 164%; - les charges professionnelles furent judicieusement estimées suivant les feuilles de paie, et, pour le surplus, à 110% des coûts de l'année précédente. Tweede kamer Voorzitter: de heer Couckuyt Raadsheren: de heer Van Waerebeek, mevr. Van Isterdael O.M.: de heer Goeminne Partijen: B.A., tegen de Belgische Staat velt het Hof volgend arrest: Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de Directeur der Directe Belastingen te Gent d.d. 30 januari 1981, waarbij zijn bezwaar tegen de op zijn naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1975 (kohierart. X) als ongegrond werd afgewezen; Overwegende dat de eiser, die optieker is, terecht ambtshalve werd aangeslagen bij gebrek aan aangifte; dat de aanslag werd gevestigd op een gezamenlijk belastbaar inkomen van 1.147.577 F gesteund op art. 246 WIB; Overwegende dat reeds in zijn bezwaarschrift van 5 oktober 1977 de eiser opmerkingen uitte over het in aanmerking genomen inkoopbedrag, over het verrekende kostenbedrag en over de aangerekende winstmarge; dat hij evenwel naliet daaromtrent enige inlichting te verstrekken of enig stuk of bescheiden over te leggen, niettegenstaande de Administratie hem daartoe meermaals had verzocht bij schrijven van 11 mei 1978, van 31 mei 1979 en van 22 oktober 1979; Overwegende dat in die omstandigheden de bestreden beslissing heeft aangenomen dat uit die onthouding afgeleid mocht worden dat de eiser ervan afzag het op hem rustend bewijs van de overbelasting te leveren; Overwegende dat inderdaad, overeenkomstig art. 257 WIB, het ten deze de eiser behoort het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens; dat de eiser zoiets ook niet heeft aangetoond voor het Hof; Overwegende dat de eiser evenmin heeft bewezen dat de belastbare grondslag willekeurig werd gevestigd; dat immers het bedrag van de aankopen oordeelkundig werd bepaald op grond van de BTW-listings van het betrokken jaar 1975; dat de aangenomen winstmarge van 125% zeker niet overdreven is waar uit de thans door de Administratie overgelegde drie vergelijkingspunten blijkt dat voor soortgelijke belastingplichtigen de winstmarge schommelt van 150% tot 164%; dat wat de in rekening gebrachte bedrijfslasten betreft, deze oordeelkundig werden geraamd eensdeels volgens opgave ingevolge loonstaten en anderdeels volgens de aangegeven kosten van het vorig aanslagjaar, geraamd aan 110%; OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24bis der Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van raadsheer N. Van Isterdael , de partijen in hun middelen en conclusies en het overeenkomstig adies van Advocaat-Generaal Goeminne, Ontvangt de voorziening, verklaart ze echter ongegrond. Verwijst de eiser in de kosten begroot op 234 F. |
|||||||