Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.06.2001

Date :
19-06-2001
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Frais professionnels,Avance société,Faillite

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.06.2001
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.06.2001
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.06.2001
Tax year : 2005
Document date : 19/06/2001
Document language : FR
Name : G 01/19
Version : 1
Court : appeal

ARRET G 01/19


Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.06.2001



Frais professionnels - Avance société - Faillite

Un gérant accorde des avances à sa S.P.RL. au cours des années 1982 à 1986 incluse. La SPRL est cependant déclarée en faillite en 1986. Les avances ne sont dès lors pas remboursées et le gérant porte ses avances en déduction de ses revenus au titre de frais professionnels. L'Administration rejette cette déduction en ce que la perte pour cause de faillite n'aurait pas été supportée en vue d'acquérir ou de conserver des revenus. A tort, selon la Cour d'appel de Gand. En l'espèce, il ne s'agit pas de la prise en charge d'une perte. Pour apprécier du caractère déductible, il faut se placer au moment où les avances ont été consenties. A ce moment, l'intention était clairement de maintenir la SPRL et donc de conserver des revenus professionnels. La constatation qu'au final aucun revenu n'aura pu en être tiré n'est pas pertinent. L'attribution d'une rémunération alors que la société allait mal aurait en effet été la preuve d'une mauvaise gestion.






5FIe kamer

Waarnemend voorzitter: Dhr. G. Van Eygen
Raadsheer: Dhr. G. Tillekaerts
Plaatsvervangend Raadsheer: Dhr. J. Blomme
Griffier: Dhr. M. Vanderbeeken
Partij: Desmet Gert, Puype Marie-Christine t. De Belgische Staat

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brugge van 1 september 1992 waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1990 (kohierartikel 1720683) werd afgewezen;


Overwegende dat de eiser werkend vennoot en zaakvoerder was van de BVBA A. en langs zijn rekening-courant om aan deze vennootschap voorschotten heeft verleend waarvan het saldo bij het afsluiten van het faillissement van de BVBA A. op 10 maart 1989 nog 1.109.044 fr. bedroeg;


Overwegende dat de eisers dit bedrag als bedrijfslast van hun inkomsten wensen af te trekken;


Overwegende dat de administratie deze aftrek weigert om reden dat op het tijdstip van de stortingen van de bedoelde voorschotten de eiser niet de bedoeling had om de verliezen van de vennootschap ten laste te nemen; dat bij de curator een aangifte van schuldvordering ingediend werd; dat achteraf andere motivaties of bedoelingen aan deze operaties toe te voegen niet realistisch en zonder invloed is op de fiscale beoordeling ervan; dat bij het faillissement niet meer kan worden beweerd dat van de vordering afstand werd gedaan met de bedoeling bedrijfsinkomsten te verwerven of te behouden zodat aan één van de voorwaarden tot aftrek als bedrijfsuitgave derhalve niet werd voldaan;


Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eiser als zaakvoerder en werkend vennoot van de BVBA A. voorschotten heeft verleend aan deze vennootschap; dat dit blijkt uit de verslagen van de algemene vergaderingen met voorlegging van de balans en jaarrekening van de jaren 1982, 1984, 1985 en 1986; dat dit trouwens door de administratie niet wordt betwist evenmin dat bij het afsluiten van het faillissement van de BVBA A. op 10 maart 1989 de rekening-courant van de eiser een debetsaldo vertoonde van 1.109.044 fr.; dat de eiser aldus een verlies heeft geleden van de door hem betaalde voorschotten en het geenszins gaat om ten laste neming van verliezen of een afstand van een vordering zoals de administratie ten onrechte wil voorhouden;


Overwegende dat om uit te maken of de door de eiser toegestane voorschotten een bedrijfskarakter hebben, men zich op de dag van het toestaan van de voorschotten moet stellen en niet op het ogenblik waarop de voorschotten als definitief verloren werden beschouwd;


Overwegende dat de BVBA A. werd opgericht op 8 september 1981 en failliet werd verklaard in 1986; dat waar de eiser in de begin- of oprichtingsfase van deze vennootschap voorschotten heeft toegestaan dit niet anders kan worden uitgelegd, mede gelet op zijn hoedanigheid van zaakvoerder werkend vennoot, dan dat hij tijdens deze periode de vennootschap financieel heeft willen ondersteunen met de bedoeling deze in stand te houden en te doen bloeien; dat hij alzo redelijkerwijze kon verwachten dat de vennootschap winsten zou maken zodat hijzelf hieruit inkomsten zou verwerven; dat indien de eiser later hogere voorschotten heeft verleend, zoals blijkt voor de jaren 1984, 1985 en 1986, dit enkel door hem kan worden ingegeven om de BVBA A. nog van een faillissement te redden en alzo tevens zijn bedoeling om bedrijfsinkomsten te bekomen gestand te houden; dat anders niet kan worden ingezien om welke reden de eiser niet-rentegevende voorschotten aan de BVBA A. zou hebben toegestaan;


Overwegende dat gelet op de omstandigheden waarin de eiser de voorschotten, waarvan het saldo in 1989 definitief vastgesteld werd op 1.109.944 fr., ter beschikking van de BVBA A. stelde mag aangenomen worden dat deze een bedrijfskarakter hebben in de zin van artikel 44 WIB/64; dat het feit dat de eiser na het betalen van de voorschotten er niet in geslaagd is om bedrijfsinkomsten te verwerven, niet van aard is om te besluiten dat het door hem geleden verlies niet als bedrijfslast in aftrek kan worden gebracht; dat het immers van slecht beheer zou getuigen zo de zaakvoerder bij de oprichting van de vennootschap en bij het naderen van een faillissement zich een bezoldiging zou toekennen;


Overwegende dat het bedrag van 1.109.944 fr. derhalve als een bedrijfsuitgave aftrekbaar is;


Overwegende dat de voorziening gegrond is;


OP DIE GRONDEN,


HET HOF, recht doende op tegenspraak,


Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.


Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van Waarnemend Voorzitter Gisèle Van Eygen en de partijen in hun middelen en conclusies.


Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond.


Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt tevens de teruggave van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriumintresten.


Verwijst de Belgische Staat in de kosten begroot op 298 Fr.