Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 28.11.1997
Summary :
Revenus mobiliers,Moment d'imposabilité
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 28.11.1997
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 28.11.1997 Tax year : 2005 Document date : 28/11/1997 Document language : FR Name : G 97/12 Version : 1 Court : appeal
ARRET G 97/12 Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 28.11.1997 FJF 97/227 Revenus mobiliers - Moment d'imposabilité Sur la base de l'article 263, § 1er, 3° CIR, il est requis qu'une action judiciaire établisse que des revenus imposables n'ont pas été déclarés. Il est, en conséquence, nécessaire mais toutefois suffisant que l'action judiciaire fasse apparaître que des revenus n'ont pas été déclarés. Lorsqu'aussi bien le tribunal correctionnel que la cour d'appel ont décidé que les données produites par un tiers, à savoir une société d'investissement, correspondent à la réalité, il peut être considéré que ces données ont une force probante suffisante et qu'elles sont sûres et certaines. L'attribution d'intérêts a lieu lorsque le bénéficiaire peut disposer réellement des revenus ou peut les encaisser mais également lorsque les revenus sont inscrits, au profit du bénéficiaire, sur un compte et cela même si ce compte n'est pas disponible (Art 171 CIR). Il y a aussi attribution lorsque le contribuable n'a pas exigé le payement des intérêts en telle sorte que le revenu disponible a été automatiquement replacé à sa date d'échéance. Les signes ou indices qui s'appuient sur des présomptions imprécises et non certaines ne peuvent servir pour venir à l'appui d'une autre présomption. L'évaluation des frais liés à un train de vie fixés sans aucune motivation est arbitraire. Est tout aussi arbitraire le fait de prendre en considération pour un contribuable des fonds placés dès lors qu'un compte est ouvert au nom de deux personnes. Voorzitter: Mevr. Van Isterdael Raadsheren: Mevr. Van Eygen, Dhr. De Meue Advocaten: Mr. Barbier loco Mr. De Broe, Mr. Vandeschoor loco Mr. Pecraer G.D.C. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën spreekt het Hof het volgend arrest uit: Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent van 11 mei 1993, waarbij de bezwaarschriften van de eiser tegen de op zijn naam gevestigde aanslagen in de personen- en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1983 (kohierartikel 820241), 1985 (kohierartikel 820229) en 1986 (kohierartikel 820140) slechts ten dele werden ingewilligd, terwijl het bezwaarschrift tegen het aanslagjaar 1984 (kohierartikel 820233) geheel werd afgewezen; dat daarbij ontheffing werd verleend van respectievelijk 107 448 frank, 21 310 frank en 94 713 frank voor respectievelijk de aanslagjaren 1983, 1985 en 1986; Overwegende dat door de eiser nog een aanvullend stuk werd neergelegd zijnde een brief van de B.B.l. Gent 3 van 28 mei 1990 aan de inspecteur te Oudenaarde; dat alhoewel dit stuk laattijdig werd neergelegd dit dienstig is voor de beoordeling van de zaak, zodat het Hof overeenkomstig artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek ervan de neerlegging beveelt; Overwegende dat de betwiste aanslagen voortvloeien uit de gegevens van een gerechtsdossier ten laste van de gebroeders P. te Gent met notitienummer 78.10.65553/86 waarvan de rechtsvordering werd ingesteld op 24 september 1986 en waarvan de toelating tot inzage werd verleend aan de B.B.I. door de heer procureur-generaal te Gent op 11 maart 1987; dat daaruit zou zijn gebleken dat de eiser belangrijke bedragen zou hebben belegd, hetzij meer bepaald in 1982 de som 509 256 frank, in 1984 de som van 840 000 frank en in 1985 de som 1 050 000 frank; Overwegende dat de administratie daaruit besloot dat de belegde gelden belastbare Belgische roerende inkomsten hadden voortgebracht waarop geen roerende voorheffing was ingehouden, terwijl de elementen uit het gerechtsdossier tevens werd aangewend als tekenen en indiciën, daar deze een hogere graad van gegoedheid vormden dan deze welke bleken uit de vroeger aangegeven of belaste inkomsten; Overwegende dat de eiser voorafgaandelijk opwierp dat de artikelen 235 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud [W.I.B. (oud)] en 251 W.I.B. (oud) werden geschonden; dat de eiser evenwel ter terechtzitting van 31 oktober 1996 afstand deed van de grief met betrekking tot de schending van artikel 235 W.I.B. (oud), terwijl dit in conclusies neergelegd op 9 mei 1986 reeds gebeurde met betrekking tot artikel 251 W.I.B. (oud); Overwegende dat derhalve dient aangenomen dat de artikelen 235 en 251 W.I.B. (oud) niet werden geschonden; 1. Nopens het aanslagjaar 1983. Overwegende dat door de administratie een aanvankelijke aanslag werd gevestigd onder kohierartikel 4700932 op een gezamenlijk belastbaar inkomen van 362 433 frank; Overwegende dat aan de eiser op 4 oktober 1988 een bericht van wijziging werd overgemaakt waarbij hem werd meegedeeld onder verwijzing naar artikel 263, § 1, 3- W.I.B, (oud) dat uit het gerechtsdossier P. elementen naar voren waren gekomen, die tekenen en indiciën vormden van een hogere graad van gegoedheid; dat immers uit vermeld dossier beleggingen waren gebleken ten bedrage van 509 256 frank zodat rekening houdend met dit element een indicaire afrekening werd gemaakt die aanleiding gaf tot een indiciair tekort van 303 676 frank; Overwegende dat de eiser liet weten niet akkoord te gaan met voormeld bericht van wijziging voorhoudend dat hij als loontrekkende al meerdere jaren had gespaard, zodat deze belegging voortkwam uit gespaarde gelden; dat niettemin de betwiste aanslag werd gevestigd zoals was aangekondigd; Overwegende dat de eiser bezwaar indiende, daarbij verwijzend naar zijn antwoord op het bericht van wijziging; Overwegende dat de directeur het indiciair tekort verminderde tot 97 850 frank, daar rekening werd gehouden met de afname van 205 826 frank van de A., hetgeen aanleiding gaf tot een ontheffing van 107 448 frank; Overwegende dat door de eiser een voorziening werd ingediend; dat daarbij de bewijskracht van de computerlisting in vraag werd gesteld, terwijl verder werd aangevoerd dat het indiciair tekort willekeurig werd vastgesteld nu de private uitgaven werden bepaald zonder verdere precisering; Overwegende dat de administratie daaromtrent opwerpt dat de bewijskracht van de computerlisting en de betwisting met betrekking tot de kosten van levensonderhoud nieuwe grieven zijn en derhalve onontvankelijk zijn, dat de fiscus in deze zienswijze niet kan worden bijgetreden daar dit slechts nieuwe middelen zijn om het vermogenstekort te weerleggen; Overwegende dat de rechtsvordering heeft uitgewezen dat de eiser in het jaar 1982 een bedrag van 509 256 frank heeft belegd; dat blijkens stuk 41/20 de rekening van de eiser onder codenummer 558 werd geopend op 15 oktober 1982 met een storting van 209 256 frank, gevolgd door een storting van 200 000 frank op 15 november 1982 en 100 000 frank op 17 december 1982; Overwegende dat door de eiser wordt aangevoerd dat de computer door het zakenkantoor P. in gebruik werd genomen op 1 september 1982, zodat alle beleggingen die voordien werden gedaan op de listings werden geïmputeerd als stortingen van het jaar 1982 en bijgevolg de administratie niet aantoont dat de beweerde belegging in 1982 plaatsvond; Overwegende dat de eiser dit argument ondersteunt door een brief van de B.B.I. Gent van 28 mei 1990 waaruit moet blijken dat de administratie erkent dat de beleggingen die dateren van vóór 1982 werden ingebracht met als vermelding «storting» en dat deze storting voor de meeste beleggers eind september of oktober gebeurde; Overwegende dat waar ten deze de rekening 558 werd geopend op 15 oktober 1982 het geenszins vaststaat dat de storting van 209 256 frank gebeurde in oktober 1982 dan wel het gevolg was van de overdracht van de belegde gelden vermeld op de «manuele fiches» naar de computerlisting; dat derhalve het bedrag van 209 256 frank uit de indiciaire afrekening moet worden geweerd, zodat het resterende vermogenstekort van 97 850 frank in zijn geheel wordt opgeheven; Overwegende dat door de administratie voor het betwiste aanslagjaar eveneens een belastingverhoging van 10 % werd opgelegd overeenkomstig artikel 334 W.I.B. (oud); Overwegende dat de voorziening ook tegen deze belastingverhoging was gericht, daar deze strijdig werd geacht met artikel 334 W.I.B. (oud) en artikel 109 van de Wet van 4.8.1986 op de administratieve boete; Overwegende dat artikel 334 W.I.B. (oud) bepaalt dat «bij niet aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen worden vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 % tot 200 % van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen»; Overwegende dat nu hierboven werd geoordeeld dat het vermogenstekort integraal werd opgeheven er evenmin nog sprake is van een onvolledige of onjuiste aangifte, zodat er geen redenen waren om een belastingverhoging op te leggen; Overwegende dat de voorziening met betrekking tot dit aanslagjaar gegrond voorkomt; dat vermits de betwiste aanslag een supplementaire aanslag betreft deze in zijn geheel moet worden vernietigd; 2. Nopens het aanslagjaar 1984 Overwegende dat door de eiser een tijdige en regelmatige aangifte werd gedaan waarvan de gecodeerde elementen aanleiding gaven tot een aanvankelijke aanslag onder kohierartikel 4724110 met een gezamenlijk belastbaar inkomen van 217 398 frank; Overwegende dat aan de eiser op 4 oktober 1988 een bericht van wijziging van aangifte werd overgemaakt waarbij onder verwijzing naar artikel 263, § 1, 3° W.I.B. (oud) aan de eiser werd meegedeeld dat belangrijke bedragen door hem bij P. werden belegd waarop later intresten werden toegekend; dat deze intresten te aanzien zijn als belastbare Belgische roerende inkomsten waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden of betaald; dat derhalve volgens het databestand in het gerechtsdossier een bedrag van 28 937 frank zou worden toegevoegd uit hoofde van spaardeposito's waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden; Overwegende dat de eiser niet akkoord ging en detail vroeg van de roerende inkomsten of tenminste de berekeningswijze; dat hij verder stelde dat er geen vak in de aangifte was om de bedoelde inkomsten aan te geven; dat niettemin de betwiste aanslag werd gevestigd zoals aangekondigd; Overwegende dat de eiser bezwaar indiende onder verwijzing naar zijn argumentatie ontwikkeld in zijn antwoord op het bericht van wijziging; Overwegende dat de directoriale beslissing dit bezwaar verwierp nu het bericht van wijziging voldoende was gemotiveerd en de gevolmachtigde van de eiser inzage kon nemen van alle bezwaarkaders; dat verder de directeur stelde dat de intresten moesten worden aangegeven als roerende inkomsten waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden, terwijl de eiser niet betwistte dat hij onder code 558 beleggingen had gedaan bij P.; Overwegende dat door de eiser werd aangevoerd dat artikel 263, § 1, 3° W.I.B. (oud) werd geschonden, daar de rechtsvordering niet uitwees dat werkelijk roerende inkomsten werden toegekend in de zin van artikel 167, § 1, 2° K.B. W.I.B. (oud); dat de computerlistings eenzijdige stukken betreffen uitgaande van derden; dat de vermelding van de intresten op de listings geenszins gelijk staat met toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten; Overwegende dat naar luid van artikel 263, § 1, 3° W.I.B. (oud) vereist is dat de rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; dat het derhalve noodzakelijk, doch voldoende is dat de uit de rechtsvordering gebleken inkomsten niet werden aangegeven; Overwegende dat de eiser staande houdt dat de gegevens waarop de administratie steunt, nl. de computerlistings niet het bewijs leveren van de beleggingen en van de genoten intresten, daar dit éénzijdige stukken betreffen; dat m.a.w. niet voldoende uit de rechtsvordering is gebleken dat inkomsten niet werden aangegeven; Overwegende dat de administratie dit weerlegt verwijzend naar het arrest van het Hof van Beroep te Gent uitgesproken op 22 januari 1992, waaruit moet blijken dat de gebroeders P. op strafrechtelijk gebied werden veroordeeld op grond van het door hen sedert 1 september 1982 aangelegde klanten-databestand, met vermelding van jaar en maand van de eerste belegging; Overwegende dat uit het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 22 november 1990, bevestigd in hoger beroep op 22 januari 1992, is gebleken dat de gebroeders P. werden veroordeeld wegens misbruik van vertrouwen, zijnde de betichtingen C.I., 1 (1.1. - 1.2. zoals verbeterd wat D.F. betreft) voor een totaal bedrag van 2 074 341 718 frank, waaronder het belegd bedrag van 565 382 ten name van de eiser onder code 558; Overwegende dat dit bedrag overeenstemt met het bedrag van de databestanden in de computerlisting opgenomen in de oorspronkelijke dagvaarding beko men als volgt: C.I. 1.1.1. 57 250 009 frank (blz.10) C.I. 1.1.2. 2 017 778 709 frank (blz.22) Verbetering D.F. 740 948 frank i.pl.v. 1 427 948 frank hetzij in min - 687 000 frank (blz. 183) ____________ Totaal 2 074 341 718 frank Overwegende dat het gezag van gewijsde van een strafrechtelijke uitspraak verbonden is aan hetgeen de rechter zeker en noodzakelijk heeft beslist omtrent het bestaan van de tenlastegelegde feiten, de schuld of de onschuld van de verdachten en dit zowel in het dictum van het vonnis of arrest als in de redengeving die daar mede samenhangt; Overwegende dat het derhalve vaststaat dat de gebroeders P. onder meer veroordeeld werden wegens misbruik van vertrouwen onder meer jegens de eiser voor een bedrag van 565 382 frank; Overwegende dat zowel de correctionele kamer als het Hof oordeelden dat het databestand ten name van de eiser met de werkelijkheid overeenstemde, zodat ook de daarin vermelde beleggingen en de opbrengst met de werkelijkheid overeenstemden; dat derhalve het databestand dat als vertrekpunt van de betwiste aanslagen heeft gediend een voldoende bewijskrachtig gegeven uitmaakt en als zeker en vaststaand moet worden beschouwd; Overwegende dat de eiser verder aanvoert dat de administratie artikel 263, § 1, 30 W.I.B. (oud) heeft geschonden omdat tevens toepassing werd gemaakt van het bewijs door middel van feitelijke vermoedens nl. het feit dat de op computerlisting vermelde roerende inkomsten ook effectief werden toegekend of betaalbaar gesteld; Overwegende dat nu hierboven werd aangenomen dat de elementen van de rechtsvordering op zichzelf voldoende waren als bewijs dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven dit tevens het geval is voor de roerende inkomsten die minstens onrechtstreeks door de rechtsvordering werden uitgewezen; dat er derhalve geen sprake is van een cascade van vermoedens; dat overigens uit niets blijkt dat door de administratie bijkomende onderzoeksdaden werden gesteld zodat geenszins vaststaat dat artikel 263, § 1, 3° W.I.B. (oud) werd geschonden; Overwegende dat de eiser tenslotte laat gelden dat de belastbaarheid van de roerende inkomsten pas ontstaat op het ogenblik van de toekenning of betaalbaarstelling en niet door inschrijving van de bedragen op de listings; Overwegende dat uit de feitelijke gegevens is gebleken dat de eiser zijn gelden belegde tegen een bepaalde interest en voor een bepaalde periode; dat blijkens de computerlisting de verworven intresten na inschrijving ervan niet werden opgevraagd en derhalve niet effectief werden uitbetaald; Overwegende dat het niet-opnemen van toegekende intresten niet tot gevolg heeft dat deze bedragen niet belastbaar zouden zijn, dat blijkens de stukken de intresten werden toegekend en op de persoonlijke interne rekening van de eiser werden ingeschreven; Overwegende dat er «toekenning» plaats vindt wanneer de genieter werkelijk over het inkomen kan beschikken of dit kan incasseren, doch eveneens wanneer het inkomen ingeschreven wordt op een ten bate van de genieter geopende rekening - zoals ten deze op de rekening nr. 558 geopend ten bate van de eiser zelfs indien die rekening onbeschikbaar is [artikel 171 W.I.B. (oud)]; Overwegende dat het ten deze vaststaat dat de rekening van de eiser niet onbeschikbaar was; dat de eiser de inkomsten kon innen; dat overigens uit bovenvermelde rekening is gebleken dat onder meer op 18 december 1985 450 000 frank werd terugbetaald; dat ook deze terugbetaling aan een werkelijke verrichting beantwoordde; dat bovendien de terugbetaalde gelden werden afgetrokken van de belegde gelden verhoogd met de gekapitaliseerde intresten; Overwegende dat er in de gegeven omstandigheden wel degelijk toekenning of betaalbaarstelling is geweest, dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de eisers de intresten niet hebben opgevraagd derwijze dat het beschikbaar gekomen bedrag, zonder tegenbericht van de rekeninghouder op de vervaldag automatisch werd herbelegd; Overwegende dat uit voorgaande gegevens volgt dat de roerende inkomsten voor het jaar 1984 t.b.v. 28 937 frank wel belastbaar zijn; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de voorziening voor wat dit aanslagjaar betreft ongegrond is; 3. Nopens het aanslagjaar 1985 Overwegende dat een aanvankelijke aanslag werd gevestigd op de aangegeven inkomsten onder kohierartikel 6701278 voor een gezamenlijk belastbaar inkomen van 454 096 frank; Overwegende dat aan de eiser op 19 oktober 1988 een bericht van wijziging werd overgemaakt waarbij met verwijzing naar artikel 263, § 1, 3° W.I.B. (oud) aan de eiser werd medegedeeld dat uit het gerechtsdossier ten laste van de gebroeders P. was gebleken dat door hem als belegger belangrijke bedragen werden overhandigd, waarvoor later intresten werden toegekend, dewelke als Belgische roerende inkomsten moesten worden aanzien waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden en dat deze elementen bovendien tekenen en indiciën vormden voor een hogere graad van gegoedheid; dat de roerende inkomsten aldus werden verhoogd met 72 856 frank terwijl de indiciaire afrekening aanleiding gaf tot een vermogenstekort van 935 727 frank; Overwegende dat de eiser liet weten daar niet mede akkoord te gaan en inzonderheid ontkende in 1984 beleggingen te hebben gedaan voor een bedrag van 840 000 frank; dat de betwiste aanslag niettemin werd gevestigd zoals was aangekondigd; Overwegende dat de eiser bezwaar indiende; dat hij geenszins akkoord ging met de beweerde beleggingen op rekening 1181 t.b.v. 700 000 frank en tevens aanvoerde dat de kosten van levensonderhoud op geen enkele wijze gestaafd waren, te meer daar hij bij zijn ouders inwoonde; Overwegende dat de directoriale beslissing een ontheffing verleende voor wat de intresten t.b.v. 72 856 frank betreft gelet op artikel 220bis W.I.B. (oud), doch bet bezwaar met betrekking tot de indiciaire afrekening afwees; Overwegende dat door de eiser een voorziening werd ingediend; dat hij zijn argumentatie met betrekking tot de rekening 1181 gestand hield en ondergeschikt de kosten van levensonderhoud betwistte; Overwegende dat de fiscus thans akkoord gaat dat de kosten van levensonderhoud zonder enige motivering werden vastgesteld op 260 000 frank per jaar, dat een dergelijke ongemotiveerde raming als willekeurig moet worden aanzien en in elk geval geen indicie kan opleveren in de zin van artikel 247 W.I.B. (oud); dat de indicie een vaststaand gegeven is dat als basis dient voor het wettelijk vermoeden voorzien door artikel 247 W.I.B. (oud); dat een indicie die slechts op een niet nader gepreciseerd vermoeden steunt niet als basis kan gelden om er een ander vermoeden op te steunen; dat de eiser derhalve terecht opwerpt dat artikel 247 W.I.B. (oud) werd geschonden; Overwegende dat de aanslag dan ook dient vernietigd te worden zonder acht te slaan op de overige door de eisers ingeroepen middelen die niet tot een meerdere nietigheid kunnen leiden; 4. Nopens het aanslagjaar 1986 Overwegende dat een aanvankelijke aanslag werd gevestigd op de aangegeven inkomsten onder kohierartikel 6724175 voor een gezamenlijk belastbaar inkomen van 202 359 frank; Overwegende dat aan de eiser op 19 oktober 1988 een bericht van wijziging werd overgemaakt waarbij hem werd medegedeeld dat uit het gerechtsdossier ten laste van de gebroeders P. was gebleken dat door hem als belegger belangrijke bedragen werden overhandigd, waarvoor later intresten werden toegekend, dewelke als Belgische roerende inkomsten moesten worden aanzien waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden en dat deze elementen bovendien tekenen en indiciën vormden voor een hogere graad van gegoedheid; dat de roerende inkomsten aldus werden verhoogd met 222 127 frank terwijl de indiciaire aftrekking aanleiding gaf tot een vermogenstekort van 616 656 frank; Overwegende dat de eiser liet weten daar niet mede akkoord te gaan en inzonderheid ontkende in 1985 beleggingen te hebben gedaan voor een bedrag van 1 050 000 frank; dat de betwiste aanslag niettemin werd gevestigd zoals was aangekondigd; Overwegende dat de eiser bezwaar indiende; dat hij geenszins akkoord ging met de beweerde beleggingen op rekening 1181 t.b.v. 850 000 frank; Overwegende dat de directoriale beslissing een ontheffing verleende voor wat de intresten t.b.v. 222 127 frank betreft gelet op artikel 220 W.I.B. (oud), doch het bezwaar met betrekking tot de indiciaire afrekening afwees; Overwegende dat door de eiser een voorziening werd ingediend; dat hij zijn argumentatie met betrekking tot de rekening 1181 gestand hield en ondergeschikt de kosten van levensonderhoud betwistte; Overwegende dat door de eiser nog steeds wordt aangevoerd dat de administratie het bewijs niet levert dat de beleggingen vermeld op listing 1181 aan hem toebehoren; dat volgens deze listing door de eiser in 1985 een bedrag van 850 000 frank zou zijn gestort op voormelde rekening; Overwegende dat uit de voorhanden zijnde gegevens hoe dan ook is gebleken dat voormelde rekening onder code 1181 staat op naam van D.G. (huidige eiser) en V.D., wonende F.-laan te Gent; dat dit laatste adres het adres van laatstgenoemde betreft; Overwegende dat uit het arrest van het hof van beroep van 22 januari 1992 verder is gebleken dat de gebroeders P. werden veroordeeld wegens misbruik van vertrouwen ten nadele van eiser en V.D. voor een bedrag van 655 643 frank; Overwegende dat het dan ook arbitrair is de beleggingen alleen in aanmerking te nemen in hoofde van de eiser, terwijl de rekening 1181 op naam van beide personen bestaat; Overwegende dat het P.V. van 20 mei 1987 opgemaakt door D.R. (stuk nr. 41/23) aan voorgaande vaststelling geen afbreuk doet, nu de eiser niet alleen tot op heden heeft volgehouden nooit dergelijke verklaring te hebben afgelegd, hetgeen wordt bevestigd door opsteller D.D. op 25 november 1992 (stuk 20/2); Overwegende dat de stand van de rekening 1181 m.b.t. 655 643 frank slechts een momentopname is op 4 september 1986 doch geen duidelijkheid verschaft van de beleggingen die werden verricht in 1985, daar de rekening op naam staat van twee verschillende personen; Overwegende dat het beweerdelijk gestort bedrag van 850 000 frank op de rekening 1881 geen indicie kan opleveren in de zin van artikel 247 W.I.B. (oud); dat dit geenszins en vaststaand gegeven is dat kan dienen als basis van het wettelijk vermoeden zoals bepaald door artikel 247 W.I.B. (oud); Overwegende dat in de gegeven omstandigheden de aanslag artikel 247 W.I.B. (oud) schendt, zodat deze moet worden vernietigd, zonder acht te slaan op de overige door de eiser ingeroepen middelen die niet tot een meerdere nietigheid kunnen leiden. Op die gronden, Het Hof, Gelet op het artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Antoine De Meue en de partijen in hun middelen en conclusies. Ontvangt de voorziening en erover beslissend: Wijst de voorziening af als ongegrond voor wat het aanslagjaar 1984 aangaat. Verklaart ze evenwel gegrond voor de aanslagjaren 1983, 1985 en 1986. Doet derhalve de bestreden aanslagen teniet en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds erop geïnde, meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging. Veroordeelt de eiser en de Belgische Staat ieder in de helft van de kosten voor het geheel begroot op 304 frank. |
|||||||