We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.

Arrêt de la Cour de Cassation dd. 14.02.2008

Date :
14-02-2008
Language :
French Dutch
Size :
4 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Précompte immobilier,Matériel et outillage,Immeuble par destination

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour de Cassation dd. 14.02.2008
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 14.02.2008
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 14.02.2008
Tax year : 0
Document date : 14/02/2008
Document language : FR
Modification date : 02/10/2008 14:30:00
Name : C 08/1
Version : 1
Court : cassation

ARRET C 08/1


Arrêt de la Cour de Cassation dd. 14.02.2008



Jugement attaqué : Cour d'appel de Gand dd. 14.12.2004

Le Courrier Fiscal 2008/456

Précompte immobilier - Matériel et outillage - Immeuble par destination

    Une entreprise portuaire utilise différentes grues roulantes pour charger et décharger des navires.

    L'entreprise portuaire conteste que les grues roulantes soient des immeubles par nature. D'après la contribuable, les grues roulantes sont des biens meubles vu qu'elles peuvent être déplacées sur des rails et ne sont pas attachées au sol (en l'espèce le quai du port) de manière 'durable et habituelle'.

    Conformément à l'art. 471, § 1er C.I.R./92, Il est établi un revenu cadastral pour tous les biens immobiliers bâtis ou non bâtis, ainsi que pour le matériel et l'outillage présentant le caractère d'immeuble par nature ou d'immeuble par destination.

    La loi fiscale ne précise pas ce qu'il faut entendre par 'matériel et outillage présentant le caractère d'immeuble par nature'. Le terme 'par nature' (ou 'par leur/sa nature') doit donc être compris d'après sa signification en droit commun.

    Conformément à l'art. 518 C.civ., les fonds de terre et les bâtiments sont immeubles par leur nature. Doivent y être assimilés les choses qui sont fixées ou liées aux fonds de terre ou aux bâtiments de manière durable et stable.

    Les grues roulantes sont des immeubles par nature sur la base des constatations de fait.

    Les mouvements fonctionnels limités d'une chose qui reste durablement au même endroit, en l'espèce un quai, et est de ce fait liée au sol, n'ôte pas à cette chose sa nature de bien immeuble.



Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.05.0022.N

Z.B., naamloze vennootschap, met zetel te …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. J.-M.N.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, waar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Voorzitter I.V. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D.T. heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

  • artikel 360, §1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (1964), zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 26 februari 1964 (hierna: WIB (1964), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1990 en 1991, en artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna: WIB (1992), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1992, 1993 en 1994;
  • de artikelen 518 en 528 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep verklaart de voorziening van de eiseres ontvankelijk doch verklaart ze ongegrond, op grond van de volgende redenen:

"(...) Dat onroerend goed uit hun aard zijn: gronderven, alsmede de gebouwen waarmee moeten worden gelijkgesteld de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk ermee verbonden zijn of erin vastzitten (artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek; vergelijk niet Cass., 15 september 1988, Pas. 1989, 1, nr. 30 p. 52).

(...) Dat het rolkranen betreft gebruikt voor het lossen en laden van schepen; dat deze rolkranen geplaatst zijn op sporen of rails gelegen op de kaai, dat deze rolkranen grote afmetingen hebben (zie omtrent dit alles het inleidend verzoekschrift p. 3; zie ook de foto's in het administratief dossier - cijfer 24 van stuk 26); dat de eiseres toelicht de ene maal dat deze rolkranen zich op de sporen voortbewegen door middel van een locomotief (volgens het inleidend verzoekschrift p. 3), de ander maal dat zij zich op eigen kracht voortbewegen door elektrische voortstuwing (zie de conclusie van de eiseres neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 4 juni 2003, p. 4 en 5).

(...) Dat de rolkranen verbonden zijn met de grond doordat zij met groot gewicht (zie hun omvang) rusten op de sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond (zie de aangehaalde foto's); dat deze kranen in hun zijdelingse verplaatsingen, nodig voor hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op deze sporen, gelegen op de kaai, blijven.

(...) Dat zulks inhoudt dat uit hun aard dergelijke rolkranen bedoeld zijn om ter plaatse op de kaai te blijven en zich slechts op die plaats beperkt zijdelings te verplaatsen voor de noden van hun functie.

(...) Dat aldus vaststaat dat de rolkranen voorwerpen zijn die duurzaam en gewoonlijk verbonden zijn met de grond en te beschouwen zijn als onroerend uit hun aard".

Grieven

Overeenkomstig artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) (voorheen artikel 360, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964)) wordt er een kadastraal inkomen vastgesteld voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming. Bij gebreke aan een definiëring in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen moeten deze begrippen beschouwd worden in hun gebruikelijke, naar gemeen recht geldende, betekenis.

Overeenkomstig artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn gronderven en gebouwen onroerend uit hun aard.

Met gebouwen worden gelijkgesteld de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de grond verbonden zijn of erin vastzitten, alsmede goederen die steun vinden in, aan of op de grond ten behoeve van de stabiliteit, en die bedoeld zijn om gedurende een zekere periode ter plaatse te blijven staan. Met deze laatste vereiste wordt bedoeld dat het goed onbeweeglijk stilstaat, niettegenstaande een eventuele theoretische of potentiële verplaatsbaarheid.

Zaken die uit hun aard verplaatsbaar zijn, zowel die welke zichzelf bewegen, zoals dieren, als die welke slechts kunnen veranderen door de werking van een vreemde kracht, zoals levenloze dingen, zijn immers roerend uit hun aard overeenkomstig artikel 528 van het Burgerlijk Wetboek.

Te dezen lieten de eisers in conclusie gelden dat de hefkranen op sporen niet onbeweeglijk op dezelfde plaats staan, nu het essentieel voor hun werking is dat zij zich tijdens het laden en lossen van de schepen voortbewegen, en dat de verplaatsing van een hefkraan op sporen essentieel, effectief en regelmatig is en zelfs kan gebeuren over verschillende kadastrale percelen of eigendommen.

In antwoord op dit verweer stellen de appelrechters vast dat de rolkranen geplaatst zijn op sporen of rails gelegen op de kaai en dat deze rolkranen grote afmetingen hebben, dat "de rolkranen verbonden zijn met de grond doordat zij met groot gewicht (..) rusten op sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond" en dat "dat deze kranen in hun zijdelingse verplaatsingen, nodig voor hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op deze sporen, gelegen op de kaai, blijven".

Op grond van deze feitelijke vaststellingen, waaruit blijkt dat de rolkranen niet onbeweeglijk stilstaan maar zich verplaatsen voor hun functie van laden en lossen van schepen, zij het dan op sporen gelegen op havenkaaien, kon het hof van beroep niet zonder schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen oordelen dat de bedoelde rolkranen goederen zijn welke onroerend zijn uit hun aard.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Overeenkomstig artikel 360, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) en artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), wordt een kadastraal inkomen vastgesteld voor alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming.

Daar de wet niet preciseert wat onder materieel en outillage die onroerend zijn van nature moet worden verstaan, moet de term "van nature" of "uit hun aard" begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht.

2. Krachtens artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn gronderven en gebouwen onroerend uit hun aard.

Hiermede moeten gelijkgesteld worden de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de gronderven en gebouwen verbonden zijn of erin vastzitten.

De beperkte functionele bewegingen van een voorwerp dat duurzaam op een bepaalde plaats blijft, te dezen een kaai, en aldaar verbonden is met de grond, ontnemen aan dat voorwerp niet zijn aard van onroerend goed.

3. Het arrest stelt vast:

  • het betreft rolkranen die gebruikt worden voor het lossen en laden van schepen;
  • de rolkranen zijn geplaatst op sporen of rails gelegen op de kaai en hebben grote afmetingen;
  • de rolkranen bewegen zich op de sporen voort door een locomotief of op eigen kracht door elektrische voortstuwing;
  • de rolkranen zijn verbonden met de grond doordat zij met groot gewicht, gelet op hun omvang, rusten op de sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond;
  • de kranen blijven in hun zijdelingse verplaatsingen nodig om hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op de sporen gelegen op de kaai.

Op grond hiervan oordeelt het arrest dat uit hun aard dergelijke rolkranen bedoeld zijn om ter plaatse op de kaai te blijven en zich slechts op die plaats beperkt zijdelings te verplaatsen voor de noden van hun functie.
Door vervolgens te oordelen dat de rolkranen voorwerpen zijn die duurzaam en gewoonlijk verbonden zijn met de grond en te beschouwen zijn als onroerend door hun aard, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en schenden zij de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet.

4. Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 159,61 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter I.V., als voorzitter, afdelingsvoorzitter E.F., en de raadsheren L.H., P.M. en E.D., en in openbare terechtzitting van 14 februari 2008 uitgesproken door voorzitter I.V., in aanwezigheid van advocaat-generaal D.T., met bijstand van adjunct-griffier J.P..