Arrêt de la Cour de Cassation dd. 15.09.2000
Summary :
Droit civil,Droit des obligations,Paiement indu,Restitution de précomptes professionnels,Intérêts
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||
|
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 15.09.2000
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 15.09.2000 Tax year : 2005 Document date : 15/09/2000 Document language : FR Name : C 00/3 Version : 1 Court : cassation
ARRET C 00/3 Arrêt de la Cour de Cassation dd. 15.09.2000 FJF 2000/242 Droit civil - Droit des obligations - Paiement indu - Restitution de précomptes professionnels - Intérêts En vertu de l'article 170 de la Constitution et de l'article 211, 2º du CIR, l'Etat belge doit être condamné à restituer les précomptes qu'il a perçus et qui ne peuvent s'imputer sur aucun impôt. La Cour d'appel, qui constate que des sommes versées au titre de précompte professionnel ne peuvent plus être imputées (par absence d'enrôlement de l'impôt) et que l'Etat retient ces sommes de manière indue, peut accorder des intérêts sur la base du principe du payement indu. Voorzitter : M. Verougstraete Afdelingsvoorzitter : M. Boes Raadsheren : M. Londers, M. Dirix, M. Matray Advocaat-generaal met opdracht : Mr. Thijs Advocaten : Mr. Marck de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën; tegen M.H., J.D.R., N.D.R. Het Hof, Gehoord het verslag van voorzitter Verougstraete en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne; Gelet op het bestreden arrest, op 27 januari 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen; Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 278, 279, 308 en 309 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1988 (hierna afgekort W.I.B.) en voor zover als nodig van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna afgekort W.I.B. 1992), doordat, het bestreden arrest na vastgesteld te hebben dat geen inkohiering heeft plaatsgevonden en na beslist te hebben dat de vordering van verweerders tot terugbetaling van de niet verschuldigde bedrijfsvoorheffing gegrond is, de toekenning van verwijlinteresten toetst aan artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) en op grond van die wetsbepaling verwijlinteresten, bepaald tegen de wettelijke rentevoet, toekent vanaf 2 april 1994 gelet op het feit dat eiser vanaf de ontvangst van het verzoekschrift tot voorziening wist of behoorde te weten dat hij de bedrijfsvoorheffing over het aanslagjaar 1988 aan de rechtsvoorganger van verweerders diende terug te betalen en geen grond had om die teruggave uit te stellen of te weigeren, dat bijgevolg het in die omstandigheden inhouden van niet geldig ontvangen bedrijfsvoorheffing en de volgehouden weigering terug te betalen van wat hij onverschuldigd onder zich hield, eisers kwade trouw uitmaakt zoals bepaald in artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl, bij terugbetaling van inkomstenbelastingen en voorheffingen de toekenning van interesten, zowel wat de toekenningsvoorwaarden als wat het bedrag ervan betreft, uitdrukkelijk en specifiek geregeld wordt door de artikelen 308 en 309 W.I.B. (artikelen 418 en 419 W.I.B. 1992), met uitsluiting van elke andere wetsbepaling, zodat het hof van beroep, zetelend in fiscale zaken, dat wil zeggen in het kader van de artikelen 278 en 279 W.I.B., niet gerechtigd is de vraag tot toekenning van verwijlinteresten te toetsen aan enigerlei gemeenrechtelijke wetsbepaling op grond waarvan interesten kunnen worden bedongen, zodat het hof van beroep door de vraag tot toekenning van interesten op grond van artikel 1378 B.W. te onderzoeken zijn bevoegdheid zoals begrensd door de artikelen 278 en 279 W.I.B. te buiten is gegaan en dienvolgens beide laatstvermelde wetsbepalingen heeft geschonden en door met ingang van 2 april 1994 zijnde de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot voorziening in beroep op grond van artikel 1378 B.W. verwijlinteresten tegen de wettelijke interestvoet (K.B. van 17 juli 1986 en K.B. van 4 augustus 1996) toe te kennen, het specifieke karakter van de artikelen 308 en 309 W.I.B., die op exclusieve en restrictieve wijze de toekenningen van interesten regelen, heeft miskend en dienvolgens de artikelen 308 en 309 W.I.B. en voor zover als nodig de artikelen 418 en 419 W.I.B. (1992) heeft geschonden : Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat :
Dat het hof van beroep, dat uitspraak doet over de voorziening waarbij rente wordt gevraagd nadat die aanvraag was afgewezen door de directeur, hiervan kennis kan nemen; Dat het hof van beroep, wanneer het vaststelt dat de gestorte bedragen als bedrijfsvoorheffing niet meer verrekend kunnen worden en dat de Staat de bedragen onverschuldigd inhoudt, op grond van het beginsel van de onverschuldigde betaling rente kan toekennen; Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet schendt; Dat het middel niet kan worden aangenomen; Om die redenen, Verwerpt de voorziening; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieduizend zeshonderd en twaalf frank door eiser betaald. |
|||||||||||||