Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011

Date :
01-02-2011
Language :
French Dutch
Size :
10 pages
Section :
Regulation
Type :
Prior agreements L 24.12.2002
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

impôt sur les revenus - cessation d?activité - transfert du capital - avantage anormal ou bénévole - société indépendante - frais de restructuration - établissement stable - convention préventive de

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011
Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Prior agreements L 24.12.2002
Title : Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011
Document date : 01/02/2011
Publication date : 23/09/2011
Keywords : impôt sur les revenus / cessation d’activité / transfert du capital / avantage anormal ou bénévole / société indépendante / frais de restructuration / établissement stable / convention préventive de la double imposition
Document language : FR
Name : Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011
Version : 1

Décision anticipée n° 2010.552 du 01.02.2011

 

Impôt sur les revenus

Cessation d'activité

Transfert du capital

Avantage anormal ou bénévole

Société indépendante

Frais de restructuration

Etablissement stable

Convention préventive de la double imposition

 

Résumé

 

Suite à une réorganisation au sein d'un groupe, une partie des activités est arrêtée en Belgique. Il a été décidé que (i) le transfert du "business" par X satisfait aux conditions réelles comme visées à l'article 185, §2, a), CIR et ne constitue pas un avantage anormal ou bénévole octroyé au sens de l'article 26 CIR 1992 ou un avantage anormal ou bénévole reçu au sens des articles 79 et 207, deuxième alinéa, CIR 1992, (ii) X ne sera pas censée attribuer un avantage anormal ou bénévole au sens de l'article 26 CIR, ni sera censée recevoir un avantage anormal ou bénévole au sens de l'article 79 et 207, deuxième alinéa, CIR 1992 et ne sera pas censée convenir des conditions qui diffèrent de celles qui seraient convenues entre des sociétés indépendantes au sens de l'article 185, §2, a), CIR 1992, si elle refacture à Y les frais de restructuration liés à la décision d'arrêter l'activité en Belgique, à 100 % (sans marge bénéficiaire); et que (iii) Y ne sera pas censée disposer d'un établissement stable au sens de l'article 5 de la convention préventive de la double imposition applicable.

 

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

 

I.        Voorwerp van de aanvraag

 

          De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat :

 

1.              de overdracht van de activiteiten van X onder de voorwaarden zoals hierna beschreven voldoet aan de marktconforme voorwaarden in de zin van artikel 185, §2 a) WIB 1992 en geen verstrekt abnormaal of goedgunstig voordeel verstrekt in de zin van artikel 26 WIB 1992 of een ontvangen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 79 en 207, tweede lid WIB 1992 uitmaakt; en

 

2.              X niet geacht zal worden een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 WIB 1992 toe te kennen, noch geacht zal worden een abnormaal of goedgunstig voordeel te ontvangen in de zin van artikel 79 en 207, tweede lid WIB 1992 en niet geacht zal worden voorwaarden overeen te komen die afwijken van wat overeengekomen zou zijn tussen onafhankelijke vennootschappen in de zin van artikel 185, §2, a) WIB 1992 indien zij de herstructureringskosten die gepaard gaan met de beslissing om de activiteit stop te zetten in België voor 100 % (zonder winstopslag) doorrekent; en

 

3.              Y niet zal geacht worden te beschikken over een vaste inrichting in België in de zin van artikel 5 van het van toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag.

 

II.            O mschrijving van de verrichtingen

 

4.              In de huidige organisatiestructuur zijn er drie verschillende business divisies (A, B en C) binnen de vennootschap X.

 

5.              Met het oog op de implementatie van het nieuw business model werd beslist door de Groep dat Y de centrale managing entiteit zou worden voor business A in Europa en het Midden-Oosten. In de nieuwe distributiestructuur is het niet langer X maar Y die betrokken is bij de transport- en verkoopsactiviteiten van de business divisie A. Y verkoopt aan lokale groepsvennootschappen die optreden als LRD.

 

6.              De LRDs zijn X en Z (die reeds LRD is voor X) maar ook andere lokale LRDs zullen gebruikt worden in de toekomst. De lokale bestaande LRDs voor de business B zouden gebruikt worden als lokale LRDs voor de business A. Y zou overeenkomsten sluiten met elke van deze LRDs om hun rechten en verplichtingen ten opzichte van elkaar in hun verhouding als leverancier en distributeur duidelijk te maken. De LRDs (met inbegrip van X) zouden hun producten van Y kopen en verkopen aan hun klanten in hun eigen naam en voor eigen rekening. Zij zouden verantwoordelijk zijn voor de distributie van de producten in de regio's die hen worden aangewezen door Y en zoals duidelijk gemaakt in de respectievelijke distributieovereenkomst. X zal enkel verantwoordelijk zijn voor de Belgische en Luxemburgse markt.

 

7.              Om de hierboven vermelde reorganisatie te bewerkstelligen werd een raamovereenkomst ondertekend.

 

8.              De partijen zijn in het verleden overeengekomen dat Y een zakelijke vergoeding zou betalen aan X voor de overgedragen activiteiten en dat de prijs zou bepaald worden van zodra de waarde ervan redelijkerwijze kon vastgesteld worden. In dit verband werd een addendum ondertekend en toegevoegd aan de raamovereenkomst. Op het ogenblik van de overdracht konden de partijen onmogelijk een zakelijke vergoeding bepalen. Het winst/verlies potentieel van de activiteiten was immers erg onzeker. X heeft sinds 2007 substantiële verliezen opgestapeld in haar functie van centrale managing entiteit voor business A van de Groep in Europa en het Midden Oosten. Omwille van macro-economische factoren was het toekomstige budget erg onzeker. Er waren geen accurate resultaatsprognoses beschikbaar. Bovendien heeft deze specifieke business betrekking op producten met hoge prijzen en er zijn vele concurrenten bijgekomen op de markt met vergelijkbare producten tegen lagere prijzen. De combinatie van deze factoren leidt tot onzekerheid. Het was bijzonder moeilijk om te voorspellen of, wanneer en in welke mate de business winstgevend zou zijn in de toekomst. Er waren meer in het bijzonder twee belangrijke redenen waarom de centrale functie van entrepreneur in de A business werd overgedragen aan Y. Ten eerste is dit in lijn met de algemene implementatie van het nieuwe business model waarbij Y de rol van entrepreneur zal overnemen voor de momenteel bestaande business lijnen in Europa. Daarnaast vereist de A business een entrepreneur met een substantiële financiële capaciteit om de risico's te dragen die verbonden zijn aan deze business. Daarom werd geoordeeld dat de centrale management entiteit voor deze business "diepere zakken" moet hebben om de financiële risico's aan te kunnen.

 

          A1 business

 

9.              Eind 2009 is de Groep evenwel begonnen met onderhandelingen met een niet verbonden partij voor een samenwerking (onder de vorm van een joint venture) voor een deel van de A business. Dit deel van de A business (A1) is het grootste deel van de A business die werd overgedragen van X aan Y. De andere divisie is de A2 business en is aanzienlijk kleiner. Na een aantal maanden van onderhandelingen werd het volgende overeengekomen tussen de groep en de niet verbonden partij:

 

10.          De A1 business zal ingebracht worden door Y in een buitenlandse vennootschap van de  Groep in ruil voor aandelen. De niet-verbonden derde partij zal 51% van de aandelen in de buitenlandse vennootschap verwerven en hiervoor een prijs betalen.

 

11.          Aangezien de Groep nu beschikt over een prijs met een derde partij voor de A 1 business, hebben Y en X beslist om deze prijs te gebruiken als aanwijzing bij het bepalen van een zakelijke vergoeding voor de overdracht van de A1 business.

 

12.          De prijs tussen de Groep en de niet-verbonden partij is bepaald op basis van de geleden verliezen door de A1 business gedurende de boekjaren 2006, 2007 en 2008. De waardering is dus gebaseerd op het feit dat beide partijen zijn overeengekomen om de verliezen gedurende de eerste 3 jaren van de activiteiten te delen.

 

          A2 business

 

13.          In vergelijking met de A1 business is de A2 business aanzienlijk kleiner. Ook hier kan de overdracht van de business geanalyseerd worden als de overdracht van een ongoing concern. Bij afwezigheid van enige materiële activa en geregistreerde immateriële activa, is het enige actief dat wordt overgedragen goodwill, d.i. het winst/verlies potentieel.

 

14.          Omwille van dezelfde redenen als hierboven vermeld, is het winst/verlies potentieel van de A2 business erg onzeker in het voorliggende geval. X heeft sinds 2007 immers verliezen opgestapeld in haar functie van centrale managing entiteit voor de A2 business van de Groep in Europa en het Midden-Oosten. De hoofdredenen voor deze verliezen zijn (i) het feit dat de business af te rekenen heeft met dure producten, (ii) het feit dat vele concurrenten op de markt zijn gekomen met gelijkaardige producten aan lagere prijzen en (iii) de huidige economische teruggang als gevolg waarvan de business te kampen heeft met een terugval in de vraag. De combinatie van deze factoren heeft aanleiding tot onzekerheid. Het is zeer moeilijk om te voorspellen of, wanneer en in welke mate de business winstgevend zal zijn in de toekomst. Het is zelfs mogelijk dat de Groep binnen 2 jaar zou beslissen om de business stop te zetten.

 

15.          Gelet op de onmogelijkheid om de toekomstige winsten (als die er al zouden zijn) in te schatten en op basis daarvan de goodwill te waarderen, zou de waarde van de A2 business bepaald kunnen worden aan de hand van dezelfde leidraad die gehanteerd werd door de derde partij bij de besprekingen over de waarde van de A1 business. Partijen kwamen daarbij overeen om de verliezen gedurende de eerste 3 jaren van de activiteiten (2006, 2007 en 2008) te delen. Op basis van deze benadering zal de waarde van de A2 business vastgesteld worden. X zal dit zo snel mogelijk factureren aan Y.

 

III.     Motivering

 

III.A. Overdracht van business van X naar Y

 

III.A.1. algemeen

 

16.          Om te beoordelen of de hierboven vermelde herstructurering en meer in het bijzonder de overdracht van de A business van X naar Y kan beschouwd worden plaats te vinden onder marktconforme voorwaarden en om te bepalen of er al dan niet een vergoeding zou moeten betaald worden voor deze reorganisatie kan inspiratie gevonden worden in de OESO Transfer Pricing Guidelines en in de OESO Discussion Draft on the Transfer Pricing Aspects of Business Restructuring. In het voorliggende geval kunnen meer bepaald de hoofdstukken B. Reallocation of profit/loss potential as a result of a business restructuring, B.2 Compensation as a result of a business restructuring, en C.2 Transfer of intangible assets van belang zijn.

 

17.          B. Reallocation of profit/loss potential as a result of a business restructuring


(62.) "Transfer of functions, assets and/or risks in the context of business restructurings are typically accompanied by a reallocation of the profit/loss potential amongst the members of a multinational group.


(64).The profit/loss potential is not an asset, but a potential which is carried by some rights or other assets. The at arm's length principle does not require compensation for loss of profit/loss potential per se. The question arises whether there are rights or other assets transferred that carry profit/loss potential and should be remunerated at arm's length. Here, profit/loss potential should not be interpreted as simply the profits/losses that would occur if the pre-restructuring arrangement were to continue indefinitely. On the one hand, if an entity has no discernable rights and/or assets at the time of the restructuring, then it has no compensable profit potential. On the other hand, an entity with considerable rights and/or other assets at the time of the restructuring may have considerable profit potential, which must ultimately be appropriately remunerated in order to justify the sacrifice of such potential profit. (65). To make a valuation of a transfer of rights or other assets, this can be done by way of an examination of the transferred profit/loss potential associated with those rights or other assets. From a transfer pricing perspective, the determination of the arm's length remuneration for a change in the allocation of the profit/loss potential that follows from the reallocation of risks should take account of (…) whether compensation by the transferee to the transferor for the associated transfer of profit/loss potential would be agreed between independent parties at arm's length, taking account of the other options realistically available to the parties, and of the future profit/loss expectations in relation to the risk at hand. Accounting standards for evaluating risks can prove very helpful in that respect."

 

18.          B.2 Compensation as a result of a business restructuring


66. Where there is a transfer of profit/loss potential that follows from a business restructuring, the question arises of whether that transfer is an arm's length transaction from the perspectives of both the transferor and the transferee and in particular whether (and if so how) it should be compensated. The answer will obviously depend on a number of factors, including but not limited to:

 

          The options that would have been realistically available to the transferor and transferee at arm's length, based on the rights and other assets of each at the outset of the restructuring, that determine the profit/loss potential of either;

 

          Compensation that might be required to appropriately remunerate the transferor's surrender of profit potential, in cases where the transferor has transferred or surrendered rights or other assets that carry that profit potential.

 

          (69.) The response depends on the historical results of the distribution activity of the transferor, the historical volatility of such results, and the future profit/loss expectations of the transferor and transferee in relation to the risk at hand.

 

19.          C.2. Transfer of intangible assets,

 

          (78.) Transfer of intangible assets raise difficult questions both as to the identification of the assets transferred and as to their valuation. (…). An essential part of the analysis of a business restructuring is to identify what intangible assets if any were owned by the restructured entity, what intangible assets if any were actually transferred, and what their value is.

 

          (87) Difficulties can arise in the context of business restructuring where an intangible is disposed of at a point in time when it does not yet have an established value (e.g. pre-exploitation), especially where there is a significant gap between the level of expected future profits that was taken into account in the valuation made at the time of the sale transaction and the actual profits derived by the transferee from the exploitation of the intangibles thus acquired. This raises the question of whether the valuation at the time of the transfer was an arm's length valuation that was arrived at in good faith on the basis of information reasonably available at that time. (..)

 

20.          C.3. Transfer of activity (ongoing concern)

 

          93. Business restructurings sometimes involve the transfer of an ongoing concern, i.e. of an activity. The transfer of an activity in this context means the transfer of the total bundle of assets (possibly including contractual rights, workforce in place, goodwill, etc.) and liabilities associated with performing particular functions, including the inherent risks. The determination of the arm's length valuation for a transfer of ongoing concern does not necessarily amount to the sum of the valuations of isolated elements that are part of the transfer. In effect, transfers of ongoing concerns between independent parties often take account of any possible "goodwill", i.e. of the profit/loss potential (if any) of the activity transferred, from the perspective of both the transferor and the transferee. Valuation methods that are used in acquisition deals between independent parties may prove useful to value a transfer of activity, including goodwill, between associated enterprises.

 

21.          In het voorliggende geval moet een onderscheid gemaakt worden tussen de overdracht van de A1 business en de A2 business.

 

III.A.2. A1 BUSINESS

 

22.          De overdracht van de A1 business van X naar Y kan geanalyseerd worden als een overdracht van een ongoing business. In het voorliggende geval worden evenwel geen materiële activa, noch enige geregistreerde immateriële activa zoals merken, handelsmerken of patenten overgedragen. Het enig actief dat wordt overgedragen is goodwill, d.i. het winst/verlies potentieel van de activiteit.

 

23.          Op het ogenblik van de overdracht van de business konden de partijen op basis van de informatie die op dat ogenblik redelijkerwijze beschikbaar was geen zakelijke vergoeding bepalen voor de business. Het toekomstige budget was (en is nog steeds) onzeker. Ook hier is geen accurate interne resultaatsprognose beschikbaar.

 

24.          Aangezien de partijen niet in staat waren om een zakelijke vergoeding te bepalen voor de business werd beslist dat de prijs zou overeengekomen worden van zodra de waarde redelijkerwijze kon bepaald worden. Pas wanneer onderhandelingen gevoerd werden met een niet-verbonden partij eind 2009 werd duidelijk wat een derde partij zou willen betalen voor de business.

 

25.          De enige aanwijzing die de  Groep heeft met betrekking tot de waarde van de A1 business is de prijs die een niet-verbonden partij bereid is te betalen voor een 51% aandeel in de business.

 

26.          Overeenkomstig de OESO Transfer Pricing Guidelines vergelijkt de CUP-methode de prijs die aangerekend wordt voor goederen of diensten die overgedragen worden in een gecontroleerde transactie met de prijs die aangerekend wordt voor goederen of diensten die overgedragen worden in een vergelijkbare ongecontroleerde transactie onder vergelijkbare omstandigheden.

 

27.          Een ongecontroleerde transactie is vergelijkbaar met een gecontroleerde transactie voor doeleinden van de CUP-methode als één van de twee voorwaarden voldaan is: 1. de verschillen (indien aanwezig) tussen de transacties die vergeleken worden of tussen de ondernemingen die deze transacties verrichten kunnen de prijs in een open markt niet materieel beïnvloeden; of 2. er kunnen redelijk accurate wijzigingen aangebracht worden om de materiële effecten van die verschillen uit te sluiten. Wanneer vergelijkbare ongecontroleerde transacties beschikbaar zijn, is de CUP-methode de meest directe en meest betrouwbare manier om het arm's lenght principe toe te passen. Bijgevolg is de CUP-methode de meest gepaste methode in vergelijking met andere methodes.

 

28.          De aanvrager meent dat de derde partij prijs die overeengekomen werd in maart 2010 inderdaad gebruikt kan worden als een CUP in het voorliggende geval en de meest directe en betrouwbare manier is om een zakelijke vergoeding te bepalen voor de overdracht van de business van X aan Y in september 2009. De gecontroleerde transactie tussen X en Y en de ongecontroleerde transactie tussen Y en de niet-verbonden partij zijn vergelijkbaar en er dienen geen wijzigingen aangebracht te worden behalve het extrapoleren van de prijs overeengekomen voor 51% van de business om de zakelijke vergoeding voor 100% van de business te bepalen en het in rekening brengen van de overgedragen voorraad en het minimumkapitaal van de Buitenlandse joint venture vennootschap.

 

III.A.3. A2 BUSINESS

 

29.          In vergelijking met de A1 business is de A2 business aanzienlijk kleiner. Ook hier kan de overdracht van de business geanalyseerd worden als de overdracht van een ongoing concern. Bij afwezigheid van enige materiële activa en geregistreerde immateriële activa, is het enige actief dat wordt overgedragen goodwill, d.i. het winst/verlies potentieel.

 

30.          Omwille van dezelfde redenen als hierboven vermeld, is het winst/verlies potentieel van de A2 business erg onzeker in het voorliggende geval. X heeft sinds 2007 immers verliezen opgestapeld in haar functie van centrale managing entiteit voor de A2 business van de Groep in Europa en het Midden-Oosten. De hoofdredenen voor deze verliezen zijn (i) het feit dat de business af te rekenen heeft met dure producten, (ii) het feit dat vele concurrenten op de markt zijn gekomen met gelijkaardige producten aan lagere prijzen en (iii) de huidige economische teruggang als gevolg waarvan de business te kampen heeft met een terugval in de vraag. De combinatie van deze factoren heeft aanleiding tot onzekerheid. Het is zeer moeilijk om te voorspellen of, wanneer en in welke mate de business winstgevend zal zijn in de toekomst. Het is zelfs mogelijk dat de Groep binnen 2 jaar zou beslissen om de business stop te zetten.

 

31.          Gelet op de onmogelijkheid om de toekomstige winsten (als die er al zouden zijn) in te schatten en op basis daarvan de goodwill te waarderen, zou de waarde van de A2 business bepaald kunnen worden aan de hand van dezelfde leidraad die gehanteerd werd door de derde partij bij de besprekingen over de waarde van de A1 business. Partijen kwamen daarbij overeen om de verliezen gedurende de eerste 3 jaren van de activiteiten (2006, 2007 en 2008) te delen.

 

III.B. Herstructureringskosten

 

32.          De herstructureringskosten van X kwalificeren in se als fiscaal aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB 1992.

 

33.          Onder toepassing van het OESO arm's length principe en artikel 26 WIB 1992, dienen deze uitzonderlijke kosten verbonden aan de Belgische reorganisatie evenwel economisch ten laste worden genomen door de entiteit die voordeel haalt uit de beëindiging van de dienstenovereenkomst. De voordelen van de herstructurering komen toe aan de buitenlandse vennootschap Y die de activiteiten verder zet in Buitenland en die, in combinatie met haar core business, daardoor een -zij het beperkte - winstpotentie verkrijgt.

 

34.          Vermits Y baat heeft bij de beëindiging van de dienstenovereenkomst gelet op het feit dat de diensten voortaan rechtstreeks vanuit het buitenland zullen worden gepresteerd, werd besloten dat Y de kosten van de herstructurering van X zou dragen.

 

III.C. Afwezigheid van een vaste inrichting van Y

 

35.          De vraag of Y geacht kan worden te beschikken over een vaste inrichting ("VI") in België moet beoordeeld worden op basis van de Overeenkomst tussen Buitenland en België tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen op inkomen en kapitaal.

 

36.          Een vaste inrichting kan een "materiële VI" zijn of een "personele VI".

 

37.          Op basis van artikel 5, paragraaf 1 DBV, zal Y geacht worden te beschikken over een "materiële VI" in België als het een vaste bedrijfsinrichting heeft met behulp waarvan haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

 

38.          De volgende voorwaarden moeten voldaan zijn om te beschikken over een vaste inrichting:

 

·                  er moet een bedrijfsinrichting zijn

·                  de bedrijfsinrichting moet vast zijn, en

·                  de onderneming moet haar activiteiten (of een deel ervan) uitoefenen met behulp van de vaste bedrijfsinrichting.

 

39.          Y kan niet geacht worden te beschikken over een vaste inrichting met behulp waarvan zij (geheel of gedeeltelijk) haar activiteiten in België uitoefent. Daarom zal Y niet beschikken over een materiële VI in België.

 

40.          Een personele VI wordt bepaald op basis van artikel 5, paragraaf 5 en 6 DBV. "Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop § 6 van toepassing is - voor een onderneming werkzaam is en in een overeenkomstsluitende Staat een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van de §§ 1 en 2, geacht een vaste inrichting in die Staat te hebben voor alle werkzaamheden welke deze persoon voor de onderneming verricht tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot die welke zijn vermeld in § 4 en die, indien zij met behulp van een vaste bedrijfsinrichting zouden worden uitgeoefend, het niet mogelijk zouden maken overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf die inrichting als een vaste inrichting te beschouwen.

          Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een overeenkomstsluitende Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, een algemeen commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, op voorwaarde dat deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen."

 

41.          X treedt niet (juridisch of economisch) op als afhankelijke of onafhankelijke vertegenwoordiger van Y. X heeft ook niet de bevoegdheid om contracten te sluiten in naam van Y, noch zal zij dergelijke bevoegdheid gewoonlijk uitoefenen. Daarom kan Y niet geacht worden te beschikken over een personele VI in België.

 

IV.     Beslissing

 

IV.A   Overdracht van business van X naar Y.

 

IV.A.1. BUSINESS (A1)

 

42.          Gelet op het feit dat :

 

42.1.    de overdracht van de A1 business van X naar Y kan geanalyseerd worden als een overdracht van een ongoing business;

 

42.2.    de partijen niet in staat waren om een zakelijke vergoeding te bepalen voor de business op het ogenblik van de overdracht;

 

42.3.    pas wanneer onderhandelingen gevoerd werden met een niet-verbonden partij eind 2009 het duidelijk werd wat een derde partij zou willen betalen voor de business;

 

42.4.    de enige aanwijzing die de Groep heeft met betrekking tot de waarde van de A1 business de prijs is die een niet-verbonden partij bereid is te betalen voor een 51% aandeel in de business,

 

          kan besloten worden dat in het voorliggende geval de aandelenprijs die met een derde partij overeengekomen werd kan gebruikt worden om een zakelijke vergoeding te bepalen voor de overdracht van de business van X aan Y in september 2009.

 

IV.A.2. BUSINESS (A2)

 

43.          Gelet op het feit dat :

 

43.1.    de overdracht van de A2 business van X naar Y kan geanalyseerd worden als een overdracht van een ongoing business;

 

43.2.    het onmogelijk is om de toekomstige winsten (als die er al zouden zijn) in te schatten en op basis daarvan de goodwill te waarderen,

 

          kan de waarde van de A2 business bepaald worden aan de hand van dezelfde leidraad die gehanteerd werd door de derde partij bij de besprekingen over de waarde van de A1 business.

 

IV.B.  Herstructureringskosten

44.          Gelet op het feit dat :

 

44.1.    de herstructureringskosten van X in se kwalificeren als fiscaal aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB 1992;

 

44.2.    onder toepassing van het OESO arm's length principe en artikel 26 WIB 1992, deze uitzonderlijke kosten verbonden aan de Belgische reorganisatie evenwel economisch dienen ten laste genomen te worden door de entiteit die voordeel haalt uit de beëindiging van de dienstenovereenkomst; de voordelen van de herstructurering toekomen aan de buitenlandse vennootschap Y die de activiteiten verder zet in Buitenland en die, in combinatie met haar core business, daardoor een -zij het beperkte - winstpotentie verkrijgt;

 

44.3.    Y baat heeft bij de beëindiging van de dienstenovereenkomst en gelet op het feit dat de diensten voortaan rechtstreeks vanuit het buitenland zullen worden gepresteerd,

 

          dient Y de kosten van de herstructurering te dragen.

 

IV.C.  Afwezigheid van een vaste inrichting van Y

 

45.          Y kan niet geacht worden te beschikken over een vaste inrichting met behulp waarvan zij (geheel of gedeeltelijk) haar activiteiten in België uitoefent.

 

46.          X treedt niet (juridisch of economisch) op als afhankelijke of onafhankelijke vertegenwoordiger van Y. X heeft ook niet de bevoegdheid om contracten te sluiten in naam van Y, noch zal zij dergelijke bevoegdheid gewoonlijk uitoefenen. Daarom kan Y niet geacht worden te beschikken over een personele VI in België.

 

          Gelet op wat voorafgaat beslist het College van de DVB in zitting van 01 februari 2011 dat :

 

47.          de overdracht van de business door X onder de voorwaarden zoals hierboven vermeld, voldoet aan de zakelijke voorwaarden zoals bedoeld in artikel 185, §2 a) WIB en geen verstrekt abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaakt in de zin van artikel 26 WIB 1992, of een ontvangen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 79 en 207, tweede lid WIB 1992;

 

48.          onder toepassing van het OESO arm's length principe en artikel 26 WIB 1992, de herstructureringskosten verbonden aan de Belgische reorganisatie economisch dienen ten laste genomen te worden door Y en bijgevolg dienen de herstructureringskosten doorgerekend te worden aan Y (zonder winstmarge);

 

49.          Y niet geacht kan worden te beschikken over een vaste inrichting met behulp waarvan zij (geheel of gedeeltelijk) haar activiteiten in België uitoefent, noch kan geacht worden te beschikken over een personele VI in België;

 

50.          de onderhavige beslissing wordt, voor wat betreft het vermelde in randnummer 49, getroffen voor een periode van 5 opeenvolgende boekjaren beginnende met het boekjaar dat aanvangt op 1.1.2009. Deze beslissing kan desgewenst worden verlengd of worden geamendeerd voor zover te gelegener tijd - bij voorkeur 3 maand voor het verstrijken van de onderhavige periode - een nieuwe aanvraag bij de DVB wordt ingediend;

 

51.          deze beslissing slechts geldig is voor zover noch de activiteiten van X, noch de omstandigheden waarin zij worden uitgeoefend betekenisvol wijzingen.