Décision anticipée n° 2014.085 du 15.04.2014
Summary :
Assurance-vie branches 21 et 23 - Communauté - Prédéces conjoint bénéficiaire - Compte de récompence
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Décision anticipée n° 2014.085 du 15.04.2014
Document
Search in text:
Properties
Document type : Prior agreements L 24.12.2002 Title : Décision anticipée n° 2014.085 du 15.04.2014 Document date : 15/04/2014 Keywords : actif imposable / assimilation à un legs / stipulation pour autrui / assurance sur la vie / assurance-vie / régime matrimonial Document language : FR Name : Décision anticipée n° 2014.085 du 15.04.2014 Version : 1
Décision anticipée n° 2014.085 du 15.04.2014 Droits de succession Assurance-vie branches 21 et 23 Communauté Prédéces conjoint bénéficiaire Compte de récompences
Résumé Monsieur X et Madame Y sont mariés sous le régime de la communauté des biens. Durant le mariage, Monsieur X souscrit, en tant que preneur d'assurance, un certain nombre d'assurances-vie. Des primes sont payées avec l'argent commun. Monsieur X est l'assuré (la tête assurée) et Madame Y est l'unique bénéficiaire. Lors du prédécès de Madame Y, les assurances-vie sont propres au preneur d'assurances/époux X à condition d'une indemnité à la communauté - égale au montant puisé dans le patrimoine commun pour payer les primes des assurances-vie - afin de pouvoir assembler la masse de la succession de l'épouse bénéficiaire précédée. Vu que les époux ont des enfants en commun, il peut être fait application de l'article 16 du Code des droits de succession.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag 1. Aanvraag naar een voorafgaande beslissing in het kader van de artikelen 1, 8 en 16 W.Succ., inzake het al dan niet verschuldigd zijn van successierechten op de helft van de waarde van de (beleggings)verzekeringen met einddatum, onderschreven door de langstlevende echtgenoot, die tevens verzekerde is (verzekerd hoofd), waarbij de begunstigde, zijnde de echtgenote, vooroverlijdt.
II. Beschrijving van de feiten en van het product II. A. De overledene en de erfgenamen 2. Op datum x overleed mevrouw X. 3. Haar erfgenamen zijn haar echtgenoot, de heer Y, met wie zij gehuwd was onder een stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten ingevolge hun huwelijkscontract verleden voor notaris x op datum x, en hun twee gemeenschappelijke kinderen A en B. II. B. Beschrijving van de feiten 4. In de tijdspanne tussen - en - werden bij - vier levensverzekeringscontracten gesloten met de volgende specificaties: - 5. Voor ieder contract is de verzekeringnemer en de verzekerde de heer Y en is de begunstigde bij leven de verzekeringnemer en bij overlijden mevrouw X of bij gebreke de wettige erfgenamen van de verzekerde.
III. Beslissing III. A. Ontleding van de verzekeringscontracten - verzekeringstechnisch 6. De door de langstlevende echtgenoot afgesloten levensverzekeringen zijn van het type gewone gemengde levensverzekeringen, beter bekend onder de configuratie AAAB. Het kapitaal wordt uitgekeerd op een vooraf vastgesteld tijdstip op voorwaarde dat de verzekerde op dat tijdstip nog in leven is. Indien de verzekerde voordien overleden is, dan wordt het kapitaal aan de begunstigde aangeduide derde uitbetaald of bij gebreke aan de wettige erfgenamen van de verzekerde. Deze verzekeringsvorm wordt meestal gekozen om zowel een ouderdomspensioen (in geval van uitkering bij leven) als een overlevingspensioen (in geval van uitkering bij overlijden) aan te vullen of om een spaar- of beleggingsverrichting te verwezenlijken. 7. In al de levensverzekeringen werd mevrouw X, de vooroverleden echtgenote, als begunstigde in eerste orde aangeduid bij overlijden van het verzekerd hoofd - mijnheer Y - vóór de einddatum van het contract. 8. De wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (afgekort "WLVO") is in deze van toepassing. Artikel 97 WLVO definieert het begrip levensverzekering en luidt als volgt: "Dit hoofdstuk is van toepassing op alle persoonsverzekeringen waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur. Die verzekeringen zijn uitsluitend verzekeringen tot uitkering van een vast bedrag". 9. Uit de wet van 19 juli 2013 tot interpretatie van artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (BS 8 augustus 2013, ed. 2) blijkt dat artikel 97 WLVO voor wat betreft het begrip "levensverzekering" geen onderscheid maakt tussen de zogenaamde tak 21 en tak 23 levensverzekeringen. Deze wet stelt in artikel 2: "Artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt in die zin uitgelegd dat, enerzijds, het toepassingsgebied van hoofdstuk II van titel III alle persoonsverzekeringsovereenkomsten bestrijkt waarbij het zich voordoen van het verzekerde voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur, zelfs indien de partijen de wederzijdse prestaties hebben geëvalueerd zonder rekening te houden met de voorvalswetten en, anderzijds, de bij dit hoofdstuk bedoelde verzekeringen geacht worden uitsluitend gericht te zijn op de uitkering van een vast bedrag". 10. Artikel 3 van deze wet stelt: "Deze wet is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de partijen bij de overeenkomst de wederzijdse verzekeringsprestaties volledig hebben uitgevoerd, ten laatste op de dag waarop deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad". Deze interpretatieve wet is bijgevolg van toepassing op alle verzekeringsovereenkomsten waarvan de wederzijdse verzekeringsprestaties nog niet volledig werden uitgevoerd op 8 augustus 2013. Vermits de verzekeringscontracten nog steeds lopende waren op het moment van het overlijden, er was geen uitkering van prestaties n.a.v. het overlijden van de begunstigde, is de interpretatieve wet van toepassing op deze contracten. 11. Hieruit kan alvast geconcludeerd worden dat levensverzekeringen voor de verzekeringswetgeving … levensverzekeringen zijn, ongeacht of het nu tak 21 of tak 23 betreft en of het nu al dan niet om een kanscontract gaat. En vermits fiscaal recht zich dient te spiegelen op het burgerlijk recht moet de fiscus zich hier dan ook aan houden tenzij hij daar met specifieke wetgeving van afwijkt. Om het met Alain Huyghe te zeggen: "Een levensverzekering moet geen 'kanscontract' zijn in de betekenis die het Burgerlijk Wetboek eraan verleent om voor fiscale en burgerrechtelijke doeleinden te kwalificeren als een echte levensverzekering" (HUYGHE, A., "Wet bevestigt dat levensverzekering geen kanscontract hoeft te zijn.", Fiscoloog, 23 oktober 2013, ed. 1358, p. 7.). 12. De WLVO biedt dan ook de handleiding voor de oplossing van een aantal fiscale vragen die door dit dossier worden opgeroepen. Door het overlijden van de echtgenote, die tevens de begunstigde van de levensverzekeringen was, wordt artikel 111 WLVO van toepassing. Artikel 111 - Vooroverlijden van de aangewezen begunstigde" WLVO bepaalt: "Indien de begunstigde overlijdt vóór het opeisbaar worden van de verzekeringsprestatie en zelfs indien de begunstigde had aanvaard komt het recht op prestatie aan de verzekeringnemer of aan zijn nalatenschap toe, tenzij hij subsidiair een andere begunstigde heeft aangewezen". 13. Op grond van de WLVO is het "recht op de prestatie" bijgevolg een eigen en exclusief recht van de verzekeringnemer, net zoals bijvoorbeeld het recht op afkoop. Deze rechten maken dus nooit deel uit van het gemeenschappelijk huwelijksvermogen, niettegenstaande ze ten bezwarende titel tijdens het huwelijk zijn verkregen (art. 1405 BW). Er wordt door deze bepaling een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het "recht" en het "materiële resultaat" (de uitkering, de prestatie) dat volgt uit het uitoefenen van dat recht. In feite betreft het in dit geval een zuivere toepassing van artikel 1122 BW: "Men wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit". 14. Er is bijgevolg geen sprake meer van een beding ten behoeve van een derde: het resultaat van het overlijden van de begunstigde is dat de verzekeringnemer bedongen heeft voor zichzelf of voor zijn nalatenschap. 15. "Artikel 107 - Geen begunstigde" WLVO is bijgevolg eveneens van toepassing: "Wanneer bij de verzekering geen begunstigde is aangewezen of wanneer de aanwijzing van de begunstigde geen gevolgen kan hebben of herroepen is, is de verzekeringsprestatie verschuldigd aan de verzekeringnemer of aan zijn nalatenschap". Het betreft het antwoord op de vraag aan wie de prestatie - m.a.w. op het tijdstip van de uitkering dus op het moment van de realisatie van het risico (het overlijden van het verzekerd hoofd in deze tevens de verzekeringnemer) - moet toekomen: aan de verzekeringnemer of aan de begunstigde ? Artikel 107 WLVO beslecht de discussie in het voordeel van de verzekeringnemer, en is bijgevolg eveneens een zuivere toepassing van artikel 1122 BW. 16. Dat de WLVO nog steeds van toepassing is op levensverzekeringen die als een "financieel beleggingsinstrument" fungeren werd recent eveneens bevestigd door een vonnis van de fiscale rechtbank Brugge van 4 februari 2009 (1) en door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 2009 (2). Deze erkenning was er dus voor de inwerkingtreding van de interpretatieve wet van 19 juli 2013. ---------- [(1) BIELEN, F., "Fiscale rechtbank Brugge: geen minimumkapitaal bij overlijden vereist.", Fiscoloog, 25 februari 2009, nr. 1149, p. 1. (2) VAN DYCK, J., "Kwalificatie als levensverzekering: zorgt Antwerpen voor fiscale dooi?", Fiscoloog, 15 april 2009, nr. 1156, p. 6.] ---------- III. B. Successierechten 17. Het voorwerp van de aanvraag betreft de behandeling inzake successierechten van levensverzekeringen bij vóóroverlijden van de begunstigde echtgenote die met de verzekeringnemer gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap. 18. Vermits inzake successierechten geen enkele wettelijke basis voorhanden is om een onderscheid tussen verschillende "soorten" of naar de "finaliteit" van levensverzekeringen te maken, dienen bijgevolg enkel de burgerrechtelijke spelregels gevolgd te worden en bijgevolg zijn de WLVO en het burgerlijk wetboek onverkort van toepassing. 19. Aangezien uit het gemeen recht blijkt dat het wel degelijk om levensverzekeringen gaat en niet om spaarverrichtingen - en het fiscaal recht hier niet van afwijkt - is de volgende stap om uit te maken of er al dan niet een vermogen in de aangifte van nalatenschap van mevrouw X moet worden opgenomen, te kijken naar wat het lot is van levensverzekeringen aangegaan door in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten waarbij de begunstigde echtgenote overlijdt. 20. Dit is ook de weg die door de DVB werd bewandeld in de voorafgaande beslissing 800.279 van 26 mei 2009 op grond van de nog steeds bestaande bepaling van artikel 1400, 7 BW, die slechts impliciet door de WLVO werd opgeheven (KVV, 2012-2013, 20 augustus 2013, doc 53 2998/001, p. 12). Artikel 1400 BW luidt momenteel nog steeds als volgt: "Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat: … 7. de rechten verbonden aan een personenverzekering door de begunstigde zelf gesloten, die hij verkrijgt bij het overlijden van zijn echtgenoot of na de ontbinding van het stelsel". 21. De destijds door de DVB gedane ontleding van het toepasselijk burgerlijk recht wordt bevestigd door het wetsontwerp tot wijziging van artikel 301 BW en van diverse bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht, in het bijzonder met betrekking tot de levensverzekering, de vergoedingsregelingen en de gevolgen van de echtscheiding (Kamer, 2012-2013, 2998/001 van 20 augustus 2013). Het is dan ook dit wetsontwerp dat in de meest klare bewoordingen het antwoord biedt op de in dit dossier gestelde vragen. De antwoorden liggen trouwens in de lijn van de eerdere beslissingen van de DVB inzake levensverzekeringen. 22. De vraag betreft hoofdstuk 2, afdeling 2 "individuele levensverzekeringen" (art. 3 t.e.m. 6) van dit wetsontwerp en is de volgende: een echtgenoot gehuwd onder een gemeenschapsstelsel sluit een individuele levensverzekeringsovereenkomst af waarbij hij verzekeringnemer en tevens verzekerde (verzekerd hoofd) is, en haar echtgenoot wordt aangeduid als begunstigde. Configuratie AAB dus. De premies worden betaald met gemeenschapsgelden. Haar echtgenoot (B) vóóroverlijdt evenwel. De levensverzekering blijft verder bestaan en er is geen uitkering (prestatie) vermits de verzekerde (A) - tevens verzekeringnemer - nog in leven is bij het overlijden van B. De kinderen werden aangeduid als begunstigden in tweede orde. Het huwelijk eindigt bijgevolg door overlijden en niet door echtscheiding (echtscheiding is de situatie in het ontworpen art. 1405/1 BW van het wetsontwerp). 23. De vraag is of er bij vóóroverlijden van de begunstigde (B) een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen wegens het feit dat er gelden werden geput uit het gemeenschappelijk vermogen om de premies te betalen. 24. Het wetsontwerp (KVV, 2012-2013, 20 augustus 2013, doc 53 2998/001, besprekingen aangevat in de kamercommissie justitie op 1 oktober 2013) heeft als vertrekpunt "het nader bepalen van het huwelijksvermogensrechtelijk lot van levensverzekeringen" en stelt terecht dat de "huwelijksvermogensrechtelijke regeling van de levensverzekeringen die thans in de (ongrondwettig verklaarde) art. 127 en 128 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst (WLVO) is opgenomen … niet in die WLVO thuis (hoort)" (p. 10). De nieuwe regeling inzake levensverzekeringen wordt door dit wetsontwerp dan ook overgeheveld naar het burgerlijk wetboek (BW) en geldt voor echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel, wat hier het geval is. 25. Het wetsontwerp maakt een onderscheid tussen 3 "soorten" individuele levensverzekeringen: 25.1. De levensverzekering die de in gemeenschap gehuwde verzekeringnemer in eigen voordeel sluit voor het geval zijn echtgenoot eerder overlijdt (de "egoïstische" maatregel) - artikel 1400, 7 BW: "art. 1400 BW Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat: … 25.2. De uitkering die verschuldigd is in uitvoering van een individueel levensverzekeringscontract, wanneer het contract door een van de echtgenoten is gesloten, en de uitkering aan de verzekeringsnemer bij overlijden van zijn echtgenoot verschuldigd is. Deze bepaling is toepasselijk op iedere uitkering, ongeacht of ze in de vorm van een kapitaal of van een rente betaald wordt". 25.3. De levensverzekering die de in gemeenschap gehuwde verzekeringnemer in voordeel van zijn echtgenoot sluit, voor het geval hij zelf eerder overlijdt (de "voorzorgsmaatregel") - artikel 1401, 6 BW: "art. 1401 BW Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging: … 25.4. De uitkering die verschuldigd is in uitvoering van een individueel levensverzekeringscontract, wanneer het contract door een van de echtgenoten is gesloten en de uitkering bij overlijden van de verzekeringsnemer aan zijn echtgenoot verschuldigd is. Deze bepaling is toepasselijk op iedere uitkering, ongeacht of ze in de vorm van een kapitaal of van een rente betaald wordt". 25.5. De levensverzekering die de in gemeenschap gehuwde verzekeringnemer sluit met het oog op het bekomen van een uitkering bij het bereiken van een bepaalde leeftijd, meestal de pensioengerechtigde leeftijd (de "spaarmaatregel") - artikel 1405/1 BW: "art. 1405/1 BW Zijn eveneens aanwinsten, en behoren dus tot het gemeenschappelijk vermogen, behoudens vergoeding indien en voor zover premies met eigen gelden werden betaald, de volgende goederen die betrekking hebben op een individueel levensverzekeringscontract dat door een van de echtgenoten tijdens het huwelijksstelsel is gesloten, op zijn hoofd of op het hoofd van zijn echtgenoot: 1. De uitkering die tijdens het huwelijksstelsel verschuldigd is, ongeacht of ze in de vorm van een kapitaal of van een rente betaald wordt; 2. Het bedrag dat ingevolge de afkoop tijdens het huwelijksstelsel wordt ontvangen; 3. De afkoopwaarde van het contract indien de prestatie verschuldigd is na ontbinding van het huwelijksstelsel om een andere oorzaak dan het overlijden; deze afkoopwaarde wordt bepaald op het ogenblik van de ontbinding. 26. Het is enkel in het kader van artikel 1405/1 BW dat het wetsontwerp spreekt van een "levensverzekering die kan omschreven worden als een "spaarmaatregel" of "spaarverrichting" te onderscheiden van een verrichting die, louter ten voordele van de begunstigde, het risico van overlijden dekt zonder recht op terugbetaling van reserves" (KVV, 2012-2013, 20 augustus 2013, doc 53 2998/001, p. 13). Evenwel enkel in de drie in het ontworpen artikel opgenomen gevallen, waarbinnen dit dossier echter niet in kadert. 27. De oplossingen gegeven in dit wetsontwerp zullen richtinggevend zijn voor de fiscale behandeling van de levensverzekeringen vermits bij de aangifte nalatenschap eerst het gemeenschapsstelsel dient vereffend en verdeeld te worden alvorens de nalatenschap kan worden samengesteld. De door het wetsontwerp aangereikte oplossingen liggen in het verlengde van de zienswijze van de DVB bij de beslissing nr. 800.279 van 26 mei 2009. 28. Uit het voorgaande blijkt reeds dat de finaliteit van de levensverzekering zeer verscheiden kan zijn: bij de eerste soort contracten financiële zekerheidsstelling van de begunstigde en bij de tweede soort contracten ouderdoms- of overlevingspensioen. 29. De in deze zaak voorgelegde contracten geven een combinatie van enerzijds een beding ten gunste van zichzelf (bij leven op de einddatum van het contract) en anderzijds een beding ten gunste van een derde (bij vooroverlijden op de einddatum van het contract). 30. Deze levensverzekeringen zijn duidelijk bedoeld als "spaarmaatregel" en vallen dus in principe onder het toepassingsgebied van artikel 1405/1 BW (AAAB configuratie). Evenwel, vermits de ontbinding van het huwelijk door overlijden niet gevat wordt binnen het toepassingsgebied van dit artikel is, naargelang het geval, artikel 1400, 7 BW of 1401, 6 BW van toepassing (wetsontwerp, p. 17). Bij deze contracten is de begunstigde in geval van overlijden van de verzekeringnemer vóór de einddatum van het contract vooroverleden en werden de erfgenamen in tweede orde als begunstigden aangeduid. 31. Naar aanleiding van het overlijden van de begunstigde, mevrouw X, zijn er ook hier geen uitkeringen verschuldigd. 32. De door de memorie van toelichting van voormeld wetsontwerp vooropgestelde oplossing voor verzekeringen van het type "gemengde verzekering" is dat door het overlijden van begunstigde B vóór verzekeringnemer/verzekerde A er teruggegrepen moet worden naar art. 1400,7 of 1401, 6 BW: "… in geval van ontbinding door overlijden zal men, al naargelang van het geval, ofwel artikel 1400,7 ofwel artikel 1401,6 toepassen" (KVV, 2012-2013, 20 augustus 2013, doc 53 2998/001, p. 17 onderaan en p. 12-13). 33. Ook in dit geval kan gesteld worden dat de langstlevende, de heer Y, zijn recht van afkoop - wat een eigen en exclusief recht van de verzekeringnemer is op grond van de WLVO - na overlijden van mevrouw X zonder meer kan uitoefenen en aldus "verrijkt" zal worden door de afkoopwaarde die hij verkrijgt. Bij vóóroverlijden van de begunstigde komt men terecht in de configuratie waarbij de heer Y in feite voor zichzelf bedongen heeft en waarbij dan artikel 1400,7 BW van toepassing wordt: vergoeding door het eigen vermogen van A aan het gemeenschappelijk vermogen ten belope van de verarming van dat gemeenschappelijk vermogen, zijnde de door het gemeenschappelijk vermogen betaalde premies: "Deze prestatie zal krachtens het verzekeringsrecht en het verzekeringscontract exclusief aan de verzekeringsnemer worden uitbetaald. Indien ze echter bekomen is door betaling met gemeenschapsgelden, moet de gemeenschap hiervoor vergoed worden" (p. 11 van het wetsontwerp). 34. Voor al deze levensverzekeringen geldt wat Claude Devoet vermeldt in zijn handboek "Les assurances de personnes". (3) Uitgangspunt is het geval waarbij de verzekeringnemer een levensverzekering aangaat op zijn eigen hoofd (verzekerde) en met zichzelf als begunstigde. Dit is uiteindelijk het resultaat dat wordt bereikt in het geval van al deze levensverzekeringen bij overlijden van de begunstigde, mevrouw X, voor het verstrijken van de overeenkomst. De verzekeringnemer, de heer Y, heeft dus bedongen voor zichzelf. Volgens Devoet zijn de prestaties (uitkeringen) die geleverd worden na de ontbinding van het huwelijk eigen aan de echtgenoot-verzekeringnemer, maar artikel 1400.7 BW moet worden toegepast: een vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen in de mate waarin dit vermogen de premies van het contract van de overlevende echtgenoot heeft gefinancierd. Artikel 16 W. succ. kan dan eveneens van toepassing zijn: "Cette constatation conduirait à ne pas soumettre à l'impôt la moitié de la valeur de rachat due, à la suite du décès du prémourant, au titre de récompense selon l'article 1400.7 du Code civil" (vrije vertaling DVB: "Deze vaststelling zal leiden tot het niet aan de belasting onderwerpen van de helft van de verschuldigde afkoopwaarde, ten gevolge van het overlijden van de eerststervende, ten titel van vergoeding overeenkomstig artikel 1400.7 van het burgerlijk wetboek"). ---------- [(3) DEVOET, C., Les assurances de personnes, Anthemis, Louvain-la-Neuve, 2006, p. 549, nr. 1552.] ---------- 35. Dit is zoals reeds eerder gesteld ook het standpunt dat door de DVB werd vertolkt in de voorafgaande beslissing 800.279 van 26 mei 2009 op grond van de nog steeds bestaande bepaling van artikel 1400, 7 BW, welke slechts impliciet door de WLVO werd opgeheven (KVV, 2012-2013, 20 augustus 2013, doc 53 2998/001, p. 12), en nu door het wetsontwerp in een duidelijkere versie wordt herschreven. 36. De destijds door de DVB gemaakte burgerrechtelijke analyse blijkt thans door het voormelde wetsontwerp bevestigd te worden. 37. Vermits inzake successierechten voor wat betreft levensverzekeringen geen van het burgerlijk recht afwijkende regelgeving voorhanden is, zijn bijgevolg dezelfde burgerrechtelijke en fiscale spelregels ter zake van toepassing als voor de datum van de introductie van het wetsontwerp (20 augustus 2013). III. C. Conclusie 38. Op grond van de kenmerken van het product levensverzekering, de regels van het burgerlijk recht - meer bepaald het huwelijksvermogensrecht - en de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst in combinatie met de regels van het Wetboek der successierechten is de levensverzekering eigen aan de verzekeringnemer/echtgenoot, mits vergoeding aan de gemeenschap indien er aanleiding tot vergoeding bestaat. De verschuldigde vergoedingen worden gevormd door de door het gemeenschappelijk vermogen betaalde premies, zijnde de verarming van het gemeenschappelijk vermogen ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot/verzekeringnemer. Fiscaal gezien zijn er geen vergoedingen verschuldigd omdat de echtgenoten gemeenschappelijke kinderen hebben. Artikel 16 van het wetboek der successierechten kan bijgevolg worden ingeroepen. 39. De aanvrager laat uitschijnen dat de bedragen die in de polissen werden belegd grotendeels afkomstig zijn uit het eigen vermogen van de heer Y. Dit betreft "het gebruik van de bewijsmiddelen" waarvoor de DVB, in toepassing van artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 17 januari 2003 tot uitvoering van artikel 22, tweede lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, niet bevoegd is. * * *
Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op wat voorafgaat beslist het College van de DVB in zitting van 15 april 2014 dat: 40. de helft van de waarde van deze levensverzekeringen op datum van het overlijden van mevrouw X, niet moet worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap: het verzekeringsproduct is eigen aan de echtgenoot/verzekeringnemer, eventueel mits vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen dat tussen de echtgenoten heeft bestaan; 41. in toepassing van artikel 16, eerste lid van het wetboek der successierechten worden er voor de heffing van de successierechten geen vergoedingen in aanmerking genomen omdat de echtgenoten gemeenschappelijke kinderen hebben; 42. de DVB niet bevoegd is om zich uit te spreken over het al dan niet gemeenschappelijk of eigen karakter van de gelden waarmee de verzekeringspremies werden betaald gelet op artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 17 januari 2003; 43. de DVB vestigt de aandacht op de bepalingen van artikel 23, 2de lid, 3° van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.
|
|||||||