Décision anticipée n° 2017.024 dd. 21.02.2017
Summary :
Avantage anormal ou bénévole - Prix de transfert - Etablissement stabl
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Décision anticipée n° 2017.024 dd. 21.02.2017
Document
Search in text:
Properties
Document type : Prior agreements L 24.12.2002 Title : Décision anticipée n° 2017.024 dd. 21.02.2017 Tax year : 2017 Document date : 21/02/2017 Keywords : avantage anormal ou bénévole / prix de transfert / établissement stable / principe de pleine concurrence Document language : FR Name : Décision anticipée n° 2017.024 dd. 21.02.2017 Version : 1
Décision anticipée n° 2017.024 dd. 21.02.2017
Avantage anormal ou bénévole Prix de transfert Etablissement stable
Résumé Dans la décision anticipée, il est confirmé que l’indemnité proposée que la société belge X recevra pour ses activités en tant que « toll manufacturer », répond à la condition de conformité du marché au sens de l’article 185, §2, CIR 92 et ne sera pas considérée comme un avantage anormal ou bénévole au sens des articles 26, 79, combiné à l’article 207 CIR 92. En outre, il a été confirmé que l’entité du groupe étrangère Y n’est pas censée avoir un établissement stable en Belgique à la suite des services fournis par la société X.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag 1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te bekomen dat: 1.1. de voorgestelde vergoeding die de Belgische vennootschap X zal ontvangen voor haar activiteiten als “toll manufacturer” beantwoordt aan de vereiste van marktconformiteit in de zin van artikel 185, §2 WIB 92 en niet kan worden aanzien als een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 26 en 79 juncto 207 van het WIB 92; 1.2. de buitenlandse vennootschap Y, niet wordt geacht te beschikken over een vaste inrichting belastbaar in België als gevolg van de activiteiten uitgevoerd door de Belgische vennootschap X in de zin van Artikel 5 van het Belgisch-buitenlands dubbelbelastingverdrag ter vermijding van dubbele belasting.
II. Beslissing 2. De Belgische vennootschap X is één van de vier productie entiteiten van de groep voor een bepaald product. De Belgische fabriek is verantwoordelijk voor de productie van producten volgens de specificaties opgelegd door de principaal de buitenlandse vennootschap Y. Onderhavige beslissing heeft betrekking op de vergoeding voor de activiteiten als “toll manufacturer” van vennootschap X, voor de groep. II.1. M.b.t. het at arm’s length karakter van de vergoeding voor de “toll manufacturing” activiteiten door de Belgische vennootschap X 3. Gelet op de hierna vermelde overwegingen / elementen kan de gebruikte verrekenprijsmethode en de voorgelegde profit level indicator (PLI) aanvaard worden: 3.1. De activiteiten van de Belgische vennootschap X kunnen gekwalificeerd worden als “toll manufacturing” activiteiten ten behoeve van de principaal de buitenlandse vennootschap Y: 3.1.1. de Belgische vennootschap X draagt als “ toll manufacturer” slechts beperkte risico’s; 3.1.2. de Belgische vennootschap X is geen eigenaar van en ontwikkelt geen immateriële activa met betrekking tot het merk op de producten die ze in het kader haar “toll manufacturing-diensten” uitvoert voor Y; 3.1.3. de “toll manufacturer” bepaalt noch de specificaties van de grondstoffen voor de productie, noch worden er contracten afgesloten met leveranciers; 3.1.4. de Belgische vennootschap X bezit geen eigen grondstoffen, voorraden, bestellingen in uitvoering of afgewerkte producten. 3.2. Gelet op de functionaliteit en het risicoprofiel van de Belgische vennootschap X kan de Transactional Net Margin Methode (TNMM) zoals vermeld in de OESO Richtlijnen inzake verrekenprijzen (randnummers 2.58 en volgende) met als PLI de “Net Cost Plus” worden aanvaard om de “arm’s length” vergoeding voor de “toll manufacturing” activiteiten te bepalen. 4. Gelet op de hiernavolgende overwegingen / elementen kan de voorgelegde benchmarking studie aanvaard worden: 4.1. een selectie van vergelijkbare ondernemingen werd reeds door de aanvrager gemaakt en geanalyseerd in het kader van de voorafgaande beslissing 2013.261; 4.2. de selectiecriteria die toen gebruikt zijn om deze analyse door te voeren zijn gebaseerd op de functionaliteit en het risicoprofiel van X; 4.3. deze vergelijkbaarheidsanalyse beantwoordt aan de bepalingen in de OESO Richtlijnen inzake verrekenprijzen; 4.4. de vergelijkingsanalyse van deze studie werd door de aanvrager geüpdatet (juli 2016) met het oog op onderhavige vernieuwing van de voorafgaande beslissing 2013.261. 5. Gelet op de hiernavolgende overwegingen / elementen kan het vooropgestelde winstopslagpercentage aanvaard worden: 5.1. bovenvermelde studie ondersteunt het voorgestelde winstopslag-percentage; 5.2. de winstopslag 5% (laagste grens 1,8% - hoogste grens 5,4% met een mediaan van 3,8%) valt binnen de interkwartiel intervallen van de vergelijkbare ondernemingen. De OESO aanvaardt het gebruik van een marktconforme interval; 5.3. de door de aanvrager voorgestelde net cost plus van 5% valt binnen het arm’s length interval van de door de DVB gemaakte studie. 6. De vergoedingswijze als volgt worden samengevat: 6.1. de winsttoeslag van 5% zal toegepast worden op de bedrijfskosten (rekeningen 60 tot en met 64 MAR) met betrekking tot de “toll manufacturing” diensten; 6.2. de financiële kosten vervat in de rekening 65 van het MAR (zonder aftrek van de financiële opbrengsten) zullen aan 100% (i.e. zonder mark-up) worden doorgerekend; II.2. Afwezigheid van vaste inrichting 7. Op grond van artikel 5 van het Belgisch-buitenlands Dubbelbelastingverdrag wordt de buitenlandse vennootschap Y niet geacht over een belastbare materiële vaste inrichting in België te beschikken: 7.1. de gebouwen van de Belgische vennootschap X kunnen niet beschouwd worden als zijnde ter beschikking gesteld van de buitenlandse vennootschap Y aangezien deze laatste de gebouwen van de Belgische vennootschap X niet gebruikt; 7.2. de buitenlandse vennootschap Y niet kan worden geacht haar bedrijfsactiviteiten uit te oefenen in de gebouwen van de Belgische vennootschap X gezien het de productieactiviteiten van de Belgische vennootschap X zijn die worden uitgevoerd in de Belgische gebouwen en de Belgische vennootschap X deze activiteiten uitoefent in eigen naam en voor eigen rekening. 8. de buitenlandse vennootschap Y kan niet worden geacht te beschikken over een personele vaste inrichting in België gezien het feit dat de Belgische vennootschap X niet de bevoegdheid heeft om contracten te sluiten in de naam van de buitenlandse vennootschap Y. 9. Artikel 229§1 WIB 92 voorziet dat de beschikking over een opslagplaats resulteert in het aanhouden van een Belgische inrichting. De buitenlandse vennootschap Y zal voldoen aan alle belastingformaliteiten in dat verband (jaarlijks indienen van een ‘nihil’ aangifte in de vennootschapsbelasting (niet-inwoners)). Gelet op de artikelen 20 tot 23 van de wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in zoals vermeld in deel II beslist het College van de DVB dat: 10. de voorgestelde vergoeding die de Belgische vennootschap X zal ontvangen voor haar activiteiten als “toll manufacturer” beantwoordt aan het arm’s length karakter in de zin van artikel 185, §2 WIB 92 en geen aanleiding geeft tot het verstrekken van een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 WIB 92, noch tot het verkrijgen van een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 79 en 207 WIB 92; 11. de activiteiten van de Belgische vennootschap X geen aanleiding geven tot een belastbare vaste inrichting in hoofde van de buitenlandse vennootschap Y in de zin van artikel 5 van het Belgisch-buitenlands dubbelbelastingverdrag ter vermijding van dubbele belasting; 12. onderhavige voorafgaande beslissing wordt getroffen voor een periode van 5 opeenvolgende boekjarenen desgewenst kan worden verlengd of gewijzigd voor zover daartoe – bij voorkeur 3 maanden voor het verstrijken van bovenvermelde periode – een nieuwe aanvraag bij de DVB wordt ingediend. 13. ieder jaar de aanvrager bij zijn aangifte een bijlage dient te voegen waaruit de correcte toepassing van deze voorafgaande beslissing blijkt. 14. deze beslissing slechts geldig is voor zover noch de activiteiten van de aanvrager, noch de omstandigheden waarin zij worden uitgeoefend betekenisvol wijzigen gedurende de periode tijdens dewelke deze beslissing van toepassing is. |
|||||||