Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2007
Summary :
Frais professionnels,Avantage de toute nature,Travaux de transformation pris en charge par une société
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2007
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2007
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2007 Tax year : 0 Document date : 23/10/2007 Document language : FR Modification date : 20/05/2008 15:57:25 Name : BR1 07/1352 Version : 1
ARRET BR1 07/1352 Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2007 Le Courrier Fiscal 2008/401 Frais professionnels - Avantage de toute nature - Travaux de transformation pris en charge par une société Sur la base du contrat de bail, le locataire n'était pas obligé de remettre le bien dans le même état qu'à l'origine après la fin du contrat de bail. Le locataire était uniquement tenu de restituer le bien loué 'dans le même état d'entretien et de réparation'. Il s'agit donc d'une autre obligation que de détruire les travaux de transformation antérieurs pour ensuite remettre le bien dans le même état qu'à l'origine (en réaménageant une habitation). Comme les propriétaires-bailleurs du bien loué étaient, à la fin du contrat de bail, gérants de la société qui a réalisé les travaux, l'avantage qu'ils ont obtenu à l'occasion de ces travaux doit être imposé dans leur chef à titre de revenu professionnel. D'après le tribunal, le lien avec l'activité professionnelle est clairement présent (art. 31, 2°, al. 2 du C.I.R./92). De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend: In de zaak 03/52/A Rep.nr.2007/1352 ___________________________________________________________________________________ 1. de heer P. L., zonder gekend beroep, 2. mevrouw C. D. B., zonder gekend beroep, beiden samenwonende te ..., eisers voor wie is opgetreden Meester P. R. (balie Brussel) loco Meester J. S., advocaat met kantoor te ..., TEGEN de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te ..., verweerder voor wie is opgetreden de heer E. D., directeur bij een fiscaal bestuur, ___________________________________________________________________________________ I. RECHTSPLEGING. Gelet op de tijdig ingediende bezwaarschriften m.b.t. de aanslagjaren 1994, 1995, 1996 en 1997. Gelet op de beslissing genomen door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge de dato 10.10.2002 waardoor de bezwaarschriften als ongegrond werden afgewezen. Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend te griffie de dato 7.01.2003. De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels. Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 25.09.2007. Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen. II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK 2.1. De PVBA L. Y. werd op 19 juni 1974 opgericht met als voornaamste aandeelhouders eerste eiser. Op 29 augustus 1975 werd tussen de PVBA en eerste eiser een huurovereenkomst gesloten m.b.t. de panden gelegen te ... Deze panden hebben een gemengde bestemming: het gelijkvloers fungeert als winkelruimte en op de eerste verdieping bevinden zich woongelegenheden. Lopende de huurovereenkomst heeft de PVBA deze panden omgevormd tot één pand met als bestemming verkoopruimte, opslagruimte en bureelruimte. Bij de beëindiging van de huurovereenkomst in 1993 heeft de tot BVBA hervormde vennootschap de bestemming terug in overeenstemming gebracht met het initiële gemengde gebruik, zijnde winkelinrichtingen op het gelijkvloers en woongelegenheden op de verdiepingen. De totale kostprijs van deze laatste verbouwingswerken bedroegen 375.862,40 EUR, waarvan de eigenaar 156.126,83 EUR heeft gedragen en de vennootschap 219.735,57 EUR heeft afgeschreven over drie jaar. Het gedeelte van de verbouwingswerken dat de BVBA ten laste neemt, beschouwt verweerder als een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van eisers. De bestreden beslissing de dato 10.10.2002 licht de aanslagprocedures, de bezwaren en de onderliggende feiten verder toe. 2.2. Eisers vragen dat : - Het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard. - Dienvolgens de betwiste aanslagen in de personenbelasting m.b.t. de aanslagjaren 1995, 1995, 1996 en 1997 worden ontheven in de mate een voordeel van alle aard dat betrekking heeft op de verbouwingswerken wordt opgenomen in de belastbare grondslag. - Dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de op grond van de aldus te ontheffen aanslagen betaalde of ingehouden sommen, vermeerderd met de moratoriumintresten zoals voorzien in artikel 418 WIB'92. - Verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in hun hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. 2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres worden veroordeeld tot de kosten als naar recht. III. BEOORDELING. 3.1. nopens de ontvankelijkheid van de vordering. Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de ontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk. 3.2. nopens de grond van de vordering. 3.2.1. Artikel 5 van het huurcontract tussen eerste eiser en de PVBA L. Y. van 29.08.1975 bepaalt uitdrukkelijk dat indien verbouwings-, veranderings-, verbeterings- of gelijk welke andere werken door de verhuurder worden toegelaten, de verhuurder ze met volle recht mag behouden, zonder dat hij enige vergoeding verschuldigd is. Artikel 7 van voormeld contract stipuleert verder dat bij het beëindigen van de huurovereenkomst de huurster het gehuurde goed in dezelfde staat van onderhoud en herstelling moet afleveren. Het is duidelijk dat verbouwingswerken die de aard of de bestemming van het goed wijzigen onder het toepassingsgebied van artikel 5 ressorteren. Aangezien de volledige verbouwing van een handelspand tot woongelegenheden ook geen onderhouds- of herstellingswerken betreffen, kon op basis van voormeld contract de huurder dus niet verplicht worden om na het beëindigen van de huurovereenkomst de onroerende voorheffing terug in hun oorspronkelijke staat te herstellen. Met een geldig afgesloten huurovereenkomst zijn partijen dus overeengekomen om af te wijken van de bepalingen van het gemene huurrecht waar bepaald wordt dat de huurder het gehuurde goed bij de beëindiging van de huurovereenkomst moet teruggeven in de staat waarin hij het heeft ontvangen. Eisers kunnen dan ook niet gevolgd worden waar zij voorhouden dat er van een voordeel van alle aard geen sprake kan zijn aangezien de huurder de werken niet uit vrije wil heeft uitgevoerd en hij wettelijk verplicht was om het gehuurde goed in zijn oorspronkelijke staat terug te geven. 3.2.2. Eerste eiser is sinds de oprichting van de PVBA statutair zaakvoerder en hoofdaandeelhouder (90%) in de vennootschap. Dit betekent dat eerste eiser als huurder en verhuurder alle mogelijke beslissingen kon nemen. De voordelen moeten verkregen zijn uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid. In het geval van eerste eiser is die band met de beroepswerkzaamheid duidelijk aanwezig gelet op zijn functie van statutair zaakvoerder in de vennootschap-huurder. De voorwaarden zoals bepaald in artikel 31, 2° lid 2 WIB '92 zijn duidelijk vervuld zodat een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van eerste eiser kon weerhouden worden. 3.2.3. Verweerder heeft het bekomen voordeel terecht berekend door de afschrijvingen op de investeringen te verminderen met het deel dat door eerste eiser ten laste werd genomen via zijn lopende rekening. 3.2.4. Tenslotte zijn de bepalingen van artikel 360 WIB'92 juncto artikel 204,3°, b KB WIB '92 niet geschonden. Het voordeel werd immers niet in 1993 behaald aangezien de investeringen ook nog na 1.09.1993 gebeurden, zijnde de datum van het verstrijken van het huurcontract. De laatste facturen dateren immers van 31.03.1995, zijnde ruim anderhalf jaar na het verstrijken van de huurovereenkomst. De werken werden dan ook terecht als een aanvullende toekenning in hoofde van de zaakvoerder aanzien, en dit ten belope van de jaarlijkse afschrijvingen. 3.3. nopens de kosten. Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zijn de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak. Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag drieëntwintig oktober tweeduizend en zeven. Aanwezig zijn: H. N., alleenrechtsprekend rechter, L. N., griffier. |
|||||||