Jugement du Tribunal de Première Instance de Hasselt dd. 16.05.2007
Summary :
Obligation d'inscription,Occupation,Accroissement,Compétence du tribunal
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance de Hasselt dd. 16.05.2007
Jugement du Tribunal de Première Instance de Hasselt dd. 16.05.2007
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de Première Instance de Hasselt dd. 16.05.2007 Tax year : 0 Document date : 16/05/2007 Keywords : Obligation d'inscription / Occupation / Accroissement / Compétence du tribunal Document language : FR Modification date : 18/12/2007 09:23:30 Name : H1 07/2 Version : 1
ARRET H1 07/2 Jugement du Tribunal de Première Instance de Hasselt dd. 16.05.2007 Obligation d'inscription - Occupation - Accroissement - Compétence du tribunal EE/BW 5073 Les acquéreurs ont expressément et explicitement énoncé l'obligation d'inscription dans l'acte notarié en vue de l'obtention de la réduction du droit d'enregistrement. Ils n'ont pas rempli cette obligation, le premier acquéreur étant en dehors du délai prévu par la loi alors que le second acquéreur n'a même rien fait. Les acquéreurs invoquent, par adjonction de documents probants, qu'ils ont habité la maison durant la période utile. L'obligation d'occupation a été tempérée par le législateur en 1998 en une simple obligation d'inscription. Les acquéreurs n'invoquent pas la force majeure. Aucune règle de droit n'autorise le tribunal à libérer les acquéreurs des droits ou de l'amende sur base de la simple équité. Le tribunal a pleine juridiction pour apprécier la proportionnalité de l'accroissement. Celui-ci a déjà été réduit au départ à un montant égal à l'intérêt légal sur les droits supplémentaires à compter de l'enregistrement et jusque l'imposition supplémentaire et, de ce fait, est totalement proportionnel aux faits. DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN : IN ZAKE A.R. nr. 04.0461.A B. J., F., C., geboren te H. op 25.10.1970, W. J., E., L., geboren te 15.04.1970, wonende te H. Eisers, vertegenwoordigd door Mr. G. I., advocaat te H. tegen : ADMINISTRATIE VAN HET KADASTER. REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43. DE BELGISCHE STAAT. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te T. VOLGT HET VONNIS : Gelet op :
Bij definitieve toewijzing van 8 april 1999 kochten huidige eisers een huis te H. De daarover verleden notarisakte bevat een verklaring "pro fisco", ter verkrijging van de door artikel 53, 2° Wetboek van Registratierechten (W.Reg.) bepaalde tariefverlaging. Punt 3 van deze verklaring gaat als volgt : 'Dat hij of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen'. Op deze verklaring blijken eisers toentertijd het verlaagde registratierecht van vermeld artikel 53 te hebben bekomen. Eerste eiser deed op 3 juni 2002 te H. aangifte van adreswijziging naar het hogerop vermelde huis, inschrijving die werd uitgevoerd op 4 juni 2002. Dit oorzaak van niet tijdige en niet volgehouden inschrijving formuleerde de Ontvanger per 5 november 2003 een navordering van het verschil in rechten, plus een herleide vermeerdering. Deze navordering is gebaseerd op de artikelen 60 en 61-1 W.Reg. Eisers hebben vervolgens op 4 december 2003, onder bijvoeging van overtuigingsstukken, bezwaar geformuleerd met vermelding dat zij het huis hadden betrokken/bewoond in de nuttige periode. Op gemotiveerd negatief antwoord van de Ontvanger, richtten zij zich met (op 5 januari 2004 ingekomen) brief van 23 december 2003 tot de Directeur. Deze antwoordde dat de wet geen bewoning vereist, maar wel inschrijving die te dezen te laat blijkt te zijn gebeurd. Hij verwees eisers voor eventuele voorziening naar de rechtbank. De raadsman voor eisers legde op 23 februari 2004 ter griffie een verzoekschrift op tegenspraak neer met aangehecht afschrift van de vermelde beslissing. Toelaatbaarheid De toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren. Ten gronde De rechtbank stelt vast dat eisers in hogerop vermelde notarisakte uitdrukkelijk en met zoveel woorden de inschrijvingsplicht hebben geformuleerd met het oogmerk van de verkrijging van vermindering van het registratierecht. Het blijkt dat zij die plicht niet hebben uitgevoerd, eerste eiser van zijn kant alvast buiten door de wet bepaalde termijn (en tweede eiseres ten overvloede blijkbaar zelfs helemaal niet). Zuiver ten overvloede mag niet uit het oog worden verloren dat de voorheen bestaande plicht tot bewoning in 1998 wettelijk is afgezwakt tot slechts inschrijvingsplicht. Eisers pleiten voorts geen overmacht (laatste lid van art. 60 W.Reg.) en stellen aldus niet dat ook maar iets hen zou hebben belet om de opgenomen plicht tot inschrijving tijdig uit te voeren. Geen rechtsregel laat de rechtbank toe om eisers te bevrijden van de rechten en of de boete op grand van loutere billijkheid. Ter zake de vermeerdering - die te dezen gelijk te stellen is met een boete -heeft de rechtbank volle rechtsmacht om de evenredigheid ervan te beoordelen. Niet in betwisting staat te dezen dat de vermeerdering reeds van in het begin werd herleid tot een bedrag dat gelijkstaat met de wettelijke intrest op de aanvullende rechten tussen de registratie en de navordering. Deze herleide vermeerdering is daardoor volop evenredig met de feiten. Artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat eisers worden veroordeeld tot de kosten, als in het ongelijk gestelde partij. De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak, Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond, Veroordeelt eisers tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in conclusie en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 182,20 EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 16.05.2007 alwaar aanwezig waren: De Heer L. B. rechter, waarnemend voorzitter ; Mevrouw M. C., rechter, De Heer P. C., plaatsvervangend rechter, en, De Heer A. T., griffier. |
|||||||