Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet, nr. 21982 van mevrouw Veerle Wouters, nr. 21988 van mevrouw Christiane Vienne, nr. 22062 van de heer Benoît Drèze en nr. 22087 van de heer Carl Devlies dd. 11.02.2014

Date :
11-02-2014
Language :
French Dutch
Size :
4 pages
Section :
Regulation
Type :
Parliamentary questions
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

ruling - verrekenprijs - arm's length principe - dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zake

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet, nr. 21982 van mevrouw Veerl...
Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet, nr. 21982 van mevrouw Veerl...
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet, nr. 21982 van mevrouw Veerle Wouters, nr. 21988 van mevrouw Christiane Vienne, nr. 22062 van de heer Benoît Drèze en nr. 22087 van de heer Carl Devlies dd. 11.02.2014
Tax year : 2014
Document date : 11/02/2014
Keywords : ruling / verrekenprijs / arm's length principe / dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken
Document language : NL
Name : Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet, nr. 21982 van mevrouw Veerle Wouters, nr. 21988 van mevrouw Christiane Vienne, nr. 22062 van de heer Benoît Drèze en nr. 22087 van de heer Carl Devlies dd. 11.02.2014
Version : 1
Question asked by : Georges Gilkinet

Mondelinge parlementaire vragen nr. 21961 van de heer Georges Gilkinet,  nr. 21982 van mevrouw Veerle Wouters, nr. 21988 van mevrouw Christiane Vienne, nr. 22062 van de heer Benoît Drèze en nr. 22087 van de heer Carl Devlies dd. 11.02.2014

 

Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën, 2013-2014, CRIV 53 COM 924 dd. 11.02.2014, blz. 2

 

Een onderzoek van de Europese Commissie inzake ruling

De geheime akkoorden tussen de Belgische rulingdienst en multinationals

Het Europese onderzoek naar het Belgische rulingsysteem

Het onderzoek van de Europese Commissie naar de Dienst Voorafgaande Beslissingen

De ruling voor multinationals

 

VRAAG (van de heer Gilkinet)

Naar verluidt heeft de Europese Commissie (DG Concurrentie) een reeks vragen in verband met artikel 185 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen overgezonden aan de Belgische Staat. België zou een vorm van fiscale dumping en oneerlijke concurrentie - zelfs onwettige staatssteun - in stand houden door zich, via de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken, zeer welwillend op te stellen ten aanzien van bepaalde vormen van agressieve fiscale planning. Bevestigt u dat de Europese Commissie een voorafgaand onderzoek heeft ingesteld naar de rulingdienst? Zo ja, waarop heeft het onderzoek precies betrekking? Wat zijn de vragen of bezwaren van de DG Concurrentie? Binnen welke termijn moet de Belgische Staat een antwoord aan de Commissie bezorgen? Wanneer moet de Commissie een definitief standpunt innemen in de zaak? Welke antwoorden heeft de Belgische Staat verstrekt of zal hij verstrekken?

 

VRAAG (van mevrouw Wouters)

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, zoals collega Gilkinet al heeft aangehaald, plaatst Europa vraagtekens bij de akkoorden die onze Belgische rulingdienst afsluit met tal van multinationals. Via die geheime akkoorden laat ons land multinationals toe om hun winsten hier te boeken. Dit gaat terug tot een maatregel van toenmalig minister van Financiën, de heer Didier Reynders. Het in 2004 ingevoerde artikel 185, § 2 van het WIB 92 stipuleert dat de rulingdienst de Belgische winst kan verminderen wanneer die winst voortvloeit uit transacties met groepsvennootschappen waarbij de voorwaarden niet "at arm's length" zijn. Die winst zou in feite bij de buitenlandse groepsvennootschap moeten worden belast. Het merkwaardige aan deze bepaling is dat de vermindering van de Belgische winst door de rulingdienst niet afhangt van een daadwerkelijke belasting van de winst bij de buitenlandse groepsvennootschap. Ik kom dan tot mijn concrete vragen. Waarom blijft artikel 185, § 2 WIB 92 bestaan? Er werd immers ook een complexe fairness taks ingevoerd. Naast een complexe fairness tax is er ook een rulingdienst die België promoot als fiscale sluipweg voor multinationals. Welke stappen zult u ondernemen? Welke antwoorden zult u geven op de kritiek van de Europese Commissie? De woordvoerder van de FOD Financiën, de heer Adyns, zegt in De Tijd van 31 januari 2014 dat er niets geheim is aan deze ruling. Mijn vraag is dan ook of deze rulings al dan niet worden gepubliceerd. Worden deze rulings systematisch geheimgehouden? Heeft dit eventueel te maken met het feit dat het betrokken bedrijf te herkenbaar zou zijn? Hoe zit het met deze specifieke rulings? Ten slotte, de rulingdienst blijkt selectief te werk te gaan in het toekennen van deze belastingvoordelen ten voordele van grote multinationals. Ik heb nog een specifieke vraag. In september van vorig jaar deelde staatssecretaris Crombez mee dat er een aparte cel voor fiscale rulings in de maak was bij de centrale administratie Financiën die speciaal zou gericht zijn op kmo's, zelfstandigen en notarissen. Wat is de stand van zaken op het vlak van deze cel? Wordt de oprichting ervan uitgevoerd of is ze uitgevoerd? Kan u ter zake wat nadere toelichting geven?

 

De voorzitter: Mevrouw Vienne is niet aanwezig om haar vraag te stellen.

 

VRAAG (van de heer Drèze)

De Europese Commissie heeft de FOD Financiën om nadere inlichtingen verzocht over de werking van de Dienst Voorafgaande Beslissingen. Zij wil nagaan of de fiscale stimuli aan de bedrijven kunnen worden gelijkgesteld met staatssteun. De Commissie richt het vizier vooral op artikel 185 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dat bepaalt dat de winst over verscheidene vennootschappen van één groep mag worden verdeeld, waardoor de belastinggrondslag daalt. In welk stadium van de inbreukprocedure kadert dat verzoek? Kunt u een raming geven van de bedragen die ermee gemoeid zijn?

 

VRAAG (van de heer Devlies)

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het punt is door de andere leden voldoende ingeleid. Ik zal derhalve concreet mijn vragen stellen. Welk gevolg zal u geven aan de vragen van de Europese Commissie? In welke lidstaten van de Europese Unie is het arm's length-principe in de fiscale wetgeving opgenomen? Is artikel 185, § 2 van het WIB in overeenstemming met de Grondwet, die bepaalt dat enkel op basis van een wet belastingvoordelen kunnen worden toegekend? Hoeveel uitspraken van de DVB werden enkel op artikel 185, § 2 van het WIB gebaseerd? Ik heb nog een vraag die veeleer statistisch van aard is en die u ook schriftelijk mag beantwoorden. Hoeveel beslissingen door de DVB die op artikel 185, § 2, van het WIB zijn gebaseerd, werden openbaar gepubliceerd voor de jaren 2007 tot en met 2013? Indien mogelijk, kreeg ik zelfs graag de cijfers voor de jaren 2004 tot en met 2013. Hoeveel beslissingen werden in het jaarverslag collectief gepubliceerd voor de jaren 2007 tot en met 2013? Indien mogelijk, kreeg ik zelfs graag de cijfers voor de jaren 2004 tot en met 2013.

 

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Er werd ons in het kader van een voorafgaand onderzoek van de Europese Commissie over de fiscale rulingprocedures in verscheidene lidstaten een vragenlijst overgezonden. Er wordt informatie gevraagd over artikel 185 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Het antwoord bevat een technische analyse van de conformiteit van dat artikel met de OESO-beginselen inzake verrekenprijzen.

Ondertussen is er dus een antwoord verstrekt op deze vragenlijst. Aangezien deze vragenlijst past in een algemene bevraging van de rulingprocedures in diverse landen, bevat het antwoord een technische analyse met betrekking tot de conformiteit van artikel 185, § 2, b met de OESO-richtlijnen inzake verrekenprijzen. U begrijpt dat we nog geen reactie van de Commissie hebben gekregen. Deze bepaling is ingevoerd door de wet van 21 juni 2004 met het oog op het vermijden van elke vorm van dubbele belasting. Daartoe wordt op basis van het arm's length-principe en overeenkomstig de OESO principes inzake transfer pricing de belastbare winst in België in voorkomend geval gecorrigeerd. Een dergelijke correctie is afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat daartoe een voorafgaande beslissing wordt verkregen. Bij het nemen van die beslissing moeten de principes van het zogenaamde arbitrageverdrag en van de internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting worden gerespecteerd. Er bestaat dus geen verband met de budgettaire maatregelen waarnaar u verwijst. In zijn jaarverslagen vermeldt de Dienst Voorafgaande Beslissingen de onderwerpen die een bijzondere toelichting vergen. Ik verwijs dan ook naar de jaarverslagen van 2009 en 2010 van de Dienst Voorafgaande Beslissingen, waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de toepassing van het bewuste artikel. Er is dus geen sprake van geheime beslissingen. Om redenen van herkenbaarheid en teneinde het beroepsgeheim niet te schenden worden deze rulings niet individueel gepubliceerd. Rekening houdend met dit principe en met het feit dat geen enkele voorafgaande beslissing uitsluitend gebaseerd is op het voornoemd artikel, kan eveneens verwezen worden naar de site van de FOD Financiën onder Fisconetplus, waar op anonieme wijze twee beslissingen uit 2007, twee beslissingen uit 2008, twee beslissingen uit 2009 en een beslissing uit 2010 zijn terug te vinden. Inzake de toegang tot de Dienst Voorafgaande Beslissingen voor kmo's, verwijs ik naar het antwoord dat ik reeds meermaals in deze commissie heb gegeven. Uit de statistieken van de rulingcommissie blijkt dat er meer aanvragen gebeuren door kmo's dan door grote ondernemingen. De drempel van de rulingcommissie blijkt voor deze doelgroep dus niet te hoog te zijn. Mijns inziens is er vandaag dan ook geen nood aan een aparte commissie.

 

CONCLUSIE (van de heer Gilkinet)

Het gaat dus om een algemeen onderzoek bij alle lidstaten die gebruikmaken van ruling, wat eerdere berichten in dat verband enigszins nuanceert. Ik vind het goed dat de Commissie zich over die kwestie buigt. Toch blijven er vragen bij de werking van de Dienst Voorafgaande Beslissingen die als een soort wetgever optreedt, bij de openbaarheid van zijn adviezen en bij de impact ervan op de openbare financiën. Het zou goed zijn de wet te verduidelijken, zeker omdat de huidige onduidelijkheid de wet te gul maakt ten aanzien van bepaalde actoren.

 

 

CONCLUSIE (van mevrouw Wouters)

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is duidelijk dat het eerder een technische vragenlijst was om de situatie in België te kunnen vergelijken met de andere landen. In het kader van de toegankelijkheid van de rulingdienst zegt u dat er meer aanvragen van kmo's komen. Ik denk dat het belangrijk is dat ook kmo's en zelfstandigen toegang hebben. De werking van de rulingdienst mag wat meer bekendheid en transparantie krijgen bij de bevolking. Dat zou ook een oplossing kunnen zijn. U zegt dat die rulings niet met naam en toenaam kunnen worden gepubliceerd. Ik begrijp dat, maar iets meer transparantie zou hierbij ook kunnen helpen. Ik ben blij dat de vraag van de kmo's groter wordt. Ik vind dat de rulingdienst voor alle belastingplichtigen toegankelijk moet zijn.

 

CONCLUSIE (van de heer Drèze)

U zegt dat er meer aanvragen zijn vanwege kmo's, maar is dat in absolute cijfers of proportioneel? Zou men op grond van anonieme gegevens en met inachtneming van het beroepsgeheim kunnen nagaan of de ruling op een redelijke manier gebeurt?

 

De voorzitter: We ontvangen hier regelmatig mensen van de Dienst Voorafgaande Beslissingen om dergelijke informatie te verkrijgen. We zullen dat nog doen, zodra de mogelijkheid zich aanbiedt.

 

CONCLUSIE (van de heer Devlies)

Ik leid uit het antwoord van de minister af dat het belang van artikel 185, § 2 van het WIB relatief is, gelet op het feit dat blijkbaar geen enkele beslissing uitsluitend gebaseerd werd op artikel 185, § 2 en dat telkens ook andere elementen en regels werden ingebracht om tot een beslissing te komen. Dat is een belangrijk gegeven bij de beoordeling van dit dossier.