Nummer S 33/02-08 - Historiek
Summary :
Bewijs van de oprechtheid
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Nummer S 33/02-08 - Historiek
Document
Search in text:
Properties
Document type : Comments Title : Nummer S 33/02-08 - Historiek Document date : 17/02/2011 Document language : NL Name : S 33/02-08 - Historiek Version : 1
Rep. RJ - Nummer S 33/02-08 Historiek
Huidige versie Nummer S 33/02-08 02. - Bewijs van de oprechtheid 08. - De erfgenaam houdt voor dat hij een onderhandse lening had toegestaan aan wijlen zijn echtgenoot voor de aankoop van zijn deel in de gezinswoning waarvan de aankoopprijs volledig betaald werd via de bankrekening van de erfgenaam. Artikel 33 W.Succ. bepaalt dat de schulden aangegaan door de overledene ten behoeve van zijn erfgenamen niet aanvaard worden als passiefpost in de nalatenschap tenzij: - het bewijs van hun echtheid door de aangevende partijen wordt ingebracht, bewijs dat door alle middelen van gemeen recht, ook door getuigen en vermoedens, met uitsluiting van de eed, kan geleverd worden (artikel 33, vierde lid, 1° W.Succ.); - de schulden tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed, dat op de dag van het afsterven van de overledene tot dezes boedel behoorde (artikel 33, vierde lid, 2° W.Succ.). Ingevolge artikel 33 W.Succ. moet de erfgenaam bewijzen dat het hier wel degelijk ging om een schuld en dat deze schuld echt is teneinde op de uitzonderingsbepaling van art. 33, vierde lid, 1° W.Succ. te kunnen beroep doen. De rechtbank stelt vast dat: - er geen leningscontract tussen de erfgenaam en wijlen zijn echtgenoot wordt voorgelegd; - de brief uitgaande van de overledene aan de administratie der directe belastingen, waarin deze éénzijdig verklaart dat de erfgenaam hem het nodige geld heeft geleend voor de aankoop van zijn deel in het onroerend goed, slechts een éénzijdige verklaring betreft. Een eenvoudige verklaring uitgaande van de overledene maakt op zich geen bewijs van een schuld uit (zie Rb. Doornik 10 januari 1994, Rec.gén.enr.not. 1994, nr. 24.362); - ook het feit dat de oorsprong van de gelden afkomstig was van de erfgenaam, toont niet aan dat de erfgenaam een lening heeft toegestaan aan de overledene. Derhalve is niet voldaan aan de opgelegde bewijslast. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 17 februari 2011, bevestigd door arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 19 maart 2013 - bl. nr. E.E./103.372) ---------- JULI 2013 - 210/6
Vorige versie Nummer S 33/02-08 02. - Bewijs van de oprechtheid 08. - De erfgenaam houdt voor dat hij een onderhandse lening had toegestaan aan wijlen zijn echtgenoot voor de aankoop van zijn deel in de gezinswoning waarvan de aankoopprijs volledig betaald werd via de bankrekening van de erfgenaam. Artikel 33 W.Succ. bepaalt dat de schulden aangegaan door de overledene ten behoeve van zijn erfgenamen niet aanvaard worden als passiefpost in de nalatenschap tenzij: - het bewijs van hun echtheid door de aangevende partijen wordt ingebracht, bewijs dat door alle middelen van gemeen recht, ook door getuigen en vermoedens, met uitsluiting van de eed, kan geleverd worden (artikel 33, vierde lid, 1° W.Succ.); - de schulden tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed, dat op de dag van het afsterven van de overledene tot dezes boedel behoorde (artikel 33, vierde lid, 2° W.Succ.). Ingevolge artikel 33 W.Succ. moet de erfgenaam bewijzen dat het hier wel degelijk ging om een schuld en dat deze schuld echt is teneinde op de uitzonderingsbepaling van art. 33, vierde lid, 1° W.Succ. te kunnen beroep doen. De rechtbank stelt vast dat: - er geen leningscontract tussen de erfgenaam en wijlen zijn echtgenoot wordt voorgelegd; - de brief uitgaande van de overledene aan de administratie der directe belastingen, waarin deze éénzijdig verklaart dat de erfgenaam hem het nodige geld heeft geleend voor de aankoop van zijn deel in het onroerend goed, slechts een éénzijdige verklaring betreft. Een eenvoudige verklaring uitgaande van de overledene maakt op zich geen bewijs van een schuld uit (zie Rb. Doornik 10 januari 1994, Rec.gén.enr.not. 1994, nr. 24.362); - ook het feit dat de oorsprong van de gelden afkomstig was van de erfgenaam, toont niet aan dat de erfgenaam een lening heeft toegestaan aan de overledene. Derhalve is niet voldaan aan de opgelegde bewijslast. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 17 februari 2011 - bl. nr. E.E./103.372) ---------- JANUARI 2012 - 210/6
|
|||||||