Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008
Summary :
vennootschapsbelastin
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008
Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008
Document
Search in text:
Properties
Document type : Parliamentary questions Title : Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008 Document date : 23/06/2008 02:44:00 Publication date : 22/07/2008 02:44:00 Keywords : vennootschapsbelasting / renteloze lening / voordeel / voordeel van alle aard / voordeel anders dan in geld behaald / beroepskosten / voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten Document language : NL Name : Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008 Version : 1 Question asked by : Guido De Padt
Parlementaire vraag nr. 240 van de heer De Padt dd. 23.06.2008
Vennootschapsbelasting Renteloze lening Voordeel Voordeel van alle aard Voordeel anders dan in geld behaald Beroepskosten Voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten
VRAAG
Artikel 18 KB/WIB 1992 voorziet in een forfaitaire raming van de voordelen van alle aard. Zo wordt jaarlijks een tarief bepaald voor renteloze niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd. Bij koninklijk besluit van 25 februari 2008 werd dit tarief op 10,4% bepaald voor het jaar 2007.
In de commissie voor de Financiën en de Begroting verklaarde u dat dit tarief gebaseerd werd en was, op de jaarlijks ingewonnen cijfers van de voordeligste rentevoeten gehanteerd door de banken en verzekeringsinstellingen via hun overkoepelende instellingen Febelfin en Assuralia (mondelinge vraag nr. 1486 van volksvertegenwoordiger Carl Devlies van 23 januari 2008, CRIV 52 COM 078, blz. 30).
Indien een onderneming intresten moet betalen aan bijvoorbeeld haar bedrijfsleiders of aan derden, omdat deze een lening hebben verstrekt aan de onderneming, wordt de aftrek hiervan vaak fiscaal geheel of gedeeltelijk verworpen en soms geherkwalificeerd. Dit omdat de aangerekende intrest naar het oordeel van de controlerende ambtenaar als overdreven wordt beschouwd.
1. a) Erkent u dat de intrestvoeten bepaald krachtens artikel 18 KB/WIB 1992 marktconform zijn, en als leidraad mogen worden gebruikt in het geval een onderneming intresten betaalt aan derden, zodat deze intresten fiscaal aftrekbaar zijn?
b) Zo neen, waarom niet?
2. Acht u het noodzakelijk om maatregelen te nemen om aan bovenstaande problematiek tegemoet te komen?
ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)
Ik kan het geachte lid meedelen dat artikel 55 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitdrukkelijk vastlegt in welke mate interest van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen als beroepskosten wordt aangemerkt. Concreet kan worden gesteld dat voor de toepassing van voormeld artikel 55 de als beroepskosten aftrekbare interest voor elke belastingplichtige en voor elke kredietverrichting afzonderlijk moet worden bepaald, daarbij rekening houdende met de voorhanden zijnde criteria die de hoogte van de financiële vergoeding kunnen beïnvloeden.
Het komt de belastingplichtige toe te bewijzen dat de rente die hij betaalt niet hoger ligt dan een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet en dit rekening houdend met de feitelijke omstandigheden van de bekomen kredietverstrekking. Ter zake kan worden verwezen naar de administratieve commentaar op dit artikel.
Bijgevolg kan ik mij dan ook uiteraard niet aansluiten bij het door het geachte lid gedane voorstel dat de belastingplichtige gebruik kan maken van jaarlijks de forfaitair vastgestelde referentierentevoeten zoals opgenomen in artikel 18, § 3, punt 1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Het antwoord op beide vragen luidt dan ook ontkennend. |
|||||||