Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

Date :
18-06-2015
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Regulation
Type :
Parliamentary questions
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Bewijs artikel 13 van het Wetboek van Successierechte

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015 (Brussels Hoofdstedelijk G...
Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015 (Brussels Hoofdstedelijk G...
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
Comments :
Document date : 18/06/2015
Keywords : gelijkstelling met een legaat / vermoeden van bevoordeling / verkrijging van vruchtgebruik door overledene / verkrijging van blote eigendom door derde / effecten / vruchtgebruik / belastbare grondslag / vrijstelling of vermindering / tegenbewijs / Brussel / Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Document language : NL
Name : Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015
Version : 1
Question asked by : Olivier de Clippele

Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Olivier de Clippele dd. 18.06.2015

Vragen en Antwoorden, Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2014-2015, nr. 10 dd. 15.09.2015, blz. 110

Bewijs artikel 13 van het Wetboek van Successierechten

 

VRAAG

De toepassing van artikel 9 van het Wetboek van Successierechten wordt getemperd in zoverre de overledene daadwerkelijk zijn vruchtgebruik heeft genoten.

Het bewijs daarvan kan « door alle gewone rechtsmiddelen, ook door getuigen en vermoedens » worden bijeengebracht (artikel 13 van het Wetboek van Successierechten).

Ik heb vernomen dat het bestuur, wat het bewijs van het vruchtgebruik betreft, een verschil maakt tussen de erfenissen. Sommige besturen zijn van oordeel dat het feit dat het vruchtgebruik ingeschreven is bij de registratie, de bewaring van hypotheken en het kadaster voldoende is, maar andere besturen vragen om extra bewijzen.

Bovendien worden er soms extra bewijzen geëist wanneer een van de kinderen (blote eigenaars) in het goed woont waarvan het vruchtgebruik gereserveerd was door de overledene.

Volgens mij kan men nochtans op volkomen wettelijke wijze het vruchtgebruik van een goed hebben en er zijn kind, partner of echtgenoot gratis laten wonen. Het is niet omdat men geen huur heeft geïnd dat men geen gebruikmaakt van zijn vruchtgebruik.

Aangezien artikel 9 geen matiging in de tijd kent, is het bovendien moeilijk om bewijzen bijeen te brengen, wanneer sommige vruchtgebruiken meer dan 10 jaar oud zijn.

Bent u op de hoogte van die ongelijke toepassingen?

 

ANTWOORD

In antwoord op deze schriftelijke vraag kan ik de geachte volksvertegenwoordiger de volgende elementen van antwoord meedelen die mij werden overgemaakt door de federale Algemene Administratie van Patrimoniale Documentatie.

Artikel 9 van het Wetboek der successierechten (WS) stelt een wettelijk vermoeden in waardoor bepaalde akten of verrichtingen die erin worden beschreven, worden beschouwd als een bevoordeling door de erflater aan de medecontractant, daar zij ertoe leiden dat de eigendom van bepaalde goederen die geacht worden deel uit te maken van de nalatenschap van de erflater gesubstitueerd wordt door een levenslang recht dat uitdoofde door diens overlijden (zie ook vraag nr. 53).

Dit wettelijk vermoeden laat echter een tegenbewijs toe, dat door alle gewone rechtsmiddelen kan worden aangebracht, getuigen en vermoedens inbegrepen (zie artikelen 9, 12 en 13 WS).

Wat het tegenbewijs betreft, stelt artikel 9 WS enkel dat moet worden bewezen dat de verkrijging (of inschrijving) geen bedekte bevoordeling ten behoeve van een derde is.

Dit komt erop neer dat wordt vastgesteld dat de handeling tot verkrijging (of inschrijving) van het vruchtgebruik in hoofde van de erflater oprecht was en niet louter was ingegeven om de verkrijger van de naakte eigendom later geen successierechten te doen betalen.

De wet preciseert niet hoe bewezen moet worden de verkrijging (of inschrijving) geen bedekte bevoordeling is.

De Administratie aanvaardt echter, bij verkrijging ten bezwarende titel van het vruchtgebruik door de erflater en van de blote eigendom door een derde, dat het bewijs dat deze laatste over de nodige sommen beschikte voor de verkrijging van de blote eigendom alsmede van het bewijs dat deze sommen hebben gediend voor de verkrijging van deze naakte eigendom, voldoende zijn om aan te tonen dat de gesplitste verkrijging geen bevoordeling zijn in de zin van artikel 9 WS.

Het lijkt voor de hand liggend dat dit bewijsmiddel niet kan worden uitgebreid tot andere gevallen van bevoordeling, zoals wanneer één der kinderen (blote eigenaar) kosteloos verblijft in het goed waarvan de erflater vruchtgebruiker was. Deze situatie versterkt daarentegen het vermoeden van bevoordeling (artikel 9 WS); en dat bewijs is zelfs onvoldoende om er de draagwijdte van te verzachten (artikel 12 WS).

Met deze nuance dat de vruchtgebruiker een gebruik zonder vergoeding aan de naakte eigenaar had kunnen toestaan voor een andere reden dan een bevoordeling. De ware reden van het gebruik zonder vergoeding dient dan geval per geval te worden nagegaan.

De loutere vermelding van het bestaan van het vruchtgebruik in de registers van de registratie en hypotheekbewaarders of het kadaster is uiteraard onvoldoende, om het vermoeden van bevoordeling om te keren of de draagwijdte ervan te verzachten.

Wat de effecten over langere periodes betreft, bevestigt de Administratie dat het bewijs dat de verrichting geen bevoordeling betreft, kan worden aangebracht van zodra de verrichting bedoeld in artikel 9 WS wordt geregistreerd, zonder dat men dient te wachten dat dit artikel uitvoerbaar wordt, dit wil zeggen op dag van overlijden van de vruchtgebruiker. Indien de aangebrachte bewijzen afdoende zijn, wordt dit vermeld in de documenten waardoor artikel 9 WS niet meer zal worden ingeroepen bij het openvallen van de nalatenschap van de titularis van het vruchtgebruik.

Daarentegen, wanneer het vermoeden van bevoordeling niet kan worden weerlegd, kunnen de bewijzen (wanneer de overledene werkelijk het levenslang recht genoten heeft) om te genieten van de vermindering van de belastbare grondslag bedoeld in artikel 12 WS, pas worden aangebracht op de dag dat dit genot heeft opgehouden, dus na het overlijden van de erflater indien deze laatste van het goed heeft genoten tot zijn overlijden.

Wat voorafging zal via een mededeling worden herinnerd aan alle betrokken kantoren. Indien de geachte Volksvertegenwoordiger echter verwijst naar een particulier dossier, kan hij zich rechtstreeks richten tot de Algemene Administratie van Patrimoniale Documentatie.