Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.01.2000

Date :
10-01-2000
Language :
French Dutch
Size :
5 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Verjaring,Bewijskracht boekhouding,Omzet

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.01.2000
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.01.2000
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.01.2000
Tax year : 2005
Document date : 10/01/2000
Keywords : Verjaring / Bewijskracht boekhouding / Omzet
Document language : NL
Name : BR1 00/1
Version : 1

ARREST BR1 00/1


Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.01.2000



Verjaring - Bewijskracht boekhouding - Omzet

    De vordering tot voldoening van de B.T.W. van de B.T.W.-administratie verjaart na verloop van vijf jaar. Deze termijn begint te lopen op het ogenblik dat de B.T.W.-belastingplichtige zijn periodieke B.T.W.-aangifte moet indienen en de eventuele verschuldigde B.T.W. moet betalen. Deze termijn kan gestuit worden door o.m. het tekenen van een akte van afstand van de verlopen tijd van verjaring.De eiser in deze kocht regelmatig goederen aan waarvoor de verkoper geen factuur uitreikte. Daardoor werden de aankopen van deze goederen niet in de boekhouding ingeschreven. Deze overtreding zorgt ervoor dat de boekhouding niet bewijskrachtig meer is, waardoor zij niet als tegenbewijs kan worden ingeroepen tegen de door de B.T.W.-administratie opgelegde omzetverhoging.



Vierde kamer

Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers
Gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst
Partij: Salvatore Fabio t. De Belgische Staat
Rolnr.: 91/2656/A

 


RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dd. 20.06.1991.


Gelet op het tussenvonnis dd. 26.04.1999 van de vijfde kamer van deze rechtbank.


Gelet op het getuigenverhoor gehouden in de raadkamer van de vijfde kamer van deze rechtbank dd. 27.09.1999.


Gelet op de verwijzing van deze zaak dd. 22.11.1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.


De zaak werd hernomen voor de huidige samenstelling van de zetel.


De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.


Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 13.12.1999.


Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.


II 
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De Rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis dd. 26.04.1999.


III 
BEOORDELING 1 
nopens de verjaring van de vordering van de BTW-administratie

Artikel 81 WBTW. stelt dat de vordering tot voldoening van de belasting verjaart door verloop van 5 jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. Eiser houdt onterecht voor dat wat betreft de beweerdelijk niet aangegeven belastbare feiten van voor 24 april 1986 , de vordering van de BTW-administratie is verjaard bij gebrek aan een geldige stuiting zoals voorzien in artikel 83 van het WBTW.


De Rechtbank stelt vast dat, indien de belastingplichtige gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, het uitgangspunt van de verjaringstermijn het tijdstip is gesteld voor het indienen van deze aangiften zoals dit bepaald is krachtens het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969, aangezien de verschuldigd geworden BTW. voldaan moet worden binnen de termijn gesteld voor de indiening van de aangifte.


De Rechtbank stelt vast dat eiser kwartaalaangiften indiende overeenkomstig hogervernoemd K.B. nr. 1. Aldus ontstond de vordering, gelet op de gecontroleerde periode vanaf 1 januari 1986, in casu op 20 april 1986 (aangifte eerste kwartaal 1986 in te dienen uiterlijk op 20 april 1986). De vordering, waarvan de verjaring ondertussen werd gestuit door de op 15 april 1991 ondertekende akte van afstand van de verlopen tijd van verjaring (stuk 21 van verweerster) en door de kennisgeving van het dwangbevel op 16 april 1991 (stuk 3 van verweerster), verjaarde dus ten vroegste op 20 april 1991.



nopens het werkelijk karakter van de leveringen van de koffie vermeld op de 0-facturen

- Naar aanleiding van een BTW-toezicht bij de N.V. Koffiebranderij Paulista te Brussel werd vastgesteld dat deze laatste, goederen bestemd voor eiser, op 2 manieren heeft gefactureerd. Enerzijds werden de facturen uitgereikt waarop de handelsbenaming en het BTW-nummer voorkwamen en anderzijds werden er facturen opgesteld waarop de familienaam van eiser en het cijfer "0" werden vermeld (stuk 8 van verweerster).


De heer Deprez , in zijn hoedanigheid van directeur van de N.V. Paulista, heeft omtrent voormelde vaststellingen aan de verbaliserende ambtenaren van de controledienst van de BTW. verklaard dat de "O"-facturen niet aan de klanten werden gegeven of opgestuurd vermits ze contant werden betaald, dat de goederen werkelijk bestemd waren voor de geadresseerden van de "O"-facturen en dat kwestieuze bestellingen, leveringen en betalingen gebeurden langs de heer Van De Keere Jean-Claude (stuk 7 van verweerder).


Uit nazicht van "O"-facturen op naam van "Salvatore", Kapellestraat 21, 8400 Oostende blijkt dat het gaat om volgende bedragen: 171.335,- Bf. in 1986, 118.185,- Bf. in 1987 en 122.816,- Bf in 1988 (of in totaal 604 kilogram koffie).


Van deze vaststellingen werd op 20 april 1990, door de heren De Smet en Moens , resp. hoofdcontroleur ad interim en adjunct-verificateur bij de administratie van de BTW, verbonden aan de eerste controle van de opsporings- en documentatiediensten te Brussel, proces-verbaal opgesteld (stuk 7 van verweerder). Dit proces-verbaal werd samen met het proces-verbaal van 15 maart 1991 (BTW-controle bij eiser) en het dwangbevel aan eiser betekend.


- Mevrouw Rondele die werkzaam was als bediende in de boekhouding van de N.V. Paulista heeft tijdens het getuigenverhoor gehouden op 27.09.1999 bevestigd dat de facturatie op "Salvatore " voortvloeit uit het door Van De Keere opgegeven klantennummer.


Tevens blijkt uit het gehouden getuigenverhoor dat Van De Keere niet tussenkwam in de facturatie. Zij werd verzorgd door de boekhoudingsdienst van de firma Paulista en dit op basis van de door hem verstrekte kladnota's met opgave van de 2 klantennummers, één voor de officiële leveringen en één voor de "O"-facturen. Het klantennummer volgens de "O"-facturen van tea-room Salvatore was 3151.


Verschillende verantwoordelijken van de N.V. Paulista hebben verklaard dat de "0"-facturen opgemaakt werden op basis van de gegevens verstrekt door de vertegenwoordigers.


Het komt de Rechtbank weinig geloofwaardig voor dat Van De Keere nu komt getuigen dat vermoedelijk de N.V. Paulista een verkeerde naam verbonden heeft aan het klantennummer 3151 en dat de "O"-facturen op naam van eiser zeker niet voor deze laatste bestemd waren nu hij niet zegt wie er dan wel afnemer zou geweest zijn, nu het klantennummer voor de "O"-facturen van eiser sinds jaren bekend was bij de N.V. Paulista en nu hij tijdens datzelfde getuigenverhoor bevestigt dat hij zich nooit heeft vergist bij de doorgave van de klantennummers aan de firma Paulista.


Daarenboven dient de Rechtbank vast te stellen dat het adres van levering en facturatie op de "O"-facturen tevens het uitbatingsadres is van eiser, dat de naam van de klant vermeld op de "O"-facturen gelijk is aan de naam van eiser, dat de aard van de goederen identiek is aan deze die gewoonlijk worden geleverd aan eiser, dat de regelmaat van leveringen bevestigd wordt door de opeenvolging van facturatiedata, dat de hoeveelheid goederen niet kunnen bestemd zijn voor het uitsluitend privégebruik van eiser en dat de ondertekende regularisatieopgave inzake de jaren 1986 & 1987 wijst op een bepaalde gedragswijze van eiser.


- Ingevolge de vastgestelde overtredingen bij de N.V. Paulista werden door de meeste afnemers fiscale compromissen afgesloten. Van de verrichte controles door de regionale controlekantoren waren op 18 februari 1992 reeds 68 dossiers met akkoord afgesloten (stuk 24 van verweerster). Voor de overige afnemers die niet bereid waren tot een minnelijke regeling werd een proces-verbaal opgesteld en betekend. In slechts 2 gevallen in de provincie West-Vlaanderen, onderhavig geding inbegrepen, zou de vordering betwist worden.


- Eiser stelt dat, indien men de realiteit van de nul-gefactureerde leveringen koffie zou aannemen, dit zou betekenen dat eiser in bepaalde maanden tot zevenmaal toe koffie zou besteld hebben met tussenperiodes van amper enkele dagen, dat eiser regelmatig zijn wekelijkse rustdag zou opofferen om koffie in ontvangst te nemen en dat eiser zelfs daarvoor thuis zou blijven tijdens zijn jaarlijkse vakantie.


De Rechtbank stelt vast dat de factuurdatum niet steeds overeenstemt met de datum van effectieve levering. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige van deze facturen gefactureerd werden op een andere dag dan de woensdag, zijnde de dag waarop de leveringen normaal plaatsvonden. De mogelijkheid bestaat trouwens ook dat de goederen telefonisch werden besteld op dinsdag en dat deze dag als factuurdatum wordt weerhouden, terwijl de effectieve levering op woensdag gebeurde. Bovendien is het zo dat Van De Keere woonachtig is aan de kust zodat hij vermoedelijk geregeld in Oostende passeerde en in staat was om eiser zonder veel moeite te bevoorraden op diverse tijdstippen.


De Rechtbank kan inderdaad met eiser akkoord gaan dat indien documenten bij derden (N.V. Paulista) worden gevonden, zij in principe niet tegen de belastingplichtige (eiser) kunnen ingeroepen worden, indien deze er de juistheid van betwist. Zij zullen echter wel tegen hem kunnen gebruikt worden indien het om stukken gaat die dergelijke aanwijzingen bevatten omtrent veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen, in casu ongeveer 113 facturen, zodat er geen reden meer bestaat om aan de ernst en de waarachtigheid te twijfelen. (zie stuk 31 van verweerster - Arrest Hof van Beroep te Brussel dd. 1 maart 1988).


- Eiser heeft in een op 22 december 1988 ondertekende en door hemzelf goedgekeurde correctieopgave erkend dat zijn zakencijfer in 1986 650.000,- Bf. hoger was dan hetgeen in zijn boekhouding vermeld stond en dat hij voor het jaar 1987 een niet aangegeven omzet heeft gerealiseerd ten belope van 87.000,- Bf. op grond van contante aankopen die niet in zijn boekhouding waren opgenomen (stuk 9 en 10 verweerder).


Derhalve bestaat er een krachtig vermoeden dat eiser niet terugdeinst om ongefactureerde goederen aan te kopen. Dit heeft voor gevolg dat de boekhouding van eiser niet meer bewijskrachtig is, zodat zij niet als tegenbewijs kan worden ingeroepen tegen de in artikel 59 en 64 WBTW. bedoelde feitelijke vermoedens die leiden tot omzetverhoging.


In dezelfde zin oordeelde het Hof van Beroep te Gent op 21 september 1998 waar zij stelt dat indien de voorgebrachte boekhouding niet het karakter vertoont van een getrouwe weergave van alle gedane verrichtingen zij niet als tegenbewijs kan dienen voor een eventuele meeromzet.


- Ingevolge artikel 64 § 1 WBTW. wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Artikel 64 § 2 WBTW. bepaalt dat hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht wordt dit te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.


In die gedachtengang is het volkomen logisch dat verweerster de verhoging van het omzetcijfer wegens de niet ingeschreven aankopen van koffie berekend heeft volgens de vigerende norm van 150 consumpties per kilogram, vermenigvuldigd met de eenheidsprijs (zie stuk 1 pagina 13 van verweerster). De verbalisant Schallier Robert kon zich beperkt houden tot deze forfaitaire berekening van het omzettekort maar om zijn standpunt te verduidelijken heeft hij zich bovendien de moeite getroost om een subsidiaire nevenberekening van het omzettekort te maken op basis van het gemiddeld koffiegebruik, de gemiddelde bezetting en het aantal openingsdagen van de tearoom.


Rekening gehouden met de argumentatie van eiser dient het globale omzettekort volgens de subsidiaire nevenberekening minimaal bepaald te worden op 1.786.154,- Bf., exclusief BTW., zoals omstandig is uiteengezet op pagina 7, 8 en 9 van de tweede besluiten van verweerster. Van dit omzettekort dient uiteraard de spontane regularisatie van 650.000,- Bf. voor het jaar 1986 en 87.000,- Bf. voor het jaar 1987 afgetrokken te worden zodat het nog te realiseren omzettekort alsdan wordt herleid tot 1.049.154,- Bf.. De berekening van dit tekort wordt blijkbaar door eiser niet weerlegd.


- De verrichte vaststellingen in het proces-verbaal van 15 maart 1991 naar aanleiding van een BTW-controle bij eiser, dat samen met het op 11 april 1991 uitgevaardigde dwangbevel bij aangetekend schrijven aan eiser werd betekend, maken derhalve een bewijskrachtig geheel uit van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, zoals bedoeld in artikel 59 WBTW., die de effectieve leveringen van de goederen, vermeld op de "O"-facturen van de N.V. Paulista, bewijzen en waardoor tot de verschuldigdheid van de belasting kan worden besloten.



nopens de aansprakelijkheid van de overheid voor de fouten van haar aangestelde

Eiser houdt voor dat door de hoge graad van willekeur en onnauwkeurigheid de gevoerde procedure van het dwangbevel een tergend en roekeloos karakter krijgt waardoor verweerster een fout beging in de zin van art. 1382 van het burgerlijk wetboek en waardoor eiser schade heeft geleden.


Bovendien is eiser door de procedure van het dwangbevel genoodzaakt geweest talrijke uren te spenderen aan het opzoeken en naberekenen van wat van meet af aan foute gegevens bleken te zijn. Hij heeft hiervoor moeten beroep doen op de bijstand van zijn accountant.


De Rechtbank stelt vast dat er enkele materiële misslagen m.b.t. de subsidiaire nevenberekening door de verbalisant zijn gebeurd. Deze vergissingen die gedeeltelijk voortspruiten uit verkeerde inlichtingen van eiser, zijn echter zonder enige invloed geweest op de uiteindelijke taxatie en kunnen zeker niet met ambtelijke willekeur gelijkgesteld worden. Het staat immers vast dat de vordering van verweerster ongewijzigd gehandhaafd blijft nu de verschuldigde belasting berekend werd op grond van de hoeveelheid goederen vermeld op de "O"-facturen.


Dat de fiscale administraties ter vrijwaring van de rechten van de schatkist bewarende maatregelen genomen hebben is niet meer dan normaal en steunt enkel op het principe van goed bestuur.


De eis tot schadevergoeding dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden.


OM DEZE REDENEN,


DE RECHTBANK,


Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,


Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.


Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.


Veroordeelt eiser tot de gedingskosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerster begroot op 12.600,- Bf., uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding.


Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.