Voorafgaande beslissing nr. 500.344 dd. 02.03.2006
Summary :
Meerwaarde
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Voorafgaande beslissing nr. 500.344 dd. 02.03.2006
Document
Search in text:
Properties
Document type : Prior agreements L 24.12.2002 Title : Voorafgaande beslissing nr. 500.344 dd. 02.03.2006 Tax year : 0 Document date : 02/03/2006 Keywords : Meerwaarde Document language : NL Name : 500.344
Voorafgaande beslissing nr. 500.344 dd. 02.03.2006 Meerwaarde Samenvatting De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen omtrent het feit of de geplande inbreng tegen marktwaarde van de deelnemingen in de NV A, de NV B en de NV C door de dhrn. X en Y in twee nog op te richten holdingvennootschappen (oprichting van één holdingvennootschap per aanvrager) als een normale verrichting van beheer van privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) kan worden beschouwd. I. Voorwerp van de aanvraag 1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de geplande inbreng tegen marktwaarde van de deelnemingen in de NV A, de NV B en de NV C door de dhrn. X en Y in twee nog op te richten holdingvennootschappen (oprichting van één holdingvennootschap per aanvrager) als een normale verrichting van beheer van privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) kan worden beschouwd. II. Omschrijving van de verrichting II.A. Beschrijving van de activiteiten van de aanvragers en de betrokken vennootschappen 2. Dhrn. X en Y bezitten elk 50 % van de aandelen van de NV A en de NV B. 3. Dhr. X bezit eveneens 100 % van de aandelen van de NV C. 4. Bovendien is de NV C voor 50 % aandeelhouder in de BVBA D en de BVBA E. De overige 50 % van de aandelen zijn in handen van derden. II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting 5. Het voorstel waarover een voorafgaande beslissing wordt gevraagd omhelst de oprichting van twee nieuwe holdingvennootschappen "Holding X" en "Holding Y" door de inbreng in natura van de aandelen van de NV A, de NV B en de NV C door dhrn. X en Y (inbreng door de beide aanvragers van elk 50 % van de aandelen van de eerste twee vennootschappen en inbreng door dhr. X van 100 % van de aandelen van de derde vennootschap) in hun respectievelijk op te richten holdingvennootschap. 6. Om praktische en administratieve doeleinden is het niet uitgesloten dat beide holdingvennootschappen voorafgaand aan de inbrengen zullen worden opgericht. 7. De aanvragers zijn bereid het engagement aan te gaan dat gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng : 7.1. geen kapitaalvermindering zal worden doorgevoerd door de holdingvennootschappen; 7.2. geen kapitaalvermindering door de werkmaatschappijen (de NV A, de NV B en de NV C) zal worden doorgevoerd, tenzij die middelen door de holdingvennootschappen worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen; 7.3. de dividenduitkeringen door de werkmaatschappijen ten overstaan van vroeger niet zullen wijzigen (dit wil zeggen vóór de inbreng bij de holdingvennootschappen). Er mogen toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden gebruikt voor de betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor zover de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een lening of de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de uitkoop van sommige aandeelhouders. De terugbetaling van de lening of de aflossing van de rekening-courant moet echter wel over een voldoende lange periode worden gespreid (minimum 5 jaar); 7.4. de door de werkmaatschappijen betaalde management-fees, bedrijfsleidersbezoldigingen, enz…, zullen overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen. De geldstroom vanuit de werkmaatschappijen naar de holdingvennootschappen mag hoger zijn dan de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen, indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bvb. boekhouding, personeel,…) die vroeger op het niveau van de werkmaatschappijen werden verricht en voortaan door de holdingvennootschappen worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én markt-conform worden doorgerekend. 8. De verslagen met betrekking tot de waardering van de ingebrachte aandelen zullen worden overgemaakt van zodra deze beschikbaar zijn. III. Motivering van de aanvraag 9. De inbrengen van de aandelen van de NV A, de NV B en de NV C in twee nieuwe holdingvennootschappen zou heel wat voordelen opleveren. 10. Het is zonder meer duidelijk dat dhrn. X en Y hun samenwerking naar de toekomst toe, zowel op korte als middellange termijn wensen verder te zetten en aldus hun 50/50 aandelenverhouding in de werkmaatschappijen NV A en de NV B niet wensen te wijzigen. 11. Evenwel worden nieuwe investeringsprojecten overwogen, niet in de schoot van de bestaande werkvennootschappen, aangezien men enerzijds geen vermenging wenst met de huidige activiteiten, en anderzijds omdat dhrn. X en Y de mogelijkheid moeten kunnen hebben in te spelen op eventuele nieuwe opportuniteiten totaal onafhankelijk van elkaar. 12. Vooral dhr. X wenst zich in de toekomst, nog meer dan in het verleden, te gaan toeleggen op projectontwikkeling en aan- en verkoop van onroerend goed. Deze activiteit wordt nu reeds gedeeltelijk uitgeoefend via de NV C die participaties bezit in de voormelde BVBA D en de BVBA E. 13. De oprichting van twee nieuwe holdingvennootschappen waarin dhrn. X en Y de participaties die zij bezitten in de NV A, de NV B en de NV C inbrengen, veruitwendigt hun intentie om blijvend samen te werken, maar heeft bovendien als voordeel dat elk van beiden daarnaast nieuwe activiteiten (zoals het nemen van participaties) en strategieën volledig zelfstandig kan ontwikkelen en dit zonder mogelijke negatieve weerslag op de bestaande activiteit. 14. De voormelde inbrengtransacties hebben tenslotte als voordeel dat de financiële positie en de kredietwaardigheid van elk van beide vennootschappen op aanzienlijke wijze wordt versterkt, waardoor de mogelijkheid ontstaat de nodige garanties te kunnen verlenen om zowel de huidige activiteiten blijvend te ondersteunen als eventuele nieuwe investeringsprojecten op te starten en uit te bouwen. 15. De aanvragers zijn van mening dat de geplande verrichting beantwoordt aan een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen overwegende dat : 15.1. de inbrengen tegen marktwaarde van de deelnemingen in de NV A, de NV B en de NV C in de nieuw op te richten holdingvennootschappen louter een juridische reorganisatie, betreft; 15.2. hierbij op geen enkel ogenblik op korte en middellange termijn middelen worden onttrokken aan de groep en geen effectieve verrijking plaatsvindt van de initiële eigenaars; 15.3. de engagementen correct zullen worden nageleefd; 15.4. de waardering van de aandelen van de NV A, de NV B en de NV C zal worden bepaald door een externe adviseur gespecialiseerd in de waardering van ondernemingen of een revisor. IV. Beslissing 16. De inbreng van de aandelen van de NV A, de NV B en de NV C in de nog op te richten holdingvennootschappen moet als een verrichting worden beschouwd. 17. De meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd is niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1° WIB 92. 18. De aandelen zijn portefeuillewaarden als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92 en behoren tot het privé-vermogen van dhrn. X en Y. 19. Gelet op de engagementen vermeld in het punt 7. kan worden aangenomen dat de verrichting niet als hoofddoel belastingontwijking heeft. * Gelet op wat voorafgaat beslist het College van de DVB in zitting van 2 maart 2006 dat : 20. de in het vooruitzicht gestelde verrichting niet speculatief is; 21. gelet op de engagementen van de aanvragers (zie punt 7.) artikel 90, 1°, WIB 92 niet zal worden toegepast; 22. de beslissing slechts geldig is voorzover het verslag, dat de waarde van de aandelen van de NV A, de NV B en de NV C op het ogenblik van de overdracht aan de nieuw op te richten holdingvennootschappen weergeeft, van een externe revisor of accountant wordt overgemaakt aan de DVB. |
|||||||