Vraag nr. 123 van de heer De Croo dd. 21.04.1971

Date :
21-04-1971
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Regulation
Type :
Parliamentary questions
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Kleine en middelgrote ondernemingen,Boekhouding

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 123 van de heer De Croo dd. 21.04.1971
Vraag nr. 123 van de heer De Croo dd. 21.04.1971
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 123 van de heer De Croo dd. 21.04.1971
Tax year : 0
Document date : 21/04/1971
Keywords : Kleine en middelgrote ondernemingen / Boekhouding
Document language : NL
Modification date : 21/04/2006 10:05:42
Name : 71/123
Version : 1
Question asked by : De Croo

VRAAG 71/123

Vraag nr. 123 van de heer De Croo dd. 21.04.1971


Vr. en Antw., Kamer

Kleine en middelgrote ondernemingen - Boekhouding

VRAAG

    Ofschoon een inspanning werd gedaan om het boekhoudingswerk te vereenvoudigen dat door de BTW aan kleine handelaars en ondernemingen werd opgelegd, gaat dit voor het merendeel nog boven hun krachten.

    De handelsondernemingen staan evenwel nog steeds voor schrifturenwerk dat boven hun krachten ligt (schatten van inkomsten van één trimester, aangifte trimestrieel, houden van aankoop- en verkoopboek alsmede van het inventarisboek).

    Wij zijn van oordeel dat dringend maatregelen moeten genomen worden, om al deze mensen werkelijk te helpen.

    Waarom ook niet toelaten dat alle handelaars, ondernemers, enz. waarvan het jaarlijkse zakencijfer beneden de 5 miljoen ligt, zich mogen beperken tot het houden van een eenvoudig boek van de inkomende fakturen. De BTW zou berekend worden op de bruto-winst zoals deze bepaald wordt voor de inkomstenbelasting, en daarvan zou slechts nog alléén de BTW op de onkosten dienen afgetrokken.

ANTWOORD

    Zoals het geacht Lid het trouwens erkent, hebben verschillende beschikkingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van de in uitvoering hiervan genomen besluiten de taak van de kleine en middelgrote ondernemingen verlicht. Meer bepaald kan men in dit verband vermelden het stelsel van de egalisatiebelasting en de bijzondere landbouwregeling die in feite voor de kleine ondernemingen van de vijf voornaamste sectoren van de kleinhandel eensdeels en voor de forfaitaire landbouwondernemers anderdeels de toestand handhaven waarmee ze vertrouwd waren onder het stelsel van de overdrachttaks; zij moeten - althans voor 1971 wat de kleinhandelaars betreft - noch een boek voor inkomende facturen noch een boek voor uitgaande facturen houden.

    Daarenboven werden, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen forfaitaire grondslagen van aanslag vastgesteld voor de kleine ondernemingen van een twintigtal bedrijfsectoren waarvan de jaarlijkse omzet niet meer bedraagt dan 5 miljoen F. Het forfaitair stelsel ontslaat de kleine ondernemingen van de verplichting het bedrag van hun ontvangsten wegens de met particulieren, zonder factuur, afgesloten verrichtingen van dag tot dag nauwkeurig aan te tekenen; dit stelsel is overigens geïnspireerd door de regeling die op het stuk van de inkomstenbelastingen wordt gevolgd.

    Voor de andere kleine ondernemingen waarvan de jaarlijkse omzet niet meer bedraagt dan 5 miljoen F., worden de boekhoudkundige verplichtingen beperkt tot het houden van een boek voor inkomende facturen, een boek voor uitgaande facturen en, voor de verrichtingen met particulieren zonder uitreiking van facturen, een dagboek van ontvangsten.

    Voor zoveel als nodig wordt er aangestipt dat de administratie het opstellen van jaarlijke inventarissen niet zal eisen van ondernemingen, waarvan de jaarlijkse omzet niet meer bedraagt dan 10 miljoen F.

    De kleine ondernemingen, waarvan de omzet niet meer bedraagt dan 5 miljoen F. en waarvoor het geacht Lid belangstelling toont, zijn slechts verplicht, ongeacht of zij al dan niet onderworpen zijn aan de forfaitaire regeling, per kwartaal de aangifte in te dienen van het bedrag van hun belastbare handelingen.

    In tegenstelling met de inkomstenbelastingen wordt de BTW rechtstreeks aan de klanten in rekening gebracht, hetzij door middel van facturen, hetzij in de kleinhandelsfase en voor de aan particulieren verstrekte diensten, door de belasting op te nemen in de prijzen. De definitieve inning van de BTW dient zo vlug mogelijk na het afsluiten van de handelingen te worden verzekerd.

    Zowel voor de Staat als voor de belastingplichtigen zou het gevaarlijk zijn het stelsel van de kwartaalaangiften prijs te geven ten aanzien van de kleine ondernemingen; deze hebben in de regel de belasting van hun klanten reeds ontvangen en het is belangrijk dat ze deze aan de Staat storten zonder al te lang te wachten. Een lange termijn voor de betaling van de BTW toestaan zou de Staat van de hem onmisbare geldmiddelen beroven en hem blootstellen aan te belangrijke risico's van onvermogen van de belastingplichtigen of aan moeilijkheden op het stuk van de inning.

    Voor de sectoren waar geen forfaitaire grondslagen van aanslag bestaan, is het daarenboven niet mogelijk de weg op te gaan van forfaitaire berekeningen gebaseerd op individuele brutowinsten. In de mate dat voor de handelingen facturen moesten uitgereikt worden (het geval van nijveraars, groothandelaars, ondernemers van werken in onroerende staat, enz.) kan het globaal omzetcijfer alleen worden bepaald door middel van het boek voor uitgaande fakturen, en het gaat niet op dit werkelijk omzetcijfer door een fictief omzetcijfer te vervangen. Ten aanzien van de handelingen met particulieren zonder uitreiking van een factuur biedt het stelsel gebaseerd op individuele brutowinsten ernstige bezwaren: het vertraagt het ogenblik waarop de belasting definitief kan bepaald worden vermits de globale brutowinst eerst na het verstrijken van het jaar kan vastgesteld worden.

    Tegenover deze beschouwingen dient men zich aan de huidige oplossingen te houden; voor de ondernemingen, die niet aan een forfaitaire regeling zijn onderworpen, moet de kwartaalaangifte het werkelijk omzetcijfer aangeven zoals het blijkt uit de aantekeningen in het boek voor uitgaande fakturen of in het dagboek van ontvangsten. Redelijkerwijze kan het houden van een dagboek van ontvangsten voor de betrokken ondernemingen geen ernstige moeilijkheden medebrengen.