We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Besluit van de Vlaamse Regering over de regels voor de erkenning en subsidiëring van een partnerorganisatie als Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn

Date :
04-02-2022
Language :
French Dutch
Size :
7 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 2022031188

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° administrateur-generaal: de leidend ambtenaar van het agentschap;
  2° agentschap: het agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid";
  3° aanvrager: een rechtspersoon die een aanvraag tot erkenning als VIVEL indient;
  4° decreet van 26 april 2019: het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders;
  5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding;
  6° Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn, afgekort VIVEL: een partnerorganisatie als vermeld in artikel 19 van het decreet van 26 april 2019;
  7° zorgraad: een rechtspersoon als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 26 april 2019.

Hoofdstuk 2. Opdrachten
Artikel 2 Het VIVEL voert de volgende opdrachten uit:
  1° informatie en data ontsluiten en samenbrengen en die op een actieve manier ter beschikking stellen aan alle zorgaanbieders;
  2° empirisch onderbouwde strategieën, methodieken en implementatietools ontwikkelen:
  a) om de organisatie van de eerstelijnszorg te ondersteunen;
  b) met betrekking tot preventie in de eerste lijn;
  c) met betrekking tot mantelzorg;
  3° de zorgaanbieders adviseren, coachen, vormen en sensibiliseren;
  4° de zorgraden begeleiden bij hun personeelsadministratie, hun personeelsmanagement, hun boekhoudkundige verplichtingen en hun verenigingsrechtelijke verplichtingen, als aangewezen partnerorganisatie conform artikel 14, eerste lid, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 tot erkenning en subsidiëring van de zorgraden en houdende inwerkingtreding van het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders;
  5° een opleidingsaanbod voor alle zorgaanbieders ontwikkelen en uitvoeren om interprofessionele samenwerking te bevorderen;
  6° de kennis en de ondersteuning van de eerste lijn over de volgende materies uitbouwen:
  a) mantelzorg;
  b) preventie;
  7° innovatie in de eerstelijnszorg stimuleren;
  8° de toegankelijkheid en de kwaliteit van de eerstelijnszorg in het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bevorderen en opvolgen;
  9° de Vlaamse Gemeenschap en de eerstelijnszorg adviseren en ondersteunen als er maatregelen ter bestrijding van een gezondheidscrisis worden uitgevoerd;
  10° de Vlaamse Gemeenschap adviseren.
  Bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de specificiteit van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Dit houdt onder meer de ondersteuning in van de zorgraad in hun werking in het grootstedelijk beleid.
  De uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c), en 6°, a), worden door het agentschap geëvalueerd binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
  De opdrachten, vermeld in het eerste lid, worden volgens de volgende principes uitgevoerd:
  1° de principes, vermeld in artikel 4 van het decreet van 26 april 2019;
  2° de principes van de buurtgerichte zorg.
  In het vierde lid, 2°, wordt verstaan onder buurtgerichte zorg: de zorg die erop gericht is:
  1° de sociale cohesie te versterken;
  2° vragen naar zorg en ondersteuning uit de buurt op te vangen;
  3° personen met een zorg- en ondersteuningsvraag, als dat nodig is, toe te leiden naar gepaste zorg en ondersteuning;
  4° de buurt actief te betrekken bij de werking van de eerstelijnszorg door een actieve samenwerking op lokaal vlak, afgestemd met het lokaal sociaal beleidsplan, onder regie van het lokaal bestuur conform het decreet van 9 februari 2018 houdende het lokaal sociaal beleid.
  De minister kan de opdrachten van het VIVEL, vermeld in het eerste lid, nader preciseren.

Artikel 3 Voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 2, organiseert het VIVEL minstens één keer per jaar een periodiek overleg met vertegenwoordigers van de volgende groepen:
  1° de zorgraden;
  2° de zorgaanbieders;
  3° de aanbieders van een meer gespecialiseerd zorgaanbod waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is;
  4° de lokale besturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
  5° de personen met een zorg- en ondersteuningsvraag;
  6° de mantelzorgers;
  7° de Vlaamse kennis- en expertisecentra.
  Op het periodieke overleg, vermeld in het eerste lid, worden volgende zaken afgestemd:
  1° de strategiebepaling voor het VIVEL;
  2° de evaluatie van het afgelopen werkingsjaar;
  3° de planning van het volgende werkingsjaar.

Hoofdstuk 3. Samenstelling
Artikel 4 In het VIVEL is er een representatieve vertegenwoordiging van het zorglandschap. Daarbij wordt de volgende verhouding van vertegenwoordigers gerespecteerd:
  1° zes vertegenwoordigers van de welzijnsactoren;
  2° zes vertegenwoordigers van de eerstelijnsgezondheidszorgactoren;
  3° vijf vertegenwoordigers van de lokale besturen;
  4° drie vertegenwoordigers van de personen met een zorg- en ondersteuningsvraag;
  5° twee vertegenwoordigers van de mantelzorgers;
  6° twee vertegenwoordigers van de Vlaamse kennis- en expertisecentra;
  7° één vertegenwoordiger van de ziekenhuizen.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° welzijnsactoren:
  a) de woonzorgcentra;
  b) de diensten voor gezinszorg;
  c) de lokale dienstencentra;
  d) de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen;
  e) de centra voor algemeen welzijnswerk;
  f) de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  2° eerstelijnsgezondheidszorgactoren:
  a) de huisartsen;
  b) de thuisverpleegkundigen;
  c) de kinesitherapeuten;
  d) de tandartsen;
  e) de apothekers;
  f) de podologen;
  g) de vroedvrouwen;
  h) de ergotherapeuten;
  i) de diëtisten;
  j) de klinisch psychologen;
  k) de partners die actief zijn in functie 1 van de netwerken volwassenen artikel 107 en activiteitenprogramma 1 van de netwerken geestelijke gezondheid kinderen en jongeren.

Artikel 5 In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° onafhankelijk lid: een lid dat niet afkomstig is uit de organisaties, vermeld in artikel 4, of uit de Vlaamse overheid;
  2° Vlaamse overheid: de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, inclusief de instellingen die daaronder vallen.
  Het bestuursorgaan van het VIVEL bevat twee onafhankelijke leden. Een van beide leden wordt tot voorzitter van het bestuursorgaan verkozen.
  Een personeelslid van het agentschap woont de vergaderingen van het bestuursorgaan bij als waarnemer en rapporteert daarover aan het agentschap.

Hoofdstuk 4. Erkenning en weigering van de erkenning
Artikel 6 De administrateur-generaal erkent het VIVEL voor een termijn van maximaal vijf jaar.

Artikel 7 Een aanvrager kan erkend worden als VIVEL als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° de aanvrager is een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks een vermogensvoordeel uitkeert of bezorgt, behalve voor het belangeloze doel dat in de statuten bepaald is;
  2° het werkgebied van de aanvrager omvat het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  3° de statuten zijn neergelegd op de griffie van de bevoegde ondernemingsrechtbank met het oog op de publicatie van deze statuten in het Belgisch Staatsblad;
  4° de aanvrager heeft expertise in al de volgende materies:
  a) de organisatie van eerstelijnszorg;
  b) het aanbieden van ondersteuning en opleiding aan zorgaanbieders;
  c) de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg;
  d) het opstellen van empirisch onderbouwde richtlijnen en methodieken voor de eerstelijnszorg;
  e) de ondersteuning van personeelsadministratie en -management, en boekhouding;
  f) de verenigingsrechtelijke verplichtingen;
  5° de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 en 5;
  6° de aanvrager beschikt over een beleidsplan met strategische invulling van de opdrachten voor de erkenningsperiode en een actieplan met de concretisering van de uitvoering van de opdrachten voor het eerste werkingsjaar. Het actieplan vermeldt duidelijk welke acties voor welke opdrachten, vermeld in artikel 2, ondernomen worden.

Artikel 8 Als er verschillende aanvragen zijn die voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 7, wordt de aanvrager erkend die, per categorie van de organisaties, vermeld in artikel 4, eerste lid, het hoogste aantal belangenorganisaties voor eerstelijnszorg binnen het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad vertegenwoordigt.

Artikel 9 § 1. Een aanvraag tot erkenning is alleen ontvankelijk als ze al de volgende documenten bevat:
  1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
  2° de statuten van de aanvrager, als ze nog niet gepubliceerd zijn;
  3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over de expertise, vermeld in artikel 7, 4° ;
  4° het beleidsplan voor de erkenningsperiode en het actieplan voor het eerste werkingsjaar;
  5° een bewijs dat de aanvrager qua samenstelling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 en 5.
  De minister lanceert een oproep voor erkenningsaanvragen minstens twee maanden voorafgaand aan de datum waarop de erkenning van het VIVEL afloopt of, in voorkomend geval, binnen een maand nadat de erkenning van het VIVEL is ingetrokken.
  De oproep, vermeld in het tweede lid, wordt bekendgemaakt op de website van het agentschap (www.zorg-en-gezondheid.be) en wordt gecommuniceerd naar de sector(en).
  Erkenningsaanvragen in het kader van de oproep, vermeld in het tweede lid, worden ingediend binnen dertig dagen na de datum van de bekendmaking op de website van het agentschap, vermeld in het derde lid. De einddatum waarop de aanvraag ingediend kan worden, is in de oproep opgenomen.
  De erkenning wordt aangevraagd met een formulier dat het agentschap op zijn website ter beschikking stelt.
  § 2. Het agentschap meldt de aanvrager binnen dertig dagen na de dag waarop het de erkenningsaanvraag heeft ontvangen, dat de aanvraag ontvankelijk of onontvankelijk is.

Artikel 10 § 1. De beslissing over de erkenning wordt bezorgd aan de aanvrager binnen dertig dagen na de einddatum, vermeld in artikel 9, § 1, vierde lid.
  § 2. Als niet voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 7, of als de erkenning niet wordt toegekend aan de aanvrager door de toepassing van artikel 8, deelt de administrateur-generaal het voornemen tot weigering van de erkenning mee.
  De aanvrager wordt met een aangetekende zending op de hoogte gebracht van het voornemen tot weigering van de erkenning. Dit voornemen bevat:
  1° de motivering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
  2° uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap.
  Als de aanvrager geen bezwaarschrift indient binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van de aangetekende zending, wordt de beslissing van de administrateur-generaal tot weigering van de erkenning met een aangetekende zending aan de aanvrager bezorgd.
  § 3. Als de erkenning wordt geweigerd, kan de aanvrager geen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden om de erkenning te verkrijgen.
  § 4. De beslissing waarbij de erkenning wordt verleend, bevat de volgende gegevens:
  1° de naam en het adres van de erkende partnerorganisatie;
  2° de ingangsdatum en de termijn van de erkenning.

Artikel 11 Om erkend te blijven, moet het VIVEL:
  1° voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 7;
  2° elke wijziging van de statuten onmiddellijk aan het agentschap meedelen;
  3° de opdrachten, vermeld in artikel 2 en 3, uitvoeren;
  4° jaarlijks uiterlijk op 31 maart aan het agentschap een verslag bezorgen over de uitvoering van de opdrachten;
  5° jaarlijks uiterlijk op 31 maart aan het agentschap het financiële verslag van het voorbije werkingsjaar bezorgen;
  6° het actieplan voor elk volgend werkingsjaar vóór 30 september ter goedkeuring voorleggen aan het agentschap;
  7° elke wijziging die betrekking heeft op de erkenning, onmiddellijk aan het agentschap melden.

Hoofdstuk 5. Procedure om een erkenning te schorsen of in te trekken
Artikel 12 § 1. De administrateur-generaal uit een voornemen tot schorsing of tot intrekking van de erkenning als het VIVEL niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11.
  § 2. Het VIVEL wordt met een aangetekende zending op de hoogte gebracht van het voornemen tot schorsing of tot intrekking van de erkenning. Dit voornemen bevat:
  1° de motivering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
  2° uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap.
  Als het VIVEL geen bezwaarschift indient binnen vijfenveertig dagen na de ontvangst van de aangetekende zending, wordt de beslissing van de administrateur-generaal tot schorsing of intrekking van de erkenning met een aangetekende zending aan het agentschap bezorgd.
  § 3. De beslissing tot schorsing vermeldt de begindatum, de periode van de schorsing en de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de schorsing ongedaan te maken.
  De administrateur-generaal bepaalt de termijn van de schorsing. Die termijn mag niet meer bedragen dan drie maanden. Op gemotiveerd verzoek van het VIVEL kan die termijn eenmalig maximaal drie maanden verlengd worden. VIVEL bezorgt die aanvraag minstens dertig dagen voor de afloop van de initiële schorsingstermijn met een aangetekende zending aan het agentschap.
  § 4. Als bij de beëindiging van de schorsingstermijn nog niet aan alle erkenningsnormen is voldaan, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning gestart.
  § 5. De beslissing tot intrekking van de erkenning heeft uitwerking op de datum, vermeld in die beslissing.
  § 6. Als de erkenning wordt ingetrokken, kan het VIVEL geen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden om de erkenning te behouden.

Hoofdstuk 6. Procedure om de erkenning in te trekken op verzoek van het VIVEL
Artikel 13 De administrateur-generaal kan de erkenning intrekken als het VIVEL daar aangetekend of tegen ontvangstbewijs om verzoekt. De beslissing van de administrateur-generaal wordt binnen drie maanden na de dag waarop het agentschap het verzoek heeft ontvangen, aangetekend met kennisgeving van ontvangst, aan het VIVEL bezorgd.
  Het VIVEL brengt het agentschap binnen drie maanden op de hoogte van zijn voornemen om de activiteiten vrijwillig stop te zetten, met vermelding van de datum waarop die beslissing uitwerking heeft.

Hoofdstuk 7. Subsidiëring
Artikel 14 Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moet het VIVEL:
  1° de voorwaarden, vermeld in artikel 11, naleven;
  2° een boekhouding voeren conform artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Het boekjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december.

Artikel 15 § 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten ontvangt het VIVEL voor de opdrachten, vermeld in artikel 2, een subsidie, jaarlijks vast te stellen, van maximaal 2.269.385,00 euro.
  Het maximale subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, kan naar beneden worden bijgesteld wanneer uit het financiële verslag, vermeld in artikel 18, of uit de opbouw van de reserves, vermeld in artikel 19, het maximale subsidiebedrag te hoog wordt geraamd en is bijstelbaar in functie van eventuele begrotingsmaatregelen.
  In afwijking van het eerste lid ontvangt het VIVEL voor de opdrachten, vermeld in artikel 2, voor het werkingsjaar 2022 een subsidie van maximaal 2.189.489,40 euro.
  Een werkingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.
  Als het werkingsjaar korter dan een kalenderjaar is, wordt de subsidie berekend in verhouding tot het aantal begonnen maanden.
  Er is een voorafgaande goedkeuring van het agentschap vereist voor de vergoeding van de volgende kosten als ze meer dan 2000 euro bedragen:
  1° de kosten voor reizen naar en verblijven in het buitenland;
  2° de reis- en verblijfskosten van buitenlandse deskundigen;
  3° de kosten die verbonden zijn aan leningen.
  § 2. Het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt opgesplitst in een personeelssubsidie van 1.588.570,00 euro en een werkingssubsidie van 680.815,00 euro.
  Het subsidiebedrag voor het werkingsjaar 2022, vermeld in paragraaf 1, derde lid, wordt opgesplitst in een personeelssubsidie van 1.313.693,64 euro en een werkingssubsidie van 875.795,76 euro.

Artikel 16 Het VIVEL ontvangt maximaal 90% van de subsidie, vermeld in artikel 15, § 1, als voorschot.
  Het voorschot wordt in vier gelijke schijven uitbetaald. De eerste schijf wordt zo snel mogelijk uitbetaald nadat de subsidie is vastgelegd. De volgende schijven worden respectievelijk in de laatste week van maart, de laatste week van juni en de laatste week van september uitbetaald.
  Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald nadat het agentschap het financiële verslag heeft goedgekeurd.

Artikel 17 De personeelssubsidie, vermeld in artikel 15, § 2, eerste lid, wordt gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Als de spilindex wordt overschreden, wordt de subsidie op 1 januari geïndexeerd conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde koninklijk besluit.

Artikel 18 § 1. Elk jaar bezorgt het VIVEL aan het agentschap een inhoudelijk en een financieel jaarverslag uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.
  De documenten worden elektronisch naar het agentschap gestuurd.
  Het inhoudelijke verslag bevat een beschrijving van de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 2, dat het agentschap in staat stelt te evalueren in welke mate de opdrachten zijn gerealiseerd. Het verslag bevat ook een kritische zelfevaluatie van de uitvoering van de opdrachten.
  De minister kan de vorm van het inhoudelijke verslag nader bepalen.
  Het agentschap kan beslissen om de elektronische versie van het inhoudelijke jaarverslag op zijn website bekend te maken.
  Het financiële verslag omvat:
  1° de staat van ontvangsten en uitgaven, gegroepeerd per kosten- en inkomstensoort, als een enkelvoudige boekhouding of kasboekhouding wordt gevoerd, of de resultatenrekening als een dubbele boekhouding wordt gevoerd, met inbegrip van de oorsprong, de omvang en de besteding van de eventuele middelen die verkregen worden buiten dit subsidiebesluit en die aangewend worden voor activiteiten die verband houden met dit subsidiebesluit;
  2° per medewerker de naam, de functie, de gemiddelde tewerkstellingstijd over het hele werkingsjaar en het brutojaarloon;
  3° een genummerde lijst van de kosten en opbrengsten, met vermelding van de begunstigde, het bedrag en een omschrijving, en gerangschikt per kosten- of opbrengstensoort. De begunstigde houdt de originele bewijsstukken bij;
  4° de opbouw en aanwending van de reserve;
  5° een afschrijvingstabel met de lopende en de nieuwe afschrijvingen als dat van toepassing is.
  De minister kan de vorm van het financiële verslag nader bepalen.
  § 2. Het VIVEL bezorgt elk jaar en uiterlijk op 30 september een actieplan voor elk volgend werkingsjaar ter goedkeuring aan het agentschap.
  De documenten worden elektronisch naar het agentschap gestuurd.
  Het actieplan bevat een beschrijving van de concretisering en prioritering van de opdrachten die het VIVEL wil uitvoeren in het volgende werkingsjaar. Het actieplan vermeldt duidelijk welke acties voor welke opdrachten, vermeld in artikel 2, ondernomen worden.

Artikel 19 Het gedeelte van de toegekende subsidie dat de aanvaarde uitgaven overschrijdt, mag worden aangewend om reserves aan te leggen.
  De reserve kan alleen aangewend worden om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikel 2, en voor het sociaal passief.
  De reservevorming mag per werkingsjaar niet meer bedragen dan 20% van het geïndexeerde bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 15, van het werkingsjaar in kwestie.
  De totale opgebouwde reserve mag op het einde van een bepaald werkingsjaar nooit meer bedragen dan de helft van het geïndexeerde bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 15, voor het werkingsjaar in kwestie.
  Als er geen nieuwe erkenning wordt verleend of de erkenning wordt ingetrokken, wordt de reserve die in het kader van dit besluit is opgebouwd, integraal teruggestort, met uitzondering van het sociaal passief.

Artikel 20 Alleen de kosten die betrekking hebben op de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 2 en 3, kunnen in rekening worden gebracht.
  Het bedrag van de subsidie dat de toegelaten grenzen van de opbouw van de reserve, vermeld in artikel 19, overschrijdt, wordt teruggevorderd of niet uitbetaald.

Hoofdstuk 8. Toezicht op de naleving van de erkenningsen subsidievoorwaarden
Artikel 21 § 1. Het agentschap controleert de naleving van de erkennings- en subsidievoorwaarden. Het kan daarover alle gegevens opvragen.
  § 2. De voortgang van de realisatie van de activiteiten en de financiering worden gecontroleerd en aangestuurd tijdens overlegmomenten met het agentschap.
  De begunstigde bereidt het overleg voor en zorgt voor de nodige documenten, die het agentschap in staat stellen te controleren als vermeld in het eerste lid.
  § 3. Als uit de voortgangscontrole of de evaluatie, vermeld in het paragraaf 1 en 2, blijkt dat de financiële verantwoording of de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 2, onvoldoende is, of als het subsidiebedrag te hoog blijkt, betaalt het agentschap een deel van de subsidie niet uit of vordert het een deel van de subsidie terug.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 22 Het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2019 houdende de regels voor de erkenning en subsidiëring van een partnerorganisatie als Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 december 2019, wordt opgeheven.

Artikel 23 Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 24 De Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, is belast met de uitvoering van dit besluit.