Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale voorwaarden inzake watergebruik bij de vervaardiging van suiker .
- Section :
- Legislation
- Source :
- Numac 2003200317
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
ENIG HOOFDSTUK. - Toepassingsgebied en lozingsvoorwaarden
Sectie 1. Toepassingsgebied.
Artikel 1 Deze voorwaarden zijn van toepassing op de activiteiten en installaties die ingedeeld zijn onder rubriek 15.83 : vervaardiging van suiker.
Deze voorwaarden zijn niet van toepassing op lozingen van afvalwater die voortvloeien uit :
1° de productie van lactose;
2° de vervaardiging van glucose, glucosestroop, maltose;
3° de vervaardiging van synthetische zoetstoffen.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de sector onderverdeeld in de volgende subsectoren :
1° subsector I : rasperijen en suikerfabrieken, die volgende rubrieken omvatten :
- nr. 15.83.01 : bietenrasperijen;
- nr. 15.83.02 : suikerfabrieken met rasperij;
- nr. 15.83.03 : suikerfabrieken zonder rasperij (sapverwerking);
2° subsector II : suikerraffinaderijen, rubriek 15.83.04;
3° subsector III : fabrieken voor de vervaardiging van inulien, rubriek nr. 15.83.05 en fabrieken voor de vervaardiging van oligofructose en fructose;
4° subsector IV : raffinaderijen voor oligofructose.
Artikel 2 De in dit hoofdstuk vermelde maximale concentraties worden vastgelegd op grond van monsteranalysen over 24 uur. Monsters worden altijd gefilterd voor ze geanalyseerd worden (uitgezonderd monsters voor analyse van zwevende stoffen).
Indien het analyseresultaat voor een genormeerde parameter de norm met minder dan 20 % overschrijdt, wordt een nieuw monster geanalyseerd over 24 uur. Indien het analyseresultaat voor dezelfde parameter de norm niet overschrijdt, wordt de norm in acht genomen.
Artikel 3 Wat betreft de lozingen voor subsector I, wordt het jaar opgesplitst in twee perioden :
- eerste periode : van 1 september tot 31 januari;
- tweede periode : van 1 februari tot 31 augustus.
Sectie 2. Lozingsvoorwaarden voor subsector I
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 4 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan :
- 35 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 45 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan :
- 135 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 160 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
11° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 5 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan :
- 90 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 120 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 450 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 90 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
11° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 6 De lozing van afvalwater afkomstig uit bietenrasperijen in gewoon oppervlaktewater is verboden gedurende de eerste periode.
Artikel 7 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door rasperijen, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarde :
- het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 24 mg N per liter.
Artikel 8 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken met rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 32 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 50 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken.
Artikel 9 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken met rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 50 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 70 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken.
Artikel 10 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken zonder rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 32 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen;
- 50 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen.
Artikel 11 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken zonder rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
- het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 50 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen;
- 70 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 12 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 13 Het referentievolume bedraagt :
- voor bietenrasperijen : 220 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken met rasperij (eerste periode) : 550 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken met rasperij (tweede periode) : 220 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken zonder rasperij (eerste periode) : 950 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken zonder rasperij (tweede periode) : 80 l per ton verwerkte bieten.
Artikel 14 Indien een rasperij dat afvalwater loost via de suikerfabriek waarmee ze verbonden is, is het referentievolume van de suikerfabriek zonder rasperij gelijk aan de som van haar eigen referentievolume en van dat van de rasperij verbonden wat betreft bedoelde tonnage bieten.
Sectie 3. Lozingsvoorwaarden voor subsector II
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 15 Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 30 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 105 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 3 mg N per liter;
9° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 30 mg N per liter;
10° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 16 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 17 Het referentievolume bedraagt 3 m3 per ton eindproduct.
Sectie 4. Lozingsvoorwaarden voor subsector III
Artikel 18 Wat betreft de lozingen voor subsector III, wordt het jaar opgesplitst in twee perioden :
- eerste periode: van 15 augustus tot 14 januari;
- tweede periode : van 15 januari tot 14 augustus.
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 19 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 60 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 275 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 6 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 27 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 20 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6,5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 100 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 450 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 120 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 50 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 21 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 22 Het referentievolume per ton verwerkte grondstof bedraagt 650 l gedurende de eerste periode en 250 l gedurende de tweede periode.
Sectie 5. Lozingsvoorwaarden voor subsector IV
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 23 Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6,5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 50 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 375 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 120 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 9 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 40 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 24 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 25 Het referentievolume bedraagt 15 m3 per ton eindproduct.
Sectie 6. Analyseen monsternemingstechnieken
Artikel 26 Voor de monsternemingen en de analyse van de gezamenlijke parameters bedoeld in de artikelen 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 15, 19, 20 en 23 van deze sectorale voorwaarden wordt gebruik gemaakt van de technieken die tegenwoordig toegepast worden of goedgekeurd zijn door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest.
Sectie 7. Overgangs, opheffingsen slotbepalingen
Artikel 27 Het koninklijk besluit van 2 oktober 1986 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing, in de gewone oppervlaktewateren en in de openbare riolen, van afvalwater, afkomstig van de suikerindustrie en de bietenrasperijen, wordt opgeheven.
Artikel 28 Voor de inrichtingen die in werking zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan de bevoegde overheid voorzien in voorwaarden die niet zo streng zijn als deze sectorale voorwaarden. Die bijzondere voorwaarden zijn hoe dan ook gelijk aan de vorige vergunning. De geldigheidsduur ervan verstrijkt uiterlijk 31 oktober 2007.
Artikel 29 Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2003.
Artikel 30 De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 16 januari 2003.
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET.
Sectie 1. Toepassingsgebied.
Artikel 1 Deze voorwaarden zijn van toepassing op de activiteiten en installaties die ingedeeld zijn onder rubriek 15.83 : vervaardiging van suiker.
Deze voorwaarden zijn niet van toepassing op lozingen van afvalwater die voortvloeien uit :
1° de productie van lactose;
2° de vervaardiging van glucose, glucosestroop, maltose;
3° de vervaardiging van synthetische zoetstoffen.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de sector onderverdeeld in de volgende subsectoren :
1° subsector I : rasperijen en suikerfabrieken, die volgende rubrieken omvatten :
- nr. 15.83.01 : bietenrasperijen;
- nr. 15.83.02 : suikerfabrieken met rasperij;
- nr. 15.83.03 : suikerfabrieken zonder rasperij (sapverwerking);
2° subsector II : suikerraffinaderijen, rubriek 15.83.04;
3° subsector III : fabrieken voor de vervaardiging van inulien, rubriek nr. 15.83.05 en fabrieken voor de vervaardiging van oligofructose en fructose;
4° subsector IV : raffinaderijen voor oligofructose.
Artikel 2 De in dit hoofdstuk vermelde maximale concentraties worden vastgelegd op grond van monsteranalysen over 24 uur. Monsters worden altijd gefilterd voor ze geanalyseerd worden (uitgezonderd monsters voor analyse van zwevende stoffen).
Indien het analyseresultaat voor een genormeerde parameter de norm met minder dan 20 % overschrijdt, wordt een nieuw monster geanalyseerd over 24 uur. Indien het analyseresultaat voor dezelfde parameter de norm niet overschrijdt, wordt de norm in acht genomen.
Artikel 3 Wat betreft de lozingen voor subsector I, wordt het jaar opgesplitst in twee perioden :
- eerste periode : van 1 september tot 31 januari;
- tweede periode : van 1 februari tot 31 augustus.
Sectie 2. Lozingsvoorwaarden voor subsector I
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 4 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan :
- 35 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 45 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan :
- 135 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 160 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
11° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 5 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan :
- 90 mg per liter voor fabrieken die minstens 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 120 mg per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 450 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 90 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
11° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 6 De lozing van afvalwater afkomstig uit bietenrasperijen in gewoon oppervlaktewater is verboden gedurende de eerste periode.
Artikel 7 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door rasperijen, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarde :
- het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 24 mg N per liter.
Artikel 8 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken met rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 32 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 50 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken.
Artikel 9 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken met rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 50 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 15 000 t bieten per dag verwerken;
- 70 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 15 000 t bieten per dag verwerken.
Artikel 10 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken zonder rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 32 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen;
- 50 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen.
Artikel 11 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd door suikerfabrieken zonder rasperij, voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden :
- het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan :
- 50 mg N per liter voor fabrieken die meer dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen;
- 70 mg N per liter voor fabrieken die minder dan 1 000 t suiker per dag vervaardigen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 12 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 13 Het referentievolume bedraagt :
- voor bietenrasperijen : 220 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken met rasperij (eerste periode) : 550 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken met rasperij (tweede periode) : 220 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken zonder rasperij (eerste periode) : 950 l per ton verwerkte bieten;
- voor suikerfabrieken zonder rasperij (tweede periode) : 80 l per ton verwerkte bieten.
Artikel 14 Indien een rasperij dat afvalwater loost via de suikerfabriek waarmee ze verbonden is, is het referentievolume van de suikerfabriek zonder rasperij gelijk aan de som van haar eigen referentievolume en van dat van de rasperij verbonden wat betreft bedoelde tonnage bieten.
Sectie 3. Lozingsvoorwaarden voor subsector II
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 15 Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 30 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 105 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 3 mg N per liter;
9° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 30 mg N per liter;
10° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 16 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 17 Het referentievolume bedraagt 3 m3 per ton eindproduct.
Sectie 4. Lozingsvoorwaarden voor subsector III
Artikel 18 Wat betreft de lozingen voor subsector III, wordt het jaar opgesplitst in twee perioden :
- eerste periode: van 15 augustus tot 14 januari;
- tweede periode : van 15 januari tot 14 augustus.
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 19 Industrieel afvalwater dat gedurende de eerste periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6.5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 60 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 275 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 6 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 27 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Artikel 20 Industrieel afvalwater dat gedurende de tweede periode in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6,5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 100 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 450 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 120 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 12 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 50 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 21 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 22 Het referentievolume per ton verwerkte grondstof bedraagt 650 l gedurende de eerste periode en 250 l gedurende de tweede periode.
Sectie 5. Lozingsvoorwaarden voor subsector IV
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater.
Artikel 23 Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 9. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 9 of lager dan 6,5;
2° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 50 mg per liter;
3° de chemische zuurstofbehoefte is niet hoger dan 375 mg per liter;
4° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 120 mg per liter;
5° het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur);
6° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
7° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;
8° de temperatuur is niet hoger dan 30 °C;
9° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 9 mg N per liter;
10° het gehalte aan totaal stikstof is niet hoger dan 40 mg N per liter;
11° het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
12° het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijnen genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Onderafdeling II. - Voorwaarden voor lozingen in openbare rioleringen.
Artikel 24 De lozing van afvalwater in openbare rioleringen is verboden.
Onderafdeling III. - Referentievolumes.
Artikel 25 Het referentievolume bedraagt 15 m3 per ton eindproduct.
Sectie 6. Analyseen monsternemingstechnieken
Artikel 26 Voor de monsternemingen en de analyse van de gezamenlijke parameters bedoeld in de artikelen 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 15, 19, 20 en 23 van deze sectorale voorwaarden wordt gebruik gemaakt van de technieken die tegenwoordig toegepast worden of goedgekeurd zijn door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest.
Sectie 7. Overgangs, opheffingsen slotbepalingen
Artikel 27 Het koninklijk besluit van 2 oktober 1986 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing, in de gewone oppervlaktewateren en in de openbare riolen, van afvalwater, afkomstig van de suikerindustrie en de bietenrasperijen, wordt opgeheven.
Artikel 28 Voor de inrichtingen die in werking zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan de bevoegde overheid voorzien in voorwaarden die niet zo streng zijn als deze sectorale voorwaarden. Die bijzondere voorwaarden zijn hoe dan ook gelijk aan de vorige vergunning. De geldigheidsduur ervan verstrijkt uiterlijk 31 oktober 2007.
Artikel 29 Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2003.
Artikel 30 De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 16 januari 2003.
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET.