Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale en integrale voorwaarden betreffende de activiteiten i.v.m. het telen of fokken van paardachtigen van zes maanden en meer .

Date :
22-12-2005
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 2006200055

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied en definities

Artikel 1 Deze voorwaarden zijn van toepassing op de activiteiten i.v.m. het telen of fokken van paardachtigen van zes maanden en meer zoals bedoeld in de rubriek 01.22 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.

Artikel 2 Voor de toepassing van deze voorwaarden wordt verstaan onder :
  1° schuilplaats in de openlucht : bouwwerk op weilandpercelen waar de dieren bij slecht weer beschutting vinden;
  2° loop- of wachtruimte : ruimte die regelmatig door de dieren gebruikt wordt en die ingericht is om ze bijeen te kunnen houden;
  3° doorgangsruimte : ruimte die de dieren gebruiken wanneer ze zich zonder wachttijd van één plaats naar een andere begeven;
  4° wit water : water afkomstig van de reiniging van het melkmateriaal en de melkopslagapparatuur;
  5° bruin water : water afkomstig van niet-overdekte loop- of wachtruimten die regelmatig door de dieren bezoedeld worden;
  6° hofwater : water afkomstig van verharde ruimten die tijdens de doorgang van de dieren en de bediening van landbouwvoertuigen bezoedeld worden, met uitzondering van elke eigenlijke opslagplaats;
  7° groen water : water afkomstig van de reiniging van melkstallen;
  8° dierlijke mest : organische meststoffen uit de landbouw, namelijk dierlijke uitwerpselen of mengsels, ongeacht de verhoudingen, van dierlijke uitwerpselen en andere bestanddelen zoals stalstro, zelfs na verwerking;
  9° omheinde ruimte : afgesloten ruimte in de openlucht, met inbegrip van de loopruimten, weilanden uitgezonderd;
  10° woning van derden : elk gebouw waarin één of meer personen doorgaans verblijft/verblijven;
  11° afvloeisel : vloeistof uit de landbouwbedrijvigheid, met uitzondering van gier en aalt, die wegsijpelt uit de ruimte of uit de tank waar zij respectievelijk geproduceerd of opgeslagen wordt; regenwater wordt niet als afvloeisel beschouwd;
  12° stalstro : stro, zaagsel, grind of elke andere stof ter bedekking van de bodem van omheinde ruimten of van elke andere plaats waar dieren ondergebracht worden;
  13° nieuw gebouw of nieuwe infrastructuur voor de huisvesting van dieren : installatie van na de inwerkingtreding van dit besluit. Dit besluit slaat niet op uitbreidingen van bestaande gebouwen of infrastructuren.

Hoofdstuk 2. Vestiging en bouw

Sectie 1. Vestiging

Artikel 3 § 1. Onverminderd de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende de preventiegebieden voor waterwinningen, wordt elk nieuw gebouw of elke nieuwe infrastructuur voor de huisvesting van dieren gevestigd op minstens :
  - 10 meter van een oppervlaktewater, een watertappunt, een piëzometer, een inlaat van de openbare riolering of een woning van derde;
  - 20 meter van een woning van derden als 50 paardachtigen of minder ondergebracht worden in het gebouw of de infrastructuur;
  - 50 meter van een woning van derden als meer dan 50 paardachtigen ondergebracht worden in het gebouw of de infrastructuur.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende de preventiegebieden voor waterwinningen, wordt elke nieuwe infrastructuur voor het opslaan van organische meststoffen uit de landbouw gevestigd op minstens 10 meter van een oppervlakte water, een watertappunt, een piëzometer, een inlaat van de openbare riolering.
  Deze bepaling is niet van toepassing op de renovaties en de heropbouw van infrastructuren die het in overeenstemming brengen met de milieuregelgeving beogen.

Sectie 2. Bouw

Artikel 4 Bij de bouw of de inrichting van een gebouw of een infrastructuur voor de huisvesting van dieren wordt gezorgd voor een optimale luchtverversing.

Artikel 5 Het gebouw of de infrastructuur voor de huisvesting van dieren is overdekt en wordt ontworpen of aangepast ten einde te voldoen aan de vereisten van het soort teelt.

Artikel 6 § 1. Alle vloerbedekkingen van de gebouwen en infrastructuren voor de huisvesting van dieren, alsmede alle niet overdekte verharde ruimten die regelmatig door de dieren gebruikt worden, met uitzondering van de doorgangsruimten, zijn waterdicht en worden perfect waterdicht gehouden.
  § 2. Hellende waterdichte bodems laten de afvoer van afvloeisels en reinigingswater toe naar waterdichte opslagplaatsen die voldoende ruimte bieden, desnoods via waterdichte leidingen in perfecte staat van werking.
  § 3. De bepalingen in de §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op de schuilplaatsen in de openlucht, noch op de voederruimten in weilanden.
  § 4. De bepalingen in de §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op de oppervlakken onder opeengehoopt stalstro. Deze laatste worden ontworpen en beheerd zodat geen dierlijke mest onder het stalstro kan doorsijpelen.
  § 5. De opslagvloeren, -ruimten en -constructies worden ingericht zodat geen afvloeiend water of dakwater kan binnensijpelen.

Artikel 7 De voederinstallaties, zoals troggen, voeder- of drinkbakken, zijn vervaardigd uit harde, duurzame en vlot wasbare materialen.

Artikel 8 De infrastructuren voor de opslag van dierlijke mest en afvloeisels worden gebouwd of ingericht overeenkomstig de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende het duurzame beheer van stikstoffen in de landbouw.

Hoofdstuk 3. Exploitatie

Artikel 9 § 1. Het gebouw of de infrastructuur voor de huisvesting van dieren wordt regelmatig gereinigd en eventueel met de gepaste producten ontsmet.
  § 2. Stalstro is in voorkomend geval voldoende voorhanden, gezond en wordt regelmatig hernieuwd.

Artikel 10 De exploitant ziet toe op het onderhoud en de netheid van de opslagplaats voor krengen.

Artikel 11 De vereiste doeltreffende preventiemaatregelen worden genomen tegen ongedierte, insecten en knaagdieren. Deze maatregelen bestaan o.a. in het gebruik van erkende bestrijdingsmiddelen, van toegelaten vallen of giften voor knaagdieren, in het behoud van de opslagen van meel en ander voeder in gezonde omstandigheden, in de bescherming ervan met voorzieningen zoals dunne afrasteringen, klamboes, elektrische insectenverdelgers of elk ander gelijkaardig systeem.

Artikel 12 Producten die een gevaar inhouden voor de mens en het milieu, zoals bijtende, ontvlambare, giftige producten, pesticiden, producten ter bestrijding van ongedierte, insecten en knaagdieren, alsmede reinigingsproducten, dierenzorg- en ontsmettingsproducten worden opgeslagen in daartoe bestemde plaatsen en in omstandigheden waarin elke toevallige lozing in het natuurlijke milieu voorkomen wordt.
  Deze producten zijn erkend en het gebruik ervan voldoet aan de geldende normen.

Artikel 13 De voedingsmiddelen worden in specifieke ruimten of in silo's opgeslagen.

Artikel 14 De nodige doeltreffende maatregelen worden genomen om te beletten dat de dieren ontsnappen.

Hoofdstuk 4. Ongevallenen brandpreventie

Artikel 15 Er worden voorzorgsmaatregelen genomen om de veiligheid van het publiek en van de personen binnen de exploitatie te waarborgen en om desnoods voor een snelle en veilige ontruiming te zorgen. In het bedrijf zijn de toegangen tot de blussers en haspels voortdurend ontruimd.

Artikel 16 De hoogte, het type, de afmetingen en de wijdte van de palen, de wijdte van de draden of de afmetingen van de afrasteringen van de loopruimten en de weilanden worden aan het soort dier aangepast. Er worden desnoods dubbele of elektrische omheiningen geplaatst.

Artikel 17 In geval van dierententoonstelling voor het publiek treft de exploitant de nodige doeltreffende maatregelen om elk ongevalrisico te voorkomen.

Hoofdstuk 5. Water

Artikel 18 Het is verboden rechtstreeks of onrechtstreeks groeimiddelen, afvloeisels en ander afvalwater dan huishoud- en regenwater in de ondergrond, in een openbare riolering, een oppervlaktewater of een afvoer voor regenwater te lozen.

Artikel 19 § 1. Dierlijke mest, plantaardige stoffen en afvloeisels worden opgeslagen of gehanteerd overeenkomstig de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende het duurzame beheer van stikstoffen in de landbouw.
  § 2. Om een te grote productie van hofwater te voorkomen, wordt het hof regelmatig mechanisch gereinigd en wordt de verzamelde afval hetzij naar een opslaginfrastructuur afgevoerd, hetzij over het land verspreid overeenkomstig de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
  § 3. Het is verboden bruin water rechtstreeks in de ondergrond, in een openbare riool of in oppervlaktewater te lozen.
  § 4. Het groene water wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende het duurzame beheer van stikstoffen in de landbouw.
  § 5. Het witte water kan opgeslagen worden in een infrastructuur voor de opslag van dierlijke mest voorzover aan de sanitaire normen voldaan wordt, alsook aan de normen inzake het dierlijke welzijn of het goede landbouwbeheer, en voorzover de afmetingen van de opslaginfrastructuur voldoen aan de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, betreffende het duurzame beheer van stikstoffen in de landbouw.

Artikel 20 Onverminderd de toepassing van andere wetgevingen wordt het regenwater afkomstig van daken afgevoerd via verliesputten, draineerbuizen, kunstmatige afvoerwegen of oppervlaktewateren.

Hoofdstuk 6. Lucht

Artikel 21 De exploitant gebruikt de nodige middelen ter beperking van de uitstoot van geuren uit de gebouwen of infrastructuren voor de huisvesting van dieren of uit de bijhorende installaties.

Artikel 22 In geval van een in de lucht gekanaliseerde afvoer voldoet de geloosde lucht aan volgende grenswaarde : totale stoffen : 50 mg/Nm3.

Hoofdstuk 7. Beheer van andere afval dan dierlijke mest

Artikel 23 De bepalingen van dit hoofdstuk lopen niet vooruit op de toepassing van bijzondere of specifieke bepalingen die de overheid in geval van overmacht zou kunnen opleggen, inzonderheid om een epizoötie binnen de paardenstapel van het bedrijf uit te roeien.

Artikel 24 De dood van een dier wordt onmiddellijk en uiterlijk binnen 24 uren door de exploitant meegedeeld aan een voor de verwijdering van krengen erkende ophaler..
  Het kreng wordt in afwachting van zijn verwijdering op een voor de gemachtigde personen vlot toegankelijke plaats in een opslagruimte of ten minsten onder een dekzeil bewaard.

Artikel 25 De exploitant bewaart de door de erkende ophaler of vervoerder overgemaakte lijsten van opgehaalde krengen.

Hoofdstuk 8. Controle, autocontrole, zelftoezicht

Artikel 26 De SANITEL-inventaris en de lijsten bedoeld in artikel 25 worden gedurende vijf jaar op de exploitatiezetel bewaard en ter inzage gelegd van de toezichthoudend ambtenaar.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 27 De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Namen, 22 december 2005.
  De Minister-President,
  E. DI RUPO
  De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme,
  B. LUTGEN.