Koninklijk besluit nr. 95 betreffende het brugrustpensioen voor werknemers.
- Section :
- Legislation
- Source :
- Numac 1982001478
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Artikel 1 In het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 93 van 11 november 1967, door de wetten van 24 en 27 juni 1969, 5 en 29 juni 1970, 27 juli en 16 augustus 1971, door het koninklijk besluit van 8 november 1971, door de wetten van 26 juni 1972, 28 maart en 27 december 1973, 28 maart 1975, 5 januari, 27 februari, 2 juli en 27 december 1976, 22 december 1977, 5 augustus 1978, door het koninklijk besluit nr. 17 van 30 november 1978, door de wetten van 8 augustus 1980, 10 februari 1981 en door het koninklijk besluit nr. 32 van 30 maart 1982, wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt:
"....."
Artikel 2 Aan artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, gewijzigd door de wetten van 1 juli 1976 en 18 december 1976 en door het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"....."
Artikel 3 In artikel 16bis, § 4, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "of voor jaren toegevoegd in toepassing van artikel 5bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers" ingelast tussen de woorden "jaren vóór 1946" en "een weerslag kan hebben".
Artikel 4 Onverminderd de bepalingen van artikel 5 oefent de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening het toezicht uit op de vervanging van de gepensioneerde werknemer bedoeld in artikel 5bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
De uitoefening van dit toezicht gebeurt eveneens:
a) in de privé-sector door:
1° de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan,
2° de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis daarvan,
3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis daarvan;
4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
b) in de openbare diensten door de syndicale raad van advies of de personeelsraad.
Artikel 5 <W 1989-12-22/31, Art. 227, 003; En vigueur : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van hogergenoemd koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
Artikel 6 <W 1985-08-01/31, Art. 87, 002>§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 F of met één van die straffen alleen :
1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van artikel 5bis van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en van de uitvoeringsbepalingen ervan niet in acht nemen;
2° al wie het krachtens dit besluit geregelde toezicht hindert.
De bepalingen van artikel 54 en 56 tot en met 59 van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde misdrijven.
§ 2. De werkgever die de verbintenis tot vervanging voorzien in artikel 5bis van bovengenoemd koninklijk besluit nr 50 of de bij koninklijk besluit voor deze vervanging vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt kan, voor ieder werknemer die op grond van ditzelfde artikel gepensioneerd wordt, een administratieve boete oplopen van 25 000 tot 150 000 F volgens de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
Artikel 7 De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen ontstaan uit de toepassing van dit besluit.
Artikel 8 Vallen ten laste van de Staat, tot en met de maand tijdens dewelke de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt:
1° de rustpensioenen die toegekend worden overeenkomstig artikel 5bis, ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers door artikel 1 van dit besluit;
2° de rustpensioenen als zelfstandige die ingegaan zijn voor de leeftijd van 65 jaar en waarvan het bedrag niet werd verminderd krachtens het derde lid toegevoegd aan artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen door artikel 2 van dit besluit.
Artikel 9 De artikelen 68 tot 80 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 21 van 7 december 1978 worden opgeheven. Zij blijven evenwel van toepassing op de wettelijke brugpensioenen die vóór 1 januari 1983 zijn ingegaan.
Artikel 10 Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, uitgezonderd artikel 9 dat in werking treedt op 1 januari 1983.
Artikel 11 Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Staatssecretaris voor Pensioenen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
"....."
Artikel 2 Aan artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, gewijzigd door de wetten van 1 juli 1976 en 18 december 1976 en door het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"....."
Artikel 3 In artikel 16bis, § 4, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "of voor jaren toegevoegd in toepassing van artikel 5bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers" ingelast tussen de woorden "jaren vóór 1946" en "een weerslag kan hebben".
Artikel 4 Onverminderd de bepalingen van artikel 5 oefent de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening het toezicht uit op de vervanging van de gepensioneerde werknemer bedoeld in artikel 5bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
De uitoefening van dit toezicht gebeurt eveneens:
a) in de privé-sector door:
1° de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan,
2° de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis daarvan,
3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis daarvan;
4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
b) in de openbare diensten door de syndicale raad van advies of de personeelsraad.
Artikel 5 <W 1989-12-22/31, Art. 227, 003; En vigueur : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van hogergenoemd koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
Artikel 6 <W 1985-08-01/31, Art. 87, 002>§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 F of met één van die straffen alleen :
1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van artikel 5bis van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en van de uitvoeringsbepalingen ervan niet in acht nemen;
2° al wie het krachtens dit besluit geregelde toezicht hindert.
De bepalingen van artikel 54 en 56 tot en met 59 van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde misdrijven.
§ 2. De werkgever die de verbintenis tot vervanging voorzien in artikel 5bis van bovengenoemd koninklijk besluit nr 50 of de bij koninklijk besluit voor deze vervanging vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt kan, voor ieder werknemer die op grond van ditzelfde artikel gepensioneerd wordt, een administratieve boete oplopen van 25 000 tot 150 000 F volgens de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
Artikel 7 De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen ontstaan uit de toepassing van dit besluit.
Artikel 8 Vallen ten laste van de Staat, tot en met de maand tijdens dewelke de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt:
1° de rustpensioenen die toegekend worden overeenkomstig artikel 5bis, ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers door artikel 1 van dit besluit;
2° de rustpensioenen als zelfstandige die ingegaan zijn voor de leeftijd van 65 jaar en waarvan het bedrag niet werd verminderd krachtens het derde lid toegevoegd aan artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen door artikel 2 van dit besluit.
Artikel 9 De artikelen 68 tot 80 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 21 van 7 december 1978 worden opgeheven. Zij blijven evenwel van toepassing op de wettelijke brugpensioenen die vóór 1 januari 1983 zijn ingegaan.
Artikel 10 Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, uitgezonderd artikel 9 dat in werking treedt op 1 januari 1983.
Artikel 11 Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Staatssecretaris voor Pensioenen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.