Programmawet.
- Section :
- Legislation
- Source :
- Numac 2003021183
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Titel 1. Algemene bepaling
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Titel 2. Fiscale en financiële bepalingen
Hoofdstuk 1. Uitstel van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen
Artikel 2 In afwijking van artikel 122 van de programmawet van 8 april 2003 treden op 1 januari 2004 de volgende artikelen van de wet van 30 december 2002 houdende diverse bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen, in werking : de artikelen 2 tot 9, 11, voorzover daarbij een paragraaf 1 wordt ingevoegd in artikel 371 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, 12, 23 tot 28, 30 en 31.
Hoofdstuk 2. Bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 37, § 1, en 105, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Artikel 3 Met uitwerking op de data van hun respectieve inwerkingtreding, worden bekrachtigd :
1° het koninklijk besluit van 25 maart 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
2° het koninklijk besluit van 30 maart 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
3° het koninklijk besluit van 5 oktober 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
4° het koninklijk besluit van 26 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
5° het koninklijk besluit van 8 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
6° de twee koninklijke besluiten van 28 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
7° het koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
8° het koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
9° het koninklijk besluit van 18 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
10° het koninklijk besluit van 20 september 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en tot opheffing van het ministerieel besluit nr. 21 van 5 mei 1999 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van de rubrieken XXIIIbis en XXXV van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, alsmede het ministerieel besluit van 25 augustus 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit nr. 21 van 5 mei 1999 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van de rubrieken XXIIIbis en XXXV van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
11° het koninklijk besluit van 19 december 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
12° het koninklijk besluit van 27 december 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
13° het koninklijk besluit van 22 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
14° het koninklijk besluit van 7 juli 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Hoofdstuk 3. Bekrachtiging van koninklijke besluiten met betrekking tot accijnzen
Artikel 4 Worden bekrachtigd met ingang van de data van hun respectieve inwerkingtreding :
1° het koninklijk besluit van 10 januari 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
2° het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
3° het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
4° het koninklijk besluit van 7 juli 2002 tot wijziging van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak;
5° het koninklijk besluit van 27 december 2002 betreffende het fiscaal stelsel van sigaretten en zware stookolie;
6° het koninklijk besluit van 27 december 2002 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
7° het koninklijk besluit van 22 juni 2003 tot wijziging van de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een bijdrage op de energie ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid.
Hoofdstuk 4. Bekrachtiging van diverse koninklijke besluiten tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
Artikel 5 Worden bekrachtigd met ingang van de dag van hun respectieve inwerkingtreding :
1° het koninklijk besluit van 21 november 2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
2° het koninklijk besluit van 19 juni 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
3° het koninklijk besluit van 25 oktober 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
4° het koninklijk besluit van 12 december 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
5° het koninklijk besluit van 9 januari 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing.
Hoofdstuk 5. Wijziging van de energiebijdrage
Artikel 6 Artikel 2 van de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een bijdrage op de energie ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, bij de wet van 26 juni 2002 en bij het koninklijk besluit van 22 juni 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. Er wordt een bijdrage op de energie ingesteld die als volgt wordt vastgesteld :
A. Motorbrandstoffen.
Ongelode benzine : 28,6317 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Kerosine gebruikt als motorbrandstof : 28,6317 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Gasolie voor motoraandrijving : 14,8736 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Vloeibaar petroleumgas gebruikt als motorbrandstof : 0 EUR.
Andere : 0 EUR.
B. Brandstoffen voor verwarming.
Verwarmingsgasolie (huisbrandolie) : 13,4854 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Lamppetroleum gebruikt voor verwarming : 17,9475 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Zware stookolie : 0 EUR.
Aardgas :
- waarvan het verbruik minder bedraagt dan 976,944 MWh per jaar en per eindafnemer : 1,1589 EUR per MWh;
- waarvan het verbruik gelijk is aan of meer bedraagt dan 976,944 MWh per jaar en per eindafnemer : 0 EUR per MWh.
Vloeibaar petroleumgas :
- butaan : 17,1047 EUR per 1 000 kg;
- propaan : 17,3525 EUR per 1 000 kg.
Andere : 0 EUR.
C. Elektriciteit.
- laagspanningstarief : 1,9088 EUR per MWh;
- hoogspanningstarief : 0 EUR per MWh. ".
Artikel 7 Artikel 6 treedt in werking op 4 augustus 2003.
Hoofdstuk 6. Cliquetsysteem motorbrandstoffen
Artikel 8 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 9 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 10 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 11 Overeenkomstig artikel 14 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie bepaalt de Koning de eventuele voorwaarden en beperkingen binnen dewelke een belastingheffing op de voorraden minerale olie die al tot verbruik werden aangeboden zal plaatsvinden bij elke verhoging van de bijzondere accijns. Deze voorwaarden en beperkingen zullen worden opgenomen in een enkel, voor alle accijnsverhogingen geldig koninklijk besluit.
Hoofdstuk 7. Wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Accijnscompenserende belasting.
Artikel 12 Artikel 109 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt vervangen als volgt :
" Art. 109. De accijnscompenserende belasting wordt naargelang het aanslagjaar vastgesteld naar de volgende aanslagvoeten in functie van het belastbaar vermogen, berekend overeenkomstig artikel 7 en de voor zijn uitvoering genomen besluiten :
Aantal PK Aanslagjaar Aanslagjaar Aanslagjaar Aanslagjaar
2004 2005 2006 2007
Bedrag van de Bedrag van de Bedrag van de Bedrag van de
belasting belasting belasting belasting
< of = 4 11,28 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
5 17,40 EUR 4,32 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
6 30,96 EUR 17,88 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
7 44,28 EUR 31,20 EUR 5,16 EUR 0,00 EUR
8 57,84 EUR 44,76 EUR 18,72 EUR 0,00 EUR
9 71,40 EUR 58,32 EUR 32,28 EUR 0,00 EUR
10 84,72 EUR 71,64 EUR 45,60 EUR 5,76 EUR
11 113,88 EUR 100,80 EUR 74,76 EUR 34,92 EUR
12 142,92 EUR 129,84 EUR 103,80 EUR 63,96 EUR
13 264,24 EUR 251,16 EUR 225,12 EUR 185,28 EUR
14 415,08 EUR 402,00 EUR 375,96 EUR 336,12 EUR
15 473,16 EUR 460,08 EUR 434,04 EUR 394,20 EUR
16 623,88 EUR 610,80 EUR 584,76 EUR 544,92 EUR
17 774,48 EUR 761,40 EUR 735,36 EUR 695,52 EUR
18 924,96 EUR 911,88 EUR 885,84 EUR 846,00 EUR
19 1 075,44 EUR 1 062,36 EUR 1 036,32 EUR 996,48 EUR
20 1 226,28 EUR 1 213,20 EUR 1 187,16 EUR 1 147,32 EUR
Wanneer het belastbaar vermogen 20 paardenkracht te boven gaat, is de belasting vastgesteld op een aanslagvoet voor het desbetreffende aanslagjaar verschuldigd voor een belastbaar vermogen van 20 paardenkracht verhoogd met 67,56 EUR per paardenkracht boven 20. ".
Artikel 13 Titel VI " Accijnscompenserende belasting " van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 29 van de wet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, wordt opgeheven.
Artikel 14 Artikel 12 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2004.
Artikel 13 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2008.
Hoofdstuk 8. Belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven door middel van uitrustingen voor solaire en geothermische energieopwekking
Artikel 15 In artikel 145/24 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt :
a) het woord " sanitaire " geschrapt in de Franse tekst van 2°;
b) een 3°bis ingevoegd luidende :
" 3°bis uitgaven voor de plaatsing van alle andere uitrustingen voor geothermische energieopwekking; ";
2° het derde lid, a), wordt vervangen als volgt :
" a) 15 pct. voor de in het eerste lid, 1° tot 3°bis, genoemde uitgaven; ".
Artikel 16 Artikel 15, 1°, a), treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2004.
Artikel 15, 1°, b), en 2°, treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2005.
Hoofdstuk 9. Wijziging aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Artikel 17 In artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij artikel 123 van de programmawet van 8 april 2003, worden de woorden " of de bedrijfsleider die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, " ingevoegd tussen de woorden " dat de werknemer " en de woorden " zijn werkgever verlaat, ".
Artikel 18 Artikel 17 heeft uitwerking vanaf het aanslagjaar 2003.
Hoofdstuk 10. Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
Artikel 19 Artikel 31 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 31. Deze wet treedt in werking op 1 september 2004. ".
Hoofdstuk 11. Taks op de materiële aflevering van effecten aan toonder en op de collectieve beleggingsinstellingen
Artikel 20 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Artikel 21 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Artikel 22 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Hoofdstuk 12. Toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Artikel 23 De bepalingen van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, worden bekrachtigd met uitwerking op de datum waarop zij in werking treden of uitwerking hebben.
Artikel 24 Artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt vervangen als volgt :
" Art. 40. § 1. De personeelsleden van de CDV worden overgedragen aan de CBFA.
De CBFA biedt deze statutaire personeelsleden vóór 31 december 2005 een arbeidsovereenkomst aan die hun pecuniaire voorwaarden waarborgt die ten minste gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die zij bij de CDV genoten.
Aan deze arbeidsovereenkomst zullen de bij de CBFA geldende aanwervings-, evaluatie- en bevorderingscriteria verbonden zijn die in een overgangsplan zijn goedgekeurd door het integratiecomité, en die rekening houden met de bij de CBF geldende criteria.
Indien zij de aangeboden arbeidsovereenkomst niet aanvaarden, behouden de personeelsleden van de CDV, gedurende hun volledige verdere loopbaan, hun rechten inzake administratief statuut, bezoldigings- en pensioenregeling als bedoeld in artikel 91 van dezelfde wet.
§ 2. Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de personeelsleden die ter uitvoering van artikel 45, § 2, 2°, van dezelfde wet zijn overgedragen van de CDV aan de CBFA en hebben geopteerd voor het behoud van hun statuut met toepassing van § 1, vierde lid, van onderhavig artikel, evenals het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat hun toegekend zou zijn geweest overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die op het ogenblik van hun overdracht op hen van toepassing waren, doch rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen nadien zouden hebben ondergaan ingevolge algemeen toepasselijke maatregelen voor de instellingen waarop het pensioenstelsel van toepassing is van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
§ 3. Het overgangsplan bedoeld in § 1, derde lid, bepaalt dat de statutaire personeelsleden van de CDV verlof voorafgaand aan de pensionering kunnen aanvragen, ten laste van de instelling die hen heeft aangeworven en overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Koning.
Het overgangsplan bedoeld in § 1, derde lid, moet aantonen dat het jaarlijkse budget dat nodig is om de tenuitvoerlegging van § 1, derde en vierde lid, § 2 en § 3, eerste lid, te financieren, moet worden gedragen door de ondernemingen die, conform artikel 45, § 1, 5° tot 12°, van dezelfde wet, onder het toezicht van de CBFA staan of waarvan de verrichtingen, conform dat artikel, onder haar toezicht staan. ".
Artikel 25 De artikelen 23 en 24 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Titel 3. Diverse bepalingen
Hoofdstuk 1. Sociale Zekerheid
Artikel 26 De artikelen 239, 241 en 242 van de programmawet (I) van 24 december 2002 worden ingetrokken.
Artikel 27 De artikelen 14, 15 en 16 van de programmawet van 8 april 2003 worden ingetrokken.
Artikel 28 Artikel 29 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De bepalingen, van toepassing op de Technische Raden omschreven in artikel 27, eerste lid, zijn eveneens van toepassing op de Technische Raden omschreven in het eerste lid. ".
Artikel 29 In artikel 34, eerste lid, 4°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt het woord " wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " bandagen ".
Artikel 30 In artikel 35, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 24 december 1999, 10 augustus 2001 en 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, derde zin, worden de woorden " of wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " betreft ";
2° in het tweede lid, vierde zin, worden de woorden " of wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " gaat ";
3° het tweede lid wordt als volgt aangevuld :
" Met betrekking tot de verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 4°, voor zover het wagentjes betreft, kan de Koning aparte aannemingscriteria vaststellen wanneer het product verhuurd wordt aan de rechthebbende.
De Koning legt de procedure vast die moet worden gevolgd door de bedrijven die de aanneming, een wijziging of de schrapping van een wagentje op de lijst van de vergoedbare producten vragen. Hij bepaalt bovendien de termijnen en de verplichtingen die moeten worden nageleefd in geval van een verzoek tot aanneming, wijziging of schrapping. ".
Hoofdstuk 2. Volksgezondheid
Artikel 31 De eerste volzin van artikel 9 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Deze wet treedt in werking op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum. ".
Hoofdstuk 3. Maatschappelijke integratie
Artikel 32 In artikel 3, § 7, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden " 1 september 2003 " vervangen door de woorden " 31 december 2003 ".
Hoofdstuk 4. Wijziging van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de nietcorrectionaliseerbare misdaden te verlengen
Artikel 33 In artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, worden de woorden " en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum " ingevoegd na de woorden " in het Belgisch Staatsblad ".
Artikel 34 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2003.
Hoofdstuk 5. Mobiliteit - Wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer.
Artikel 35 Artikel 1, derde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 20 juli 1991, wordt vervangen als volgt :
" Op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort, bepaalt de Koning het bedrag van die retributies. Die retributies zullen wat betreft de inschrijving van de voertuigen, behalve de retributies betreffende het reserveren van een gepersonaliseerd opschrift, vanaf het jaar 2006 worden afgeschaft en mogen vanaf het jaar 2004 niet meer dan 31 EUR bedragen. ".
Artikel 36 Artikel 35 treedt in werking op 1 januari 2004.
Hoofdstuk 6. Overheidsbedrijven
Sectie 1. Wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Artikel 37 In artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994 en 12 december 1997 en vervangen bij de wet van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, worden tussen het eerste en het tweede lid, de volgende leden ingevoegd :
" De gemeente kan De Post NV van publiek recht machtigen tot het afgeven van identiteitskaarten volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. Voor de uitvoering van deze taak heeft De Post NV van publiek recht :
1° toegang tot enkel die gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, die overeenkomstig § 2, tweede en derde lid, op de identiteitskaart dienen te staan;
2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken;
3° toegang tot het Register van de Identiteitskaarten, bedoeld in artikel 6bis.
De gegevens verkregen door De Post NV van publiek recht in toepassing van het eerste lid mogen enkel worden gebruikt voor de afgifte van identiteitskaarten als bedoeld in dit artikel.
Voor de uitvoering van de in het tweede lid vermelde taak ontvangt De Post NV van publiek recht een vergoeding ten laste van de federale overheid. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de uitvoering en de vergoeding van deze taak, waarbij wordt voorzien in een overeenkomst af te sluiten tussen de Belgische Staat en De Post NV van publiek recht ";
2° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" De identiteitskaart bevat, naast de handtekening van de houder, hetzij de handtekening van de gemeenteambtenaar die de kaart aflevert, hetzij, wanneer de kaart wordt afgeleverd door De Post NV van publiek recht, deze van de persoon van deze onderneming daartoe gemachtigd overeenkomstig de nadere regels vastgesteld bij het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, tweede lid. Zij bevat bovendien persoonsgegevens die zowel met het blote oog zichtbaar zijn als op elektronische wijze leesbaar zijn. ".
Sectie 2. Wijziging van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom
Artikel 38 In artikel 4, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom gewijzigd door de programmawet van 2 augustus 2002, worden de woorden " 30 juni 2003 " vervangen door de woorden " 30 juni 2004 ".
Sectie 3. BIAC - Wijziging van de programmawet van 30 december 2001.
Artikel 39 In artikel 164, §§ 1 en 3, van de programmawet van 30 december 2001, worden telkens de woorden " 30 juni 2003 " vervangen door de woorden " 30 juni 2004 ".
Hoofdstuk 7. Ambtenarenzaken - Wijziging van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken.
Artikel 40 In artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, ingevoegd bij de wet van 12 juni 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden tussen de woorden " centrale diensten " en de woorden " ingedeeld " de woorden " uitgezonderd de cel beleidsvoorbereiding " ingevoegd;
2° in § 3 worden tussen de woorden " oneven is " en de woorden " , worden verdeeld ", de woorden " en uitgezonderd de betrekkingen van de leden van de cel beleidsvoorbereiding " ingevoegd.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Galaxidi, 5 augustus 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Eerste Minister, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
L. MICHEL
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Sociale Zaken,
R. DEMOTTE
De Minister van Economie en Energie,
Mevr. F. MOERMAN
De Minister van Mobiliteit,
B. ANCIAUX
Voor de Minister van Ambtenarenzaken, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
Met 's Lands zegel gezegeld :
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Titel 2. Fiscale en financiële bepalingen
Hoofdstuk 1. Uitstel van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen
Artikel 2 In afwijking van artikel 122 van de programmawet van 8 april 2003 treden op 1 januari 2004 de volgende artikelen van de wet van 30 december 2002 houdende diverse bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen, in werking : de artikelen 2 tot 9, 11, voorzover daarbij een paragraaf 1 wordt ingevoegd in artikel 371 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, 12, 23 tot 28, 30 en 31.
Hoofdstuk 2. Bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 37, § 1, en 105, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Artikel 3 Met uitwerking op de data van hun respectieve inwerkingtreding, worden bekrachtigd :
1° het koninklijk besluit van 25 maart 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
2° het koninklijk besluit van 30 maart 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
3° het koninklijk besluit van 5 oktober 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
4° het koninklijk besluit van 26 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
5° het koninklijk besluit van 8 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
6° de twee koninklijke besluiten van 28 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
7° het koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
8° het koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
9° het koninklijk besluit van 18 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
10° het koninklijk besluit van 20 september 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en tot opheffing van het ministerieel besluit nr. 21 van 5 mei 1999 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van de rubrieken XXIIIbis en XXXV van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, alsmede het ministerieel besluit van 25 augustus 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit nr. 21 van 5 mei 1999 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van de rubrieken XXIIIbis en XXXV van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
11° het koninklijk besluit van 19 december 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
12° het koninklijk besluit van 27 december 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
13° het koninklijk besluit van 22 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
14° het koninklijk besluit van 7 juli 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Hoofdstuk 3. Bekrachtiging van koninklijke besluiten met betrekking tot accijnzen
Artikel 4 Worden bekrachtigd met ingang van de data van hun respectieve inwerkingtreding :
1° het koninklijk besluit van 10 januari 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
2° het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
3° het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
4° het koninklijk besluit van 7 juli 2002 tot wijziging van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak;
5° het koninklijk besluit van 27 december 2002 betreffende het fiscaal stelsel van sigaretten en zware stookolie;
6° het koninklijk besluit van 27 december 2002 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
7° het koninklijk besluit van 22 juni 2003 tot wijziging van de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een bijdrage op de energie ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid.
Hoofdstuk 4. Bekrachtiging van diverse koninklijke besluiten tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
Artikel 5 Worden bekrachtigd met ingang van de dag van hun respectieve inwerkingtreding :
1° het koninklijk besluit van 21 november 2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
2° het koninklijk besluit van 19 juni 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
3° het koninklijk besluit van 25 oktober 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
4° het koninklijk besluit van 12 december 2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
5° het koninklijk besluit van 9 januari 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing.
Hoofdstuk 5. Wijziging van de energiebijdrage
Artikel 6 Artikel 2 van de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een bijdrage op de energie ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, bij de wet van 26 juni 2002 en bij het koninklijk besluit van 22 juni 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. Er wordt een bijdrage op de energie ingesteld die als volgt wordt vastgesteld :
A. Motorbrandstoffen.
Ongelode benzine : 28,6317 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Kerosine gebruikt als motorbrandstof : 28,6317 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Gasolie voor motoraandrijving : 14,8736 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Vloeibaar petroleumgas gebruikt als motorbrandstof : 0 EUR.
Andere : 0 EUR.
B. Brandstoffen voor verwarming.
Verwarmingsgasolie (huisbrandolie) : 13,4854 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Lamppetroleum gebruikt voor verwarming : 17,9475 EUR per 1 000 liter bij 15 °C.
Zware stookolie : 0 EUR.
Aardgas :
- waarvan het verbruik minder bedraagt dan 976,944 MWh per jaar en per eindafnemer : 1,1589 EUR per MWh;
- waarvan het verbruik gelijk is aan of meer bedraagt dan 976,944 MWh per jaar en per eindafnemer : 0 EUR per MWh.
Vloeibaar petroleumgas :
- butaan : 17,1047 EUR per 1 000 kg;
- propaan : 17,3525 EUR per 1 000 kg.
Andere : 0 EUR.
C. Elektriciteit.
- laagspanningstarief : 1,9088 EUR per MWh;
- hoogspanningstarief : 0 EUR per MWh. ".
Artikel 7 Artikel 6 treedt in werking op 4 augustus 2003.
Hoofdstuk 6. Cliquetsysteem motorbrandstoffen
Artikel 8 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 9 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 10 (Opgeheven) <KB 2004-02-29/33, Art. 3, 003; En vigueur : 05-03-2004>
Artikel 11 Overeenkomstig artikel 14 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie bepaalt de Koning de eventuele voorwaarden en beperkingen binnen dewelke een belastingheffing op de voorraden minerale olie die al tot verbruik werden aangeboden zal plaatsvinden bij elke verhoging van de bijzondere accijns. Deze voorwaarden en beperkingen zullen worden opgenomen in een enkel, voor alle accijnsverhogingen geldig koninklijk besluit.
Hoofdstuk 7. Wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Accijnscompenserende belasting.
Artikel 12 Artikel 109 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt vervangen als volgt :
" Art. 109. De accijnscompenserende belasting wordt naargelang het aanslagjaar vastgesteld naar de volgende aanslagvoeten in functie van het belastbaar vermogen, berekend overeenkomstig artikel 7 en de voor zijn uitvoering genomen besluiten :
Aantal PK Aanslagjaar Aanslagjaar Aanslagjaar Aanslagjaar
2004 2005 2006 2007
Bedrag van de Bedrag van de Bedrag van de Bedrag van de
belasting belasting belasting belasting
< of = 4 11,28 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
5 17,40 EUR 4,32 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
6 30,96 EUR 17,88 EUR 0,00 EUR 0,00 EUR
7 44,28 EUR 31,20 EUR 5,16 EUR 0,00 EUR
8 57,84 EUR 44,76 EUR 18,72 EUR 0,00 EUR
9 71,40 EUR 58,32 EUR 32,28 EUR 0,00 EUR
10 84,72 EUR 71,64 EUR 45,60 EUR 5,76 EUR
11 113,88 EUR 100,80 EUR 74,76 EUR 34,92 EUR
12 142,92 EUR 129,84 EUR 103,80 EUR 63,96 EUR
13 264,24 EUR 251,16 EUR 225,12 EUR 185,28 EUR
14 415,08 EUR 402,00 EUR 375,96 EUR 336,12 EUR
15 473,16 EUR 460,08 EUR 434,04 EUR 394,20 EUR
16 623,88 EUR 610,80 EUR 584,76 EUR 544,92 EUR
17 774,48 EUR 761,40 EUR 735,36 EUR 695,52 EUR
18 924,96 EUR 911,88 EUR 885,84 EUR 846,00 EUR
19 1 075,44 EUR 1 062,36 EUR 1 036,32 EUR 996,48 EUR
20 1 226,28 EUR 1 213,20 EUR 1 187,16 EUR 1 147,32 EUR
Wanneer het belastbaar vermogen 20 paardenkracht te boven gaat, is de belasting vastgesteld op een aanslagvoet voor het desbetreffende aanslagjaar verschuldigd voor een belastbaar vermogen van 20 paardenkracht verhoogd met 67,56 EUR per paardenkracht boven 20. ".
Artikel 13 Titel VI " Accijnscompenserende belasting " van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 29 van de wet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, wordt opgeheven.
Artikel 14 Artikel 12 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2004.
Artikel 13 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2008.
Hoofdstuk 8. Belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven door middel van uitrustingen voor solaire en geothermische energieopwekking
Artikel 15 In artikel 145/24 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt :
a) het woord " sanitaire " geschrapt in de Franse tekst van 2°;
b) een 3°bis ingevoegd luidende :
" 3°bis uitgaven voor de plaatsing van alle andere uitrustingen voor geothermische energieopwekking; ";
2° het derde lid, a), wordt vervangen als volgt :
" a) 15 pct. voor de in het eerste lid, 1° tot 3°bis, genoemde uitgaven; ".
Artikel 16 Artikel 15, 1°, a), treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2004.
Artikel 15, 1°, b), en 2°, treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2005.
Hoofdstuk 9. Wijziging aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Artikel 17 In artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij artikel 123 van de programmawet van 8 april 2003, worden de woorden " of de bedrijfsleider die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, " ingevoegd tussen de woorden " dat de werknemer " en de woorden " zijn werkgever verlaat, ".
Artikel 18 Artikel 17 heeft uitwerking vanaf het aanslagjaar 2003.
Hoofdstuk 10. Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
Artikel 19 Artikel 31 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 31. Deze wet treedt in werking op 1 september 2004. ".
Hoofdstuk 11. Taks op de materiële aflevering van effecten aan toonder en op de collectieve beleggingsinstellingen
Artikel 20 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Artikel 21 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Artikel 22 (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, Art. 305, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Hoofdstuk 12. Toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Artikel 23 De bepalingen van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, worden bekrachtigd met uitwerking op de datum waarop zij in werking treden of uitwerking hebben.
Artikel 24 Artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt vervangen als volgt :
" Art. 40. § 1. De personeelsleden van de CDV worden overgedragen aan de CBFA.
De CBFA biedt deze statutaire personeelsleden vóór 31 december 2005 een arbeidsovereenkomst aan die hun pecuniaire voorwaarden waarborgt die ten minste gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die zij bij de CDV genoten.
Aan deze arbeidsovereenkomst zullen de bij de CBFA geldende aanwervings-, evaluatie- en bevorderingscriteria verbonden zijn die in een overgangsplan zijn goedgekeurd door het integratiecomité, en die rekening houden met de bij de CBF geldende criteria.
Indien zij de aangeboden arbeidsovereenkomst niet aanvaarden, behouden de personeelsleden van de CDV, gedurende hun volledige verdere loopbaan, hun rechten inzake administratief statuut, bezoldigings- en pensioenregeling als bedoeld in artikel 91 van dezelfde wet.
§ 2. Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de personeelsleden die ter uitvoering van artikel 45, § 2, 2°, van dezelfde wet zijn overgedragen van de CDV aan de CBFA en hebben geopteerd voor het behoud van hun statuut met toepassing van § 1, vierde lid, van onderhavig artikel, evenals het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat hun toegekend zou zijn geweest overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die op het ogenblik van hun overdracht op hen van toepassing waren, doch rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen nadien zouden hebben ondergaan ingevolge algemeen toepasselijke maatregelen voor de instellingen waarop het pensioenstelsel van toepassing is van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
§ 3. Het overgangsplan bedoeld in § 1, derde lid, bepaalt dat de statutaire personeelsleden van de CDV verlof voorafgaand aan de pensionering kunnen aanvragen, ten laste van de instelling die hen heeft aangeworven en overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Koning.
Het overgangsplan bedoeld in § 1, derde lid, moet aantonen dat het jaarlijkse budget dat nodig is om de tenuitvoerlegging van § 1, derde en vierde lid, § 2 en § 3, eerste lid, te financieren, moet worden gedragen door de ondernemingen die, conform artikel 45, § 1, 5° tot 12°, van dezelfde wet, onder het toezicht van de CBFA staan of waarvan de verrichtingen, conform dat artikel, onder haar toezicht staan. ".
Artikel 25 De artikelen 23 en 24 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Titel 3. Diverse bepalingen
Hoofdstuk 1. Sociale Zekerheid
Artikel 26 De artikelen 239, 241 en 242 van de programmawet (I) van 24 december 2002 worden ingetrokken.
Artikel 27 De artikelen 14, 15 en 16 van de programmawet van 8 april 2003 worden ingetrokken.
Artikel 28 Artikel 29 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De bepalingen, van toepassing op de Technische Raden omschreven in artikel 27, eerste lid, zijn eveneens van toepassing op de Technische Raden omschreven in het eerste lid. ".
Artikel 29 In artikel 34, eerste lid, 4°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt het woord " wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " bandagen ".
Artikel 30 In artikel 35, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 24 december 1999, 10 augustus 2001 en 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, derde zin, worden de woorden " of wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " betreft ";
2° in het tweede lid, vierde zin, worden de woorden " of wagentjes " ingevoegd tussen de woorden " implantaten " en " gaat ";
3° het tweede lid wordt als volgt aangevuld :
" Met betrekking tot de verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 4°, voor zover het wagentjes betreft, kan de Koning aparte aannemingscriteria vaststellen wanneer het product verhuurd wordt aan de rechthebbende.
De Koning legt de procedure vast die moet worden gevolgd door de bedrijven die de aanneming, een wijziging of de schrapping van een wagentje op de lijst van de vergoedbare producten vragen. Hij bepaalt bovendien de termijnen en de verplichtingen die moeten worden nageleefd in geval van een verzoek tot aanneming, wijziging of schrapping. ".
Hoofdstuk 2. Volksgezondheid
Artikel 31 De eerste volzin van artikel 9 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Deze wet treedt in werking op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum. ".
Hoofdstuk 3. Maatschappelijke integratie
Artikel 32 In artikel 3, § 7, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden " 1 september 2003 " vervangen door de woorden " 31 december 2003 ".
Hoofdstuk 4. Wijziging van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de nietcorrectionaliseerbare misdaden te verlengen
Artikel 33 In artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, worden de woorden " en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum " ingevoegd na de woorden " in het Belgisch Staatsblad ".
Artikel 34 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2003.
Hoofdstuk 5. Mobiliteit - Wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer.
Artikel 35 Artikel 1, derde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 20 juli 1991, wordt vervangen als volgt :
" Op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort, bepaalt de Koning het bedrag van die retributies. Die retributies zullen wat betreft de inschrijving van de voertuigen, behalve de retributies betreffende het reserveren van een gepersonaliseerd opschrift, vanaf het jaar 2006 worden afgeschaft en mogen vanaf het jaar 2004 niet meer dan 31 EUR bedragen. ".
Artikel 36 Artikel 35 treedt in werking op 1 januari 2004.
Hoofdstuk 6. Overheidsbedrijven
Sectie 1. Wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Artikel 37 In artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994 en 12 december 1997 en vervangen bij de wet van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, worden tussen het eerste en het tweede lid, de volgende leden ingevoegd :
" De gemeente kan De Post NV van publiek recht machtigen tot het afgeven van identiteitskaarten volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. Voor de uitvoering van deze taak heeft De Post NV van publiek recht :
1° toegang tot enkel die gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, die overeenkomstig § 2, tweede en derde lid, op de identiteitskaart dienen te staan;
2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken;
3° toegang tot het Register van de Identiteitskaarten, bedoeld in artikel 6bis.
De gegevens verkregen door De Post NV van publiek recht in toepassing van het eerste lid mogen enkel worden gebruikt voor de afgifte van identiteitskaarten als bedoeld in dit artikel.
Voor de uitvoering van de in het tweede lid vermelde taak ontvangt De Post NV van publiek recht een vergoeding ten laste van de federale overheid. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de uitvoering en de vergoeding van deze taak, waarbij wordt voorzien in een overeenkomst af te sluiten tussen de Belgische Staat en De Post NV van publiek recht ";
2° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" De identiteitskaart bevat, naast de handtekening van de houder, hetzij de handtekening van de gemeenteambtenaar die de kaart aflevert, hetzij, wanneer de kaart wordt afgeleverd door De Post NV van publiek recht, deze van de persoon van deze onderneming daartoe gemachtigd overeenkomstig de nadere regels vastgesteld bij het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, tweede lid. Zij bevat bovendien persoonsgegevens die zowel met het blote oog zichtbaar zijn als op elektronische wijze leesbaar zijn. ".
Sectie 2. Wijziging van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom
Artikel 38 In artikel 4, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom gewijzigd door de programmawet van 2 augustus 2002, worden de woorden " 30 juni 2003 " vervangen door de woorden " 30 juni 2004 ".
Sectie 3. BIAC - Wijziging van de programmawet van 30 december 2001.
Artikel 39 In artikel 164, §§ 1 en 3, van de programmawet van 30 december 2001, worden telkens de woorden " 30 juni 2003 " vervangen door de woorden " 30 juni 2004 ".
Hoofdstuk 7. Ambtenarenzaken - Wijziging van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken.
Artikel 40 In artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, ingevoegd bij de wet van 12 juni 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden tussen de woorden " centrale diensten " en de woorden " ingedeeld " de woorden " uitgezonderd de cel beleidsvoorbereiding " ingevoegd;
2° in § 3 worden tussen de woorden " oneven is " en de woorden " , worden verdeeld ", de woorden " en uitgezonderd de betrekkingen van de leden van de cel beleidsvoorbereiding " ingevoegd.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Galaxidi, 5 augustus 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Eerste Minister, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
L. MICHEL
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Sociale Zaken,
R. DEMOTTE
De Minister van Economie en Energie,
Mevr. F. MOERMAN
De Minister van Mobiliteit,
B. ANCIAUX
Voor de Minister van Ambtenarenzaken, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
Met 's Lands zegel gezegeld :
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE