UNIFORME REGELEN betreffende de Overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen .
- Section :
- Legislation
- Source :
- Numac 1980050953
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Titel 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Werkingssfeer.
§ 1. Behoudens de in artikel 2 genoemde uitzonderingen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op alle goederenzendingen, die ten vervoer worden aangeboden met een rechtstreekse vrachtbrief voor een traject, dat op het grondgebied van ten minste twee Staten is gelegen en uitsluitend lijnen omvat, die op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst zijn ingeschreven.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, geeft aan § 1 de volgende vorm : " § 1. Behoudens de in artikel 2 genoemde uitzonderingen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op alle goederenzendingen, die ten vervoer worden aangeboden met een rechtstreekse vrachtbrief voor een traject, dat op het grondgebied van ten minste twee Staten is gelegen en uitsluitend lijnen omvat, die op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst zijn ingeschreven, alsook in voorkomend geval op volgens artikel 2, § 2, alinea 2 van het Verdrag, daarmee gelijkgesteld vervoer. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. In de Uniforme Regelen omvat de term "station": spoorwegstations, havens der scheepvaartlijnen en alle andere ter uitvoering van de vervoerovereenkomst voor het publiek geopende inrichtingen van de vervoerondernemingen.
Artikel 2 Uitzonderingen op de werkingssfeer.
§ 1. Op zendingen, waarvan het station van afzending en het station van bestemming op het grondgebied van dezelfde Staat zijn gelegen en waarvoor het grondgebied van een andere Staat slechts voor doorvoer wordt gebruikt, zijn de Uniforme Regelen niet van toepassing:
a) indien de lijnen, waarover de doorvoer geschiedt, uitsluitend door een spoorweg van de Staat van ertrek worden geëxploiteerd, of
b) indien de betrokken Staten of spoorwegen zijn overeengekomen deze zendingen niet als internationaal te beschouwen.
§ 2. Op zendingen tussen stations van twee aangrenzende Staten en zendingen tussen stations van twee Staten in doorvoer over het grondgebied van een derde Staat is, indien de lijnen waarover het vervoer geschiedt uitsluitend door een spoorweg van één dezer drie Staten worden geëxploiteerd, het voor het nationale vervoer van deze spoorweg geldende recht van toepassing, indien de afzender zulks door gebruikmaking van de desbetreffende vrachtbrief verlangt en de wetten en reglementen van geen der betrokken Staten zich daartegen verzetten.
Artikel 3 <V 1980-05-09/33, Art. M8, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vervoerplicht.
§ 1. De spoorweg is verplicht alle als wagenlading aangeboden goederen overeenkomstig de Uniforme Regelen te vervoeren, mits :
a) de afzender de Uniforme Regelen, de bijkomende bepalingen en de tarieven in acht neemt;
b) het vervoer met het personeel en de normale aan de regelmatige vervoersbehoeften beantwoordende vervoermiddelen mogelijk is;
c) het vervoer niet wordt belemmerd door omstandigheden die de spoorweg niet kan vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kan verhelpen.
§ 2. De spoorweg is slechts verplicht goederen, waarvan het laden, overladen of lossen het gebruik van bijzondere hulpmiddelen vereist, aan te nemen indien de betrokken stations over deze middelen beschikken.
§ 3. De spoorweg is slechts verplicht goederen aan te nemen die zonder uitstel vervoerd kunnen worden; de voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen, in welke gevallen goederen die niet aan deze voorwaarde voldoen, voorlopig in bewaring genomen moeten worden.
§ 4. Indien het bevoegd gezag heeft beslist dat :
a) de dienst geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk zal worden gestaakt;
b) bepaalde zendingen uitgesloten of slechts voorwaardelijk toegelaten zullen worden;
c) bepaalde goederen bij voorrang ten vervoer moeten worden aangenomen,
moeten deze maatregelen onverwijld worden bekendgemaakt aan het publiek en de spoorwegen; deze lichten de spoorwegen van de andere Staten in met het oog op de publicatie daarvan.
§ 5. De spoorwegen kunnen gemeenschappelijk besluiten het vervoer van goederen in bepaalde relaties te concentreren op bepaalde grenspunten en op bepaalde doorvoerlanden.
Deze maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld. Zij worden door de spoorwegen in bijzondere lijsten vastgelegd en op dezelfde wijze als internationale tarieven gepubliceerd; zij treden een maand na de dag van de mededeling aan het Centraal Bureau in werking.
§ 6. Elke door de spoorweg op dit artikel gemaakte inbreuk kan aanleiding geven tot een vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade.
Artikel 4 Van het vervoer uitgesloten voorwerpen.
Van het vervoer zijn uitgesloten:
a) voorwerpen, waarvan het vervoer in één der betrokken Staten is verboden;
b) voorwerpen, waarvan het vervoer in één der betrokken Staten aan de posterijen is voorbehouden;
c) voorwerpen, die door hun afmetingen, massa of aard niet voor het verlangde vervoer geschikt zijn vanwege de inrichtingen of het materieel van één der betrokken spoorwegen;
d) stoffen en voorwerpen, die krachtens het Reglement betreffende het internationaal spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), Bijlage I bij de Uniforme Regelen, van het vervoer zijn uitgesloten, behoudens de in artikel 5, § 2, bedoelde afwijkingen.
Artikel 5 Voorwaardelijk ten vervoer toegelaten voorwerpen.
§ 1. Voorwaardelijk ten vervoer zijn toegelaten:
a) stoffen en voorwerpen, die ten vervoer zijn toegelaten onder de voorwaarden van het RID of van de in § 2 bedoelde overeenkomsten of tarieven;
b) stoffelijke overschotten, op eigen wielen rollend spoorwegmaterieel, levende dieren en voorwerpen, die door hun afmetingen, massa of aard bijzondere moeilijkheden voor het vervoer opleveren: onder de voorwaarden van de bijkomende bepalingen, dit van de Uniforme Regelen mogen afwijken.
Levende dieren moeten worden begeleid door een door de afzender te stellen begeleider; deze is evenwel niet vereist, indien zulks in de internationale tarieven is bepaald of de aan het vervoer deelnemende spoorwegen op verzoek van de afzender daarvan hebben afgezien; tenzij het tegendeel is overeengekomen, is in dat geval de spoorweg ontheven van zijn aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging, ontstaan uit een gevaar, dat door de begeleiding had moeten worden vermeden.
§ 2. Twee of meer Staten kunnen in overeenkomsten of twee of meer spoorwegen kunnen in tarieven overeenkomen, onder welke voorwaarden bepaalde door het RID van het vervoer uitgesloten stoffen en voorwerpen niettemin ten vervoer kunnen worden toegelaten.
De Staten of de spoorwegen kunnen op dezelfde wijze de in het RID genoemde voorwaarden voor de toelating ten vervoer matigen.
Deze overeenkomsten en tarieven moeten worden gepubliceerd en meegedeeld aan het Centraal Bureau, dat daarvan aan de Staten kennis geeft.
Artikel 6 Tarieven. Bijzondere contracten.
§ 1. De vervoerprijs en de bijkomende kosten worden berekend volgens de in elke Staat van kracht zijnde en naar behoren gepubliceerde tarieven, die op het tijdstip van sluiting van de vervoerovereenkomst gelden, ook indien de vervoerprijs op verschillende delen van het traject afzonderlijk wordt berekend.
§ 2. De tarieven moeten alle voor het vervoer geldende bijzondere voorwaarden bevatten, met name de voor de berekening van de vervoerprijs en de bijkomende kosten nodige gegevens en eventueel de voorwaarden voor omrekening van munteenheden.
De voorwaarden van de tarieven mogen slechts van de Uniforme Regelen afwijken, indien deze zulks uitdrukkelijk bepalen.
§ 3. De tarieven moeten jegens een ieder onder dezelfde voorwaarden worden toegepast.
§ 4. De spoorwegen kunnen bijzondere contracten, die prijsverlagingen of andere voordelen bevatten, sluiten, voor zover vergelijkbare voorwaarden worden toegekend aan gebruikers, die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.
Prijsverlagingen of andere voordelen kunnen worden overeengekomen ten behoeve van de spoorwegdiensten of voor liefdadige doeleinden.
De op grond van de eerste en tweede alinea getroffen maatregelen behoeven niet te worden gepubliceerd.
§ 5. De internationale tarieven kunnen voor internationaal vervoer verbindend worden verklaard met uitsluiting van de nationale tarieven.
De toepassing van een internationaal tarief kan van een uitdrukkelijk verzoek in de vrachtbrief afhankelijk worden gesteld.
§ 6. De tarieven en de wijzigingen daarvan gelden als naar behoren gepubliceerd, zodra de spoorweg alle bijzonderheden daarvan ter beschikking van de gebruikers stelt.
Internationale tarieven behoeven slechts gepubliceerd te worden in de Staten, waarvan de spoorwegen aan de tarieven als spoorweg van vertrek of bestemming deelnemen.
§ 7. Prijsverhogingen en andere verzwaringen van de vervoersvoorwaarden van internationale tarieven treden niet eerder dan vijftien dagen na hun publicatie in werking, behalve in de volgende gevallen:
a) Indien een internationaal tarief de gelding van een nationaal tarief tot het gehele traject uitbreidt; gelden de publicatietermijn van dit nationale tarief;
b) Indien de prijsverhogingen van een internationaal tarief het gevolg zijn van een algemene prijsverhoging van de nationale tarieven van een deelnemende spoorweg, treden zij de dag na hun publicatie in werking, mits de aanpassing van de prijzen van het internationale tarief aan deze verhoging ten minste vijftien dagen te voren is aangekondigd; deze aankondiging mag echter niet voor de dag van publicatie van de prijsverhoging van de betreffende nationale tarieven geschieden;
c) Indien de vervoerprijzen en de bijkomende kosten van de internationale tarieven wegens koersveranderingen moeten worden gewijzigd of indien kennelijke fouten moeten worden verbeterd, treden die wijzigingen en verbeteringen de dag na hun publicatie in werking.
§ 8. In Staten, waar de verplichting bepaalde tarieven te publiceren en deze jegens een ieder onder dezelfde voorwaarden toe te passen niet bestaat, zijn de bepalingen van dit artikel, voor zover zij een dergelijke verplichting bevatten, niet van toepassing.
§ 9. De spoorweg mag naast de vervoerprijs en de bijkomende kosten van de tarieven slechts de door hem gedane uitgaven in rekening brengen. Deze uitgaven moeten behoorlijk vastgesteld en, met het nodige bewijs, afzonderlijk op de vrachtbrief vermeld worden. Indien dit bewijs door bij de vrachtbrief gevoegde stukken wordt geleverd en de betaling van de betreffende uitgaven ten laste van de afzender komt, worden die stukken niet met de vrachtbrief aan de geadresseerde, doch met de in artikel 15, § 7, bedoelde kostennota aan de afzender afgegeven.
Artikel 7 Rekeneenheid. Omrekenings- of aannemingskoers.
§ 1. De in de Uniforme Regelen bedoelde rekeneenheid is het Bijzondere Trekkingsrecht, zoals dit is omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een Staat, die lid is van het Internationaal Monetair Fonds, wordt overeenkomstig de door dit Fonds voor zijn eigen verrichtingen en transacties toegepaste waarderingsmethode berekend.
§ 2. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een Staat, die geen lid is van het Internationaal Monetair Fonds, wordt op de door die Staat bepaalde wijze berekend.
Deze berekening moet in de nationale munteenheid en reële waarde uitdrukken, die de uit de toepassing van § 1 voortvloeiende waarde zo veel mogelijk benadert.
§ 3. Voor een Staat, die geen lid is van het Internationaal Monetair Fonds en waarvan de wetgeving de toepassing van § 1 of § 2 niet toestaat, wordt de in de Uniforme Regelen bedoelde rekeneenheid beschouwd als gelijk aan drie goudfranken.
De goudfrank wordt door 10/31 gram goud met een gehalte van 0,900 bepaald.
De omrekening van de goudfrank moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken, die de uit de toepassing van § 1 voortvloeiende waarde zo veel mogelijk benadert.
§ 4. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag en telkens wanneer in hun berekeningsmethode of in de waarde van hun nationale munteenheid in verhouding tot de rekeneenheid een wijziging optreedt, delen de Staten hun berekeningsmethode volgens § 2 of het resultaat van de omrekening volgens § 3 aan het Centraal Bureau mee.
Het Centraal Bureau geeft van deze mededelingen aan de Staten kennis.
§ 5. De spoorweg moet de koersen publiceren, waartegen:
a) hij de in buitenlandse munteenheden uitgedrukte, in binnenlandse betaalmiddelen te betalen bedragen omrekent (omrekeningskoers);
b) hij buitenlandse betaalmiddelen in betaling aanneemt (aannemingskoers).
Artikel 8 Bijzondere bepalingen voor bepaalde vervoeren.
§ 1. Voor het vervoer van wagens van particulieren bevat het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van wagens van particulieren (RIP), Bijlage II bij de Uniforme Regelen, bijzondere bepalingen.
§ 2. Voor het vervoer van containers bevat het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van containers (RICo), Bijlage III bij de Uniforme Regelen, bijzondere bepalingen.
§ 3. Voor het vervoer van expresgoederen kunnen de spoorwegen in tarieven bijzondere bepalingen volgens het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van expresgoederen (RIEx), Bijlage IV bij de Uniforme Regelen, overeenkomen.
§ 4. Twee of meer Staten kunnen in overeenkomsten, of twee of meer spoorwegen kunnen in bijkomende bepalingen of tarieven, van de Uniforme Regelen afwijkende voorwaarden overeenkomen voor het vervoer van:
a) zendingen met een verhandelbaar vervoerdocument,
b) zendingen, die slechts tegen afgifte van het duplicaat van de vrachtbrief mogen worden afgeleverd,
c) zendingen kranten,
d) zendingen, die voor jaarbeurzen of tentoonstellingen zijn bestemd,
e) zendingen ladingsmiddelen en middelen ter bescherming van vervoerde goederen tegen warmte en koude,
f) zendingen, die op het gehele of een deel van het traject met een niet als document voor vrachtberekening en facturering dienende vrachtbrief worden vervoerd,
g) zendingen, die met een document voor automatische data-transmissie worden vervoerd.
Artikel 9 Bijkomende bepalingen.
§ 1. Twee of meer Staten of twee of meer spoorwegen kunnen voor de uitvoering van de Uniforme Regelen bijkomende bepalingen vaststellen. Deze mogen slechts van de Uniforme Regelen afwijken, indien deze zulks uitdrukkelijk bepalen.
§ 2. De bijkomende bepalingen worden gepubliceerd en treden in werking op de bij de wetten en reglementen van elke Staat bepaalde wijze. De bijkomende bepalingen en hun inwerkingtreding worden aan het Centraal Bureau meegedeeld.
Artikel 10 Nationaal Recht.
§ 1. Bij gebreke van bepalingen in de Uniforme Regelen, in de bijkomende bepalingen en in de internationale tarieven geldt het nationale recht.
§ 2. Onder nationaal recht wordt verstaan het recht van de Staat, waar de rechthebbende zijn rechten doet gelden, de conflictenregels daaronder begrepen.
Titel 2. SLUITING EN UITVOERING VAN DE VERVOEROVEREENKOMST
Artikel 11 <V 1980-05-09/33, Art. M9, 002; En vigueur : 01-01-1991> Sluiting van de vervoerovereenkomst.
§ 1. De vervoerovereenkomst is gesloten zodra de spoorweg van afzending het goed met de vrachtbrief ten vervoer heeft aangenomen. De aanneming wordt vastgesteld door op de vrachtbrief en eventueel op elk aanvullingsblad de stempel van het station van afzending of een aanduiding door de boekhoudmachine met datumvermelding af te drukken.
§ 2. De behandeling volgens § 1 moet geschieden onmiddellijk na de aanbieding ten vervoer van alle goederen, waarop de vrachtbrief betrekking heeft, en, voor zover de voor het station van afzending geldende voorschriften zulks bepalen, de betaling van de kosten, die de afzender voor zijn rekening neemt, of van een waarborgsom volgens artikel 15, § 7.
§ 3. De van de stempel of de aanduiding door de boekhoudmachine voorziene vrachtbrief dient als bewijs van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst.
§ 4. Met betrekking tot goederen die volgens de tarieven of een voor het station van afzending toegelaten overeenkomst tussen de afzender en de spoorweg door de afzender moeten worden geladen, dienen de gegevens op de vrachtbrief betreffende de massa van het goed of het aantal colli evenwel slechts als bewijs tegen de spoorweg, indien deze de massa of het aantal heeft gecontroleerd en zulks op de vrachtbrief heeft vermeld. Deze gegevens kunnen eventueel met andere middelen worden bewezen.
De gegevens op de vrachtbrief betreffende de massa of het aantal dienen niet als bewijs tegen de spoorweg, indien een verschil met deze gegevens kennelijk niet op een feitelijk verlies berust. Dit is met name het geval indien de wagen met ongeschonden originele versluiting aan de geadresseerde is overgegeven.
§ 5. De spoorweg moet de overname van het goed en de dag van aanneming ten vervoer door het afdrukken van de datumstempel of een aanduiding door de boekhoudmachine op de duplikaat-vrachtbrief bevestigen voordat hij deze aan de afzender teruggeeft.
Dit duplikaat heeft niet de waarde van de het goed begeleidende vrachtbrief of van een cognossement.
Artikel 12 <V 1980-05-09/33, Art. M10, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vrachtbrief.
§ 1. De afzender moet een naar behoren ingevulde vrachtbrief aanbieden.
Voor elke zending moet een vrachtbrief worden opgemaakt. Een vrachtbrief mag slechts de lading van één wagen betreffen. De bijkomende bepalingen mogen van deze regelen afwijken.
§ 2. De spoorwegen stellen het uniforme model van de vrachtbrief vast; deze moet een duplikaat voor de afzender omvatten.
Voor bepaalde transporten, met name tussen aangrenzende landen, kunnen de spoorwegen in de tarieven het gebruik van een vereenvoudigd model van vrachtbrief voorschrijven.
Voor bepaalde transporten met landen die niet aan dit verdrag deelnemen, kunnen de tarieven voorzien in de mogelijkheid om een beroep te doen op een bijzondere procedure.
§ 3. De vrachtbrief moet worden gedrukt in twee of eventueel drie talen, waarvan ten minste één een werktaal van de Organisatie moet zijn.
De internationale tarieven kunnen bepalen in welke taal de door de afzender op de vrachtbrief te vermelden gegevens moeten worden gesteld. Bij gebreke daarvan moeten de gegevens in één van de officiële talen van de Staat van vertrek worden gesteld en moet een vertaling in één van de werktalen van de Organisatie worden bijgevoegd, tenzij de gegevens in één van deze talen zijn gesteld.
De door de afzender op de vrachtbrief vermelde gegevens moeten in latijnse lettertekens worden gesteld, behoudens in de bijkomende bepalingen of de internationale tarieven bepaalde afwijkingen.
Artikel 13 Inhoud van de vrachtbrief.
§ 1. De vrachtbrief moet in elk geval bevatten:
a) het station van bestemming;
b) de naam en het adres van de geadresseerde;
als zodanig mag slechts één natuurlijk of rechtspersoon worden vermeld;
c) de omschrijving van het goed;
d) de massa of, bij gebreke daarvan, een soortgelijke aanduiding volgens de voor het station van afzending geldende voorschriften;
e) het aantal colli en een beschrijving van de verpakking, voor stukgoederen en voor uit één of meer delen bestaande wagenladingen, die in spoor/zeevervoer moeten worden overgeladen;
f) het nummer van de wagen en bovendien voor wagens van particulieren het tarra, voor goederen, die door de afzender moeten worden geladen;
g) de nauwkeurige beschrijving van de door de douane of andere overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden, die bij de vrachtbrief zijn gevoegd of waarvan de vrachtbrief vermeldt, dat zij in een bepaald station of kantoor van de douane of andere overheidsinstantie ter beschikking van de spoorweg zijn;
h) de naam en het adres van de afzender; als zodanig mag slechts één natuurlijk of rechtspersoon worden vermeld; indien de voor het station van afzending geldende voorschriften zulks bepalen, moet de afzender ook een geschreven, gedrukte of gestempelde handtekening plaatsen.
De voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen de begrippen "wagenlading" en "stukgoed" voor het gehele traject.
§ 2. De vrachtbrief moet zonodig alle andere in de Uniforme regelen bedoelde gegevens bevatten. De vrachtbrief mag slechts andere gegevens bevatten, indien deze door de wetten of reglementen van een Staat, de bijkomende bepalingen of de tarieven zijn voorgeschreven of toegelaten en niet met Uniforme Regelen in strijd zijn.
§ 3. De afzender mag evenwel in de daartoe bestemde ruimte van de vrachtbrief voor de geadresseerde bestemde inlichtingen betreffende de zending opnemen, zonder dat daaruit enige verplichting of aansprakelijkheid voor de spoorweg ontstaat.
§ 4. Het is verboden de vrachtbrief door andere documenten te vervangen of daarbij andere dan de door de Uniforme Regelen, de bijkomende bepalingen of de tarieven voorgeschreven of toegelaten bescheiden te voegen.
Artikel 14 <V 1980-05-09/33, Art. M11, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vervoersroute en toe te passen tarieven.
§ 1. De afzender mag in de vrachtbrief de te volgen vervoersroute voorschrijven door vermelding van grenspunten of grensstations en eventueel overgangsstations tussen spoorwegen. Hij mag slechts voor het vervoer in de betreffende relatie geopende grenspunten of grensstations voorschrijven.
§ 2. Met een routevoorschrift worden gelijkgesteld :
a) de vermelding van stations, waar de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten moeten worden vervuld of waar bijzondere zorg aan het goed moet worden besteed (verzorging van dieren, bij-ijzing, enz.);
b) de vermelding van de toe te passen tarieven, indien deze voldoende is voor de vaststelling van de stations waartussen de verlangde tarieven moeten worden toegepast;
c) de vermelding van betaling van alle of een deel van de kosten tot X (benoeming van het punt waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten).
§ 3. De spoorweg mag, behalve in de in artikel 3, §§ 4 en 5, en artikel 33, § 1, bedoelde gevallen, het vervoer slechts over een andere dan de door de afzender voorgeschreven route verrichten onder de dubbele voorwaarde :
a) dat de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten en de bijzondere aan het goed te besteden zorg steeds op de door de afzender vermelde stations geschieden;
b) dat de kosten en de leveringstermijnen niet groter zijn dan bij berekening over de door de afzender voorgeschreven route.
Letter a geldt niet voor stukgoed indien één der aan het vervoer deelnemende spoorwegen de door de afzender gekozen route niet kan toepassen wegens de uit zijn organisatie van het internationale stukgoedvervoer voortvloeiende routevoorschriften.
§ 4. Behoudens § 3 worden de kosten en de leveringstermijnen berekend volgens de door de afzender voorgeschreven route of, bij gebreke daarvan, de door de spoorweg gekozen route.
§ 5. De afzender mag in de vrachtbrief de toe te passen tarieven voorschrijven. De spoorweg moet deze tarieven toepassen indien aan de voorwaarden voor hun toepassing is voldaan.
§ 6. Indien de vermeldingen door de afzender niet voldoende zijn om de vervoersroute of de toe te passen tarieven vast te stellen of indien bepaalde vermeldingen met elkaar in strijd zijn, moet de spoorweg de route of de tarieven kiezen die hij voor de afzender het voordeligst acht.
§ 7. De spoorweg is slechts in geval van opzet of grove schuld aansprakelijk voor schade als gevolg van de overeenkomstig § 6 gedane keuze.
Artikel 15 Betaling van de kosten.
§ 1. De kosten (vervoerprijs, bijkomende kosten, douanerechten en andere kosten, die vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering ontstaan) worden volgens de navolgende bepalingen door de afzender of door de geadresseerde betaald.
Voor de toepassing van deze bepalingen worden de rechten, die volgens het toe te passen tarief bij de berekening van de vervoerprijs moeten worden opgeteld bij de prijzen van de normale tarieven of van de uitzonderingstarieven, als vervoerprijs beschouwd.
§ 2. De afzender, die alle of een deel van de kosten voor zijn rekening neemt, moet dit op de vrachtbrief vermelden met gebruikmaking van één der volgende aanduidingen:
a)
1° "franco vracht", indien hij uitsluitend de vervoerprijs voor zijn rekening neemt;
2° "franco vracht inclusief...", indien hij behalve de vervoerprijs nog andere kosten voor zijn rekening neemt; hij moet deze kosten nauwkeurig vermelden; de toevoegingen, die slechts betrekking mogen hebben op bijkomende kosten of andere kosten, die vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering ontstaan, en op door de douane of andere overheidsinstanties te innen bedragen, mogen niet een splitsing van het totale bedrag van dezelfde soort kosten tot gevolg hebben (B.V. het totale bedrag van de douanerechten en andere aan de douane te betalen bedragen, waarbij de belasting over de toegevoegde waarde als een afzonderlijke kostensoort wordt beschouwd);
3° "franco vracht tot X" (benoeming van het punt, waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten), indien hij de vervoerprijs tot X voor zijn rekening neemt;
4° "franco vracht inclusief... tot X" (benoeming van het punt, waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten), indien hij behalve de vervoerprijs tot X nog andere kosten met uitsluiting van die betreffende het aangrenzende land of de aansluitende spoorweg voor zijn rekening neemt; het onder 2 bepaalde is van overeenkomstige toepassing;
b) "franco alle kosten", indien hij alle kosten (vervoerprijs, bijkomende kosten, douanerechten en andere kosten) voor zijn rekening neemt;
c) "franco voor...", indien hij een bepaald bedrag voor zijn rekening neemt; behoudens afwijkingen in de tarieven, moet dit bedrag in de munteenheid van het land van vertrek worden uitgedrukt.
De bijkomende en andere kosten, die volgens de voor het station van afzending geldende voorschriften voor het gehele betrokken traject moeten worden berekend en de in artikel 16, § 2, bedoelde vergoeding voor het bedrag bij de aflevering worden in geval van betaling volgens a, 4°, altijd geheel door de afzender betaald.
§ 3. De internationale tarieven kunnen ter zake van de betaling van de kosten het uitsluitend gebruik van bepaalde in § 2 genoemd aanduidingen of van andere aanduidingen voorschrijven.
§ 4. De door de afzender niet voor zijn rekening genomen kosten worden geacht ten laste van de geadresseerde te zijn gebracht. De kosten zijn evenwel steeds ten laste van de afzender, indien de geadresseerde noch de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, noch zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden, noch de vervoerovereenkomst volgens § 31 heeft gewijzigd.
§ 5. De bijkomende kosten, zoals staangeld, liggeld en weegloon, waarvan de heffing het gevolg is van een aan de geadresseerde toe te rekenen feit of van een verzoek van de geadresseerde, worden altijd door hem betaald.
§ 6. De spoorweg van afzending kan van de afzender vooruitbetaling van de kosten verlangen, indien het goederen betreft, die naar zijn oordeel aan spoedig bederf onderhevig zijn of die hem wegens hun geringe waarde of hun aard niet voldoende zekerheid voor betaling van de kosten bieden.
§ 7. Indien het bedrag van de door de afzender voor zijn rekening genomen kosten op het tijdstip van de aanbieding ten vervoer niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden deze kosten opgenomen in een frankeringsnota, die uiterlijk dertig dagen na afloop van de leveringstermijn met de afzender moet worden verrekend. De spoorweg kan tegen kwitantie de betaling van een de kosten ongeveer dekkende waarborgsom verlangen. Een volgens de gegevens van de frankeringsnota gespecificeerde kostennota wordt tegen teruggave van de kwitantie aan de afzender afgegeven.
§ 8. Het station van afzending moet op de vrachtbrief en het duplicaat de als gefrankeerd ontvangen kosten specificeren, tenzij de voor dit station geldende voorschriften bepalen, dat deze kosten slechts op het duplicaat moeten worden gespecifieerd. In het in § 7 bedoelde geval behoeven deze kosten niet op de vrachtenbrief of het duplicaat te worden gespecificeerd.
Artikel 16 Belang bij de aflevering.
§ 1. Voor elke zending kan het belang bij de aflevering worden aangegeven. Het bedrag daarvan moet in cijfers op de vrachtbrief worden vermeld en in de munteenheid van het land van vertrek, in een andere in de tarieven bepaalde munteenheid of in de rekeneenheid worden uitgedrukt.
§ 2. De vergoeding voor de aangifte van het belang bij de aflevering wordt voor het gehele betreffende traject volgens de tarieven van de spoorweg van afzending berekend.
Artikel 17 Remboursement en voorschot.
§ 1. De afzender mag bij de aanneming ten vervoer op het station van afzending het goed met een remboursement tot ten hoogste de waarde daarvan belasten. Het bedrag daarvan moet in de munteenheid van het land van vertrek worden uitgedrukt; de tarieven kunnen uitzonderingen bepalen.
§ 2. De spoorweg is slechts tot uitbetaling van het remboursement verplicht, indien het bedrag daarvan door de geadresseerde is betaald. Dit bedrag moet binnen dertig dagen na deze betaling ter beschikking worden gesteld; na afloop van deze termijn is een rente van vijf procent 's jaars verschuldigd.
§ 3. Indien het goed geheel of gedeeltelijk aan de geadresseerde is afgeleverd zonder voorafgaande inning van het remboursement moet de spoorweg aan de afzender de schade tot ten hoogste het bedrag van het remboursement vergoeden, behoudens zijn verhaal op de geadresseerde.
§ 4. Voor verzending onder remboursement wordt een in de tarieven vastgestelde vergoeding geheven; deze vergoeding is ook verschuldigd, indien het remboursement door een wijziging van de vervoerovereenkomst volgens artikel 30, § 1, wordt opgeheven of verlaagd.
§ 5. Voorschotten zijn slechts met toepassing van de voor het station van afzending geldende voorschriften toegelaten.
§ 6. Het bedrag van het remboursement of van het voorschot moet in cijfers op de vrachtbrief worden vermeld.
Artikel 18 Aansprakelijkheid voor de vermeldingen op de vrachtbrief.
De afzender is aansprakelijk voor de juistheid van de door hem op de vrachtbrief vermelde gegevens. Hij draagt alle gevolgen, die daaruit ontstaan dat deze gegevens onjuist, onnauwkeurig of onvolledig zijn of op een andere dan de daarvoor bestemde plaats vermeld zijn. Indien deze plaats onvoldoende ruimte biedt, moet de afzender aldaar verwijzen naar de plaats op de vrachtbrief, waar de vermelding wordt voortgezet.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 2°, geeft aan artikel 18 de volgende vorm : " Art. 18. De afzender is aansprakelijk voor de juistheid van de door hem op de vrachtbrief vermelde gegevens. Hij draagt alle gevolgen die voortvloeien uit het feit dat deze gegevens onjuist, onnauwkeurig of onvolledig zijn of op een andere dan de daarvoor bestemde plaats vermeld zijn. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 19 <V 1980-05-09/33, Art. M12, 002; En vigueur : 01-01-1991> Toestand, verpakking en merking van het goed.
§ 1. Indien de spoorweg een goed dat duidelijke tekenen van beschadiging vertoont ten vervoer aanneemt, kan hij verlangen dat de toestand van het goed op de vrachtbrief wordt vermeld.
§ 2. Indien het goed naar zijn aard een verpakking vereist, moet de afzender het zodanig verpakken dat het beschermd is tegen geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging tijdens het transport en dat het geen schade aan personen, materieel of andere goederen kan toebrengen.
Overigens moet de verpakking aan de voor het station van afzending geldende voorschriften voldoen.
§ 3. Indien de afzender § 2 niet in acht heeft genomen, kan de spoorweg het goed weigeren of verlangen dat de afzender op de vrachtbrief het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking door een nauwkeurige beschrijving daarvan erkent.
§ 4. De afzender is aansprakelijk voor alle gevolgen van het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking en moet met name de door de spoorweg daarvoor geleden schade vergoeden. Bij gebreke van vermelding op de vrachtbrief moet de spoorweg het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking bewijzen.
§ 5. De bijkomende bepalingen of de tarieven regelen het merken van de colli door de afzender.
Artikel 20 Aanbieding ten vervoer en lading van het goed.
§ 1. Voor de wijze van aanbieding ten vervoer van het goed gelden de voor het station van afzending geldende voorschriften.
§ 2. De voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen, of de belading door de spoorweg of door de afzender geschiedt, tenzij de Uniforme Regelen anders bepalen of de vrachtbrief een bijzondere overeenkomst tussen de afzender en de spoorweg vermeldt.
De afzender moet bij het laden de toelaatbare belading in acht nemen. Indien de toelaatbare beladingen op de te gebruiken lijnen verschillen geldt de laagste voor het gehele traject. De bepalingen betreffende de in acht te nemen toelaatbare belading worden op dezelfde wijze als de tarieven gepubliceerd. De spoorweg geeft de afzender op diens verzoek de in acht te nemen toelaatbare belading op.
§ 3. De afzender is aansprakelijk voor alle gevolgen van een door hun verrichte gebrekkige belading en moet met name de door de spoorweg daarvoor geleden schade vergoeden. Op de betaling van de kosten wegens herstel van een gebrekkige belading is evenwel artikel 15 van toepassing. De spoorweg moet de gebrekkige belading bewijzen.
§ 4. De internationale tarieven bepalen, of de goederen in gesloten wagens, in open wagens, in open wagens met dekzeilen of in wagens met bijzondere voorzieningen moeten worden vervoerd, tenzij de Uniforme Regelen anders bepalen. Indien er geen internationale tarieven zijn of deze geen bepalingen daarvoor bevatten, zijn de voor het station van afzending geldende voorschriften van toepassing voor het gehele traject.
§ 5. De voor het station van afzending geldende voorschriften regelen de versluiting van de wagens.
De afzender moet op de vrachtbrief het aantal en de kenmerken van de door hem op de wagens aangebrachte versluitingen vermelden.
Artikel 21 Onderzoek. § 1. De spoorweg heeft steeds het recht te onderzoeken, of de zending aan de op de vrachtbrief door de afzender vermelde gegevens beantwoordt en of de bepalingen betreffende het vervoer van voorwaardelijk toegelaten goederen in acht zijn genomen.
§ 2. Indien de inhoud van de zending wordt onderzocht, moet naar gelang het onderzoek op het station van afzending of op het station van bestemming geschiedt, de afzender of de geadresseerde worden uitgenorigd daarbij tegenwoordig te zijn. Indien de belanghebbende niet verschijnt of het onderzoek onderweg geschiedt, moet bij gebreke van andere bepalingen in de wetten en reglementen van de Staat waar het onderzoek geschiedt, dit in tegenwoordigheid van twee niet tot de spoorweg behorende getuigen geschieden. De spoorweg mag echter de inhoud van de zending slechts onderweg onderzoeken, indien zulks op grond van de dienstuitvoering of van de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties noodzakelijk is.
§ 3. Het resultaat van het onderzoek moet op de vrachtbrief worden vermeld. Indien het onderzoek op het station van afzending geschiedt, moet het resultaat ook worden vermeld op de duplicaat-vrachtbrief, indien deze zich bij de spoorweg bevindt.
Indien de zending niet aan de op de vrachtbrief vermelde gegevens beantwoordt of de bepalingen betreffende het vervoer van voorwaardelijk toegelaten goederen niet in acht zijn genomen, komen de kosten van het onderzoek, tenzij deze terstond worden betaald, ten laste van het goed.
Artikel 22 Vaststelling van massa en aantal van de colli.
§ 1. De in elke Staat geldende voorschriften bepalen, onder welke voorwaarden de spoorweg de massa van het goed of het aantal colli en het werkelijke tarra van de wagens moet vaststellen.
De spoorweg moet het resultaat van deze vaststellingen op de vrachtbrief vermelden.
§ 2. Indien uit een weging door de spoorweg na afsluiting van de vervoerovereenkomst een verschil blijkt, blijft de door het station van afzending vastgestelde of, bij gebreke daarvan, de door de afzender aangegeven massa voor de berekening van de vervoerprijs bepalend:
a) indien het verschil kennelijk een gevolg is van de aard van het goed of atmosferische invloeden of
b) indien deze weging op een weegbrug is verricht en het verschil niet groter is dan twee procent van de door het station van afzending vastgestelde of, bij gebreke daarvan, de door de afzender aangegeven massa.
Artikel 23 Overbelasting.
§ 1. Indien door het station van afzending of een tussenstation overbelasting bij een wagen is vastgesteld, kan het teveel geladene uit de wagen worden verwijderd, ook als geen boete verschuldigd is. In voorkomend geval wordt de afzender of, in geval van wijziging van de vervoerovereenkomst volgens artikel 31, de geadresseerde verzocht onverwijld instructies, betreffende het teveel geladene te geven.
§ 2. Onverminderd de verplichting tot betaling van de in artikel 24 bedoelde boeten, wordt het teveel geladene voor het afgelegde traject berekend volgens de op de hoofdlading toegepaste vervoerprijs. De kosten van lossing van het teveel geladene worden berekend volgens de tarieven van de spoorweg, die de lossing verricht.
Indien de rechthebbende voorschrift, dat het teveel geladene naar het station van bestemming van de hoofdlading, naar een ander station van bestemming of naar het station van afzending moet worden vervoerd, wordt het als een afzonderlijke zending behandeld.
Artikel 24 <V 1980-05-09/33, Art. M13, 002; En vigueur : 01-01-1991> Boeten.
§ 1. Onverminderd de verplichting tot betaling van het verschil in vervoerprijs en van de vergoeding van een eventuele schade, kan de spoorweg heffen :
a) een boete van één rekeneenheid per kilogram-bruto-massa van het gehele collo :
1° bij onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van volgens het RID van het vervoer uitgesloten stoffen en voorwerpen;
2° bij onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van volgens het RID voorwaardelijk ten vervoer toegelaten stoffen en voorwerpen of bij niet-inachtneming van de voorwaarden.
De bijkomende bepalingen kunnen andere berekeningswijzen voor de boete voorschrijven, in het bijzonder een forfaitaire boete voor ledige P-wagens;
b) een boete van 5 rekeneenheden per 100 kilogram-massa die de toelaatbare belading overschrijdt, indien de wagen door de afzender is beladen.
§ 2. De boeten komen ten laste van het goed, ongeacht waar de feiten die hun heffing rechtvaardigen, zijn vastgesteld.
§ 3. Het bedrag van de boeten en de grond voor hun heffing moeten op de vrachtbrief worden vermeld.
§ 4. De bijkomende bepalingen omschrijven nauwkeurig de gevallen waarin geen boete kan worden geheven.
Artikel 25 Bescheiden voor de administratieve formaliteiten. Douane-versluiting.
§ 1. De afzender moet bij de vrachtbrief de bescheiden voegen, die nodig zijn voor de vervulling, voor de aflevering van het goed, van de door de douane en andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten. Deze bescheiden mogen niet meer dan in één vrachtbrief vermelde goederen betreffen, tenzij de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties of de tarieven anders bepalen.
Indien deze bescheiden niet bij de vrachtbrief zijn gevoegd of indien zij door de geadresseerde moeten worden verstrekt, moet de afzender echter op de vrachtbrief het station of het kantoor van de douane of een andere instantie, waar deze bescheiden ter beschikking van de spoorweg zullen zijn en waar de formaliteiten moeten worden vervuld, vermelden. Indien de afzender zelf of zijn gemachtigde bij de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten tegenwoordig is, is het voldoende dat deze bescheiden bij de vervulling van de formaliteiten worden overgelegd.
§ 2. De spoorweg is niet verplicht te onderzoeken, of de bijgevoegde bescheiden volledig en juist zijn.
§ 3. De afzender is jegens de spoorweg aansprakelijk voor elke schade als gevolg van het ontbreken, de onvolledigheid of de onjuistheid van de bescheiden, behoudens in geval van schuld van de spoorweg.
De spoorweg is in geval van schuld aansprakelijk voor de gevolgen van verlies of van niet- of onjuist gebruik van de in de vrachtbrief vermelde en daarbij gevoegde of aan hem ter beschikking gestelde bescheiden; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 4. De afzender moet de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties betreffende de verpakking en afdekking van de goederen in acht nemen. Indien de afzender de goederen niet overeenkomstig deze voorschriften heeft verpakt of afgedekt, kan de spoorweg daarin voorzien; de ontstane kosten komen ten laste van het goed.
§ 5. De spoorweg kan zendingen, waarvan de door de douane of andere overheidsinstanties aangebrachte versluiting beschadigd of gebrekkig is, weigeren.
Artikel 26 Vervulling van de administratieve formaliteiten.
§ 1. Onderweg worden de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten door de spoorweg vervuld. Deze kan daartoe evenwel een ander machtigen.
§ 2. Bij de vervulling van deze formaliteiten is de spoorweg aansprakelijk in geval van eigen schuld of die van zijn gemachtigde; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 3. De afzender kan door een vermelding op de vrachtbrief of de geadresseerde door een opdracht volgens artikel 31 verzoeken:
a) dat hijzelf of zijn gemachtigde bij deze formaliteiten tegenwoordig is om alle inlichtingen te verstrekken en alle ter zake dienende opmerkingen te maken;
b) dat hijzelf of zijn gemachtigde deze formaliteiten vervult, voor zover de wetten en reglementen van de Staat, waar deze formaliteiten plaatsvinden, zulks toelaten;
c) dat hij, indien hijzelf of zijn gemachtigde bij deze formaliteiten tegenwoordig is of deze vervult, de douanerechten en andere kosten betaalt, voor zover de wetten en reglementen van de Staat, waar deze formaliteiten plaatsvinden, zulks toelaten.
Noch de afzender, noch de beschikkingsgerechtigde geadresseerde, noch hun gemachtigde mogen het goed in bezit nemen.
§ 4. Indien de afzender voor de vervulling van de formaliteiten een station heeft aangewezen, waar zulks wegens de geldende voorschriften niet mogelijk is, of indien hij daarvoor een procedure heeft voorgeschreven, die niet kan worden uitgevoerd, handelt de spoorweg op de wijze, die hij voor de rechthebbende het gunstigst acht, en deelt hij aan de afzender de genomen maatregelen mee.
Indien de afzender op de vrachtbrief een frankering inclusief de douanerechten heeft vermeld, van de spoorweg de douaneformaliteiten naar zijn keuze onderweg of op het station van bestemming vervullen.
§ 5. Behoudens de in § 4, tweede alinea, genoemde uitzondering, mag de geadresseerde de douaneformaliteiten op het station van bestemming, waar een douanekantoor is gevestigd, vervullen, indien op de vrachtbrief de vrijmaking bij aankomst wordt verzocht of, bij gebreke van dit verzoek, het goed onder douaneversluiting aankomt. De geadresseerde mag deze formaliteiten eveneens op het station van bestemming, waar geen douanekantoor gevestigd is, vervullen, indien de wetten en reglementen van de Staat zulks toelaten of met voorafgaande machtiging van de spoorweg en de douane. Deze rechten kunnen slechts worden uitgeoefend na betaling van de op het goed drukkende kosten.
De spoorweg kan evenwel volgens § 4, handelen, indien de geadresseerde de vrachtbrief niet binnen de door de voor het station van bestemming geldende voorschriften bepaalde termijn in ontvangst heeft genomen.
Artikel 27 <V 1980-05-09/33, Art. M14, 002; En vigueur : 01-01-1991> Leveringstermijnen.
§ 1. De leveringstermijnen worden door overeenkomsten tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen of door de vanaf het station van afzending tot het station van bestemming geldende internationale tarieven bepaald. Voor bepaalde bijzondere vervoeren en in bepaalde relaties kunnen deze termijnen ook op grond van tussen de betrokken spoorwegen geldende vervoersplannen worden vastgesteld. In dit geval moeten zij zijn opgenomen in internationale tarieven of bijzondere overeenkomsten, die van de §§ 3 tot en met 9 mogen afwijken.
Al deze termijnen mogen niet langer zijn dan die welke uit de volgende paragrafen voortvloeien.
§ 2. Bij gebreke van leveringstermijnen volgens § 1 zijn, behoudens het in de volgende paragrafen bepaalde, de maximum leveringstermijnen :
a) voor wagenladingen :
termijn voor de verzending : 12 uur;
termijn voor het vervoer per 400 km of gedeelte daarvan : 24 uur;
b) voor stukgoed :
termijn voor de verzending : 24 uur;
termijn voor het vervoer per 200 km of gedeelte daarvan : 24 uur.
Alle afstanden hebben betrekking op tariefkilometers.
§ 3. De termijn voor de verzending wordt, ongeacht het aantal gebruikte spoorwegnetten, slechts éénmaal berekend. De termijn voor het vervoer wordt over de hele afstand tussen het station van afzending en het station van bestemming berekend.
§ 4. De spoorweg kan toeslagtermijnen van een bepaalde duur vaststellen in de volgende gevallen :
a) zendingen die buiten de stations ten vervoer worden aangeboden of afgeleverd;
b) zendingen die worden vervoerd over :
1° lijnen met verschillende spoorbreedte;
2° de zee of bevaarbare binnenwateren;
3° de weg indien er geen spoorverbinding is;
c) zendingen, waarvoor verlaagde prijzen volgens nationale bijzondere of uitzonderingstarieven gelden;
d) een ongewone vervoerstoename of ongewone moeilijkheden voor de dienstuitvoering als gevolg van buitengewone omstandigheden.
§ 5. De in § 4, a tot en met c, bedoelde toeslagtermijnen moeten in de tarieven of de in elke Staat naar behoren gepubliceerde voorschriften zijn opgenomen.
De in § 4, d, bedoelde toeslagtermijnen moeten worden gepubliceerd en kunnen niet vóór hun publicatie in werking treden.
§ 6. De leveringstermijn begint des middernachts na de aanneming ten vervoer van het goed.
§ 7. Behoudens schuld van de spoorweg wordt de leveringstermijn verlengd met de duur van een oponthoud als gevolg van :
a) onderzoek volgens de artikelen 21 en 22, § 1, waarbij afwijkingen van de op de vrachtbrief vermelde gegevens worden vastgesteld;
b) vervulling van de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten;
c) wijziging van de vervoerovereenkomst volgens de artikelen 30 en 31;
d) aan het goed te besteden bijzondere zorg;
e) overlading of beladingsherstel wegens gebrekkige belading door de afzender;
f) elke verkeersstremming, waardoor het begin of de voortzetting van het vervoer tijdelijk wordt verhinderd.
De oorzaak en de duur van deze verlengingen moeten op de vrachtbrief worden vermeld. Zij kunnen eventueel met andere middelen worden bewezen.
§ 8. De leveringstermijn wordt geschorst op zondagen en wettelijke feestdagen. De leveringstermijn wordt geschorst op zaterdagen, indien de in een Staat geldende voorschriften voor deze dagen een schorsing van die termijn in het nationaal spoorvervoer bepalen.
§ 9. Indien de leveringstermijn na sluitingstijd van het station van bestemming zou eindigen, wordt het einde daarvan tot twee uur na de eerstvolgende openstelling van het station opgeschort.
§ 10. De leveringstermijn is nagekomen indien vóór het einde daarvan :
a) van de aankomst van het goed kennis is gegeven en het goed ter beschikking van de geadresseerde staat, indien het zendingen betreft die op het station moeten worden afgeleverd en waarvan een kennisgeving van aankomst moet worden gezonden;
b) het goed ter beschikking van de geadresseerde staat, indien het zendingen betreft die op het station moeten worden afgeleverd en waarvan geen kennisgeving van aankomst behoeft te worden gezonden;
c) het goed ter beschikking van de geadresseerde is gesteld, indien het zendingen betreft die buiten het station moeten worden afgeleverd.
Artikel 28 Aflevering.
§ 1. De spoorweg moet op het station van bestemming, tegen kwijting en betaling van de ten laste van de geadresseerde gebrachte vorderingen van de spoorweg, aan de geadresseerde de vrachtbrief afgeven en het goed afleveren.
De aanneming van de vrachtbrief verplicht de geadresseerde het bedrag van de te zijnen laste gebrachte vorderingen aan de spoorweg te betalen.
§ 2. Met aflevering aan de geadresseerde worden, indien zulks volgens de voor het station van bestemming geldende voorschriften geschiedt, gelijk gesteld:
a) De afgifte van het goed aan de douane- of belastinginstanties in hun niet door de spoorweg beheerde expeditie- en opslagruimten;
b) De inbewaarneming van het goed door de spoorweg of de inbewaargeving daarvan aan een expediteur of in een openbaar entrepôt.
§ 3. De voor het station van bestemming geldende voorschriften of de overeenkomsten met de geadresseerde bepalen, of de spoorweg het recht of de verplichting heeft het goed elders dan op het station van bestemming aan de geadresseerde af te geven, te weten op een particuliere spooraansluiting, aan zijn huis of in een depôt van de spoorweg.
Indien de spoorweg het goed op een spooraansluiting, aan huis of in een depôt afgeeft of doet afgeven, geldt het goed op het tijdstip van deze afgifte als afgeleverd. Behoudens afwijkende overeenkomst tussen de spoorweg en de gebruiker van een spooraansluiting, vallen de door de spoorweg voor rekening en onder leiding van deze gebruiker verrichte handelingen niet onder de vervoerovereenkomst.
§ 4. Na aankomst van het goed op het station van bestemming kan de geadresseerde de spoorweg verzoeken hem de vrachtbrief af te geven en het goed af te leveren.
Indien het verlies van het goed is vastgesteld of het goed niet binnen de in artikel 39, § 1, genoemde termijn is aangekomen, kan de geadresseerde op eigen naam zijn rechten uit de vervoerovereenkomst jegens de spoorweg doen gelden.
§ 5. De rechthebbende kan, zelfs na ontvangst van de vrachtbrief en betaling van de kosten, de aanneming van het goed weigeren, zolang een ter vaststelling van beweerde schade door hem verlangd onderzoek niet is geschied.
§ 6. Overigens gelden voor de wijze van aflevering van het goed de voor het station van aflevering geldende voorschriften.
Artikel 29 <V 1980-05-09/33, Art. M15, 002; En vigueur : 01-01-1991> Correctie van geïnde bedragen.
§ 1. In geval van onjuiste toepassing van het tarief of van vergissing bij de berekening of de inning van de kosten moet het te weinig geïnde bedrag bijbetaald en het te veel geïnde bedrag terugbetaald worden.
Het te weinig geïnde bedrag wordt alleen geheven en het te veel geïnde bedrag wordt alleen terugbetaald wanneer het groter is dan 8 rekeneenheden per vrachtbrief. De terugbetaling gebeurt ambtshalve.
§ 2. Het te weinig geïnde bedrag is aan de spoorweg verschuldigd door de afzender indien de vrachtbrief niet in ontvangst wordt genomen. Indien de geadresseerde de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen of de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, is de afzender tot de betaling van het te weinig geïnde bedrag slechts verplicht voor zover dit volgens het frankeringsvoorschrift van de vrachtbrief voor zijn rekening genomen kosten betreft. Het restantbedrag komt ten laste van de geadresseerde.
§ 3. Over de volgens dit artikel verschuldigde bedragen wordt een rente van vijf procent 's jaars berekend vanaf de dag van ontvangst van de aanmaning of van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de nodige bewijsstukken voor de definitieve regeling van de vordering aan de spoorweg overlegt, wordt geen rente berekend vanaf het einde van de gestelde termijn tot de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
Titel 3. WIJZIGING VAN DE VERVOEROVEREENKOMST
Artikel 30 <V 1980-05-09/33, Art. M16, 002; En vigueur : 01-01-1991> Wijziging door de afzender.
§ 1. De afzender kan, door nadere opdrachten, de vervoerovereenkomst wijzigen door voor te schrijven :
a) de teruggave van het goed op het station van afzending;
b) ophouding van het goed onderweg;
c) uitstel van de aflevering van het goed;
d) aflevering van het goed aan een ander persoon dan de op de vrachtbrief vermelde geadresseerde;
e) aflevering van het goed op een ander station dan het op de vrachtbrief vermelde station van bestemming;
f) terugzending van het goed naar het station van afzending;
g) belasting met een remboursement;
h) verhoging, verlaging of opheffing van een remboursement;
i) voor eigen rekening nemen van de kosten van een ongefrankeerde zending of verhoging van de volgens artikel 15, § 2, voor zijn rekening genomen kosten.
De tarieven van de spoorweg van afzending kunnen bepalen dat de onder g tot en met i bedoelde opdrachten niet zijn toegelaten.
De tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen geldende bijkomende bepalingen of internationale tarieven kunnen hiervoor niet-genoemde opdrachten toelaten.
In geen geval mogen de opdrachten een splitsing van de zending ten gevolge hebben.
§ 2. Deze opdrachten moeten worden gegeven door middel van een verklaring in een door de spoorweg voorgeschreven vorm.
Deze verklaring moet door de afzender ook worden overgenomen en ondertekend op de duplikaat-vrachtbrief, die aan de spoorweg moet worden overgelegd. De handtekening mag gedrukt zijn of vervangen worden door de stempel van de afzender.
Elke op een andere dan de voorgeschreven wijze gegeven opdracht is nietig.
§ 3. Indien de spoorweg een opdracht van de afzender uitvoert zonder overlegging van de duplikaat-vrachtbrief te verlangen, is hij voor de daaruit ontstane schade aansprakelijk jegens de geadresseerde, aan wie dit duplikaat is overgegeven; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 4. Het recht van de afzender tot wijziging van de vervoerovereenkomst vervalt, ook indien hij de duplikaat-vrachtbrief bezit, ingeval de geadresseerde :
a) de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen;
b) het goed heeft aangenomen;
c) zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden;
d) volgens artikel 31 bevoegd is opdrachten te geven en de zending in het douanegebied van het land van bestemming is aangekomen.
Vanaf dit tijdstip moet de spoorweg de opdrachten en aanwijzingen van de geadresseerde opvolgen.
Artikel 31 <V 1980-05-09/33, Art. M17, 002; En vigueur : 01-01-1991> Wijziging door de geadresseerde.
§ 1. Indien de afzender noch de het vervoer in het land van bestemming betreffende kosten voor zijn rekening heeft genomen, noch op de vrachtbrief " Geadresseerde niet beschikkingsbevoegd " heeft vermeld, kan de geadresseerde, door nadere opdrachten, de vervoerovereenkomst wijzigen door voor te schrijven :
a) ophouding van het goed onderweg;
b) uitstel van de aflevering van het goed;
c) aflevering van het goed in het land van bestemming aan een ander persoon dan de op de vrachtbrief vermelde geadresseerde;
d) aflevering van het goed in het land van bestemming op een ander station dan het op de vrachtbrief vermelde station van bestemming, behoudens afwijkende bepalingen in de internationale tarieven;
e) vervulling van de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten volgens artikel 26, § 3.
De tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen geldende bijkomende bepalingen of internationale tarieven kunnen hiervoor niet genoemde opdrachten toelaten.
In geen geval mogen de opdrachten een splitsing van de zending ten gevolge hebben.
De opdrachten van de geadresseerde gelden eerst nadat de zending in het douanegebied van het land van bestemming is aangekomen.
§ 2. Deze opdrachten moeten worden gegeven door middel van een verklaring in een door de spoorweg voorgeschreven vorm.
Elke op een andere dan de voorgeschreven wijzen gegeven opdracht is nietig.
§ 3. Het recht van de geadresseerde tot wijziging van de vervoerovereenkomst vervalt ingeval hij :
a) de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen;
b) het goed heeft aangenomen;
c) zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden;
d) volgens § 1, c, een persoon heeft aangewezen en deze de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, de goederen heeft aangenomen of zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden.
§ 4. Indien de geadresseerde de aflevering van het goed aan een ander persoon heeft voorgeschreven, is deze niet bevoegd tot wijziging van de vervoerovereenkomst.
Artikel 32 Uitvoering van nadere opdrachten.
§ 1. De spoorweg mag de uitvoering van de volgens de artikelen 30 en 31 gegeven opdrachten slechts weigeren of uitstellen indien:
a) de uitvoering op het tijdstip, waarop de opdrachten het station dat deze moet uitvoeren bereiken, niet meer mogelijk is;
b) de uitvoering de regelmatige dienstuitvoering zou kunnen verstoren;
c) de uitvoering, bij wijziging van het station van bestemming, in strijd met de wetten en reglementen van een Staat, met name de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties;
d) de waarde van het goed, bij wijziging van het station van bestemming, naar het oordeel van de spoorweg niet alle bij aankomst op de nieuwe bestemming op het goed drukkende kosten zal dekken, tenzij deze kosten terstond worden betaald of de betaling daarvan wordt zekergesteld.
Degene, die de opdrachten heeft gegeven, wordt zo spoedig mogelijk van de belemmering in de uitvoering in kennis gesteld.
Indien de spoorweg deze belemmeringen niet kan voorzien, komen alle gevolgen van een begin van uitvoering voor rekening van degene, die de opdrachten heeft gegeven.
§ 2. De kosten als gevolg van de uitvoering van een opdracht moeten, met uitzondering van door schuld van de spoorweg ontstane kosten, volgens artikel 15 worden betaald.
§ 3. Behoudens § 1, is de spoorweg in geval van schuld aansprakelijk voor de gevolgen van het niet of gebrekkig uitvoeren van een opdracht; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
Artikel 33 <V 1980-05-09/33, Art. M18, 002; En vigueur : 01-01-1991> Belemmering in het vervoer.
§ 1. In geval van belemmering in het vervoer beslist de spoorweg of het de voorkeur verdient het goed ambtshalve met wijziging van de route verder te vervoeren, dan wel of het in het belang van de afzender is hem, met verstrekking van alle aan de spoorweg bekende ter zake dienende gegevens, instructies te vragen.
Behoudens in geval van schuld kan de spoorweg de voor de gebruikte route geldende vervoerprijs heffen en over de daarvoor geldende leveringstermijn beschikken.
§ 2. Indien de voortzetting van het vervoer niet mogelijk is, vraagt de spoorweg instructies aan de afzender. De spoorweg is daartoe niet verplicht in geval van tijdelijke belemmeringen als gevolg van in artikel 3, § 4, bedoelde maatregelen.
§ 3. De afzender kan in de vrachtbrief instructies geven voor het geval een belemmering in het vervoer zou optreden.
Indien de spoorweg meent dat deze instructies niet kunnen worden uitgevoerd, vraagt hij nieuwe.
§ 4. Wanneer de instructies van de afzender de aanduiding van de geadresseerde of het station van bestemming wijzigen, of wanneer zij worden gegeven aan het station waar de goederen zich bevinden, moet de afzender de instructies op de duplikaat-vrachtbrief vermelden en deze aan de spoorweg voorleggen.
§ 5. Indien de spoorweg de instructies van de afzender uitvoert zonder overlegging van het duplikaat te verlangen, is hij voor de daaruit ontstane schade aansprakelijk jegens de geadresseerde, aan wie dit duplikaat is overgegeven; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 6. Indien de van een belemmering in het vervoer in kennis gestelde afzender niet binnen een redelijke termijn uitvoerbare instructies geeft, handelt de spoorweg volgens de ter plaatse, waar het goed is opgehouden, geldende voorschriften betreffende belemmering in de aflevering.
Indien het goed is verkocht, moet de opbrengst, na aftrek van de op het goed drukkende kosten, ter beschikking van de afzender worden gehouden. Indien de opbrengst lager is dan deze kosten, moet de afzender het verschil betalen.
§ 7. Indien de belemmering in het vervoer ophoudt vóór de ontvangst van de instructies van de afzender, wordt het goed naar zijn bestemming vervoerd zonder de instructies af te wachten; de afzender wordt daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.
§ 8. Indien de belemmering in het vervoer optreedt nadat de geadresseerde de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, moet de spoorweg de geadresseerde in kennis stellen. De §§ 1, 2, 6, 7 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 9. Behoudens in geval van schuld kan de spoorweg bij belemmering in het vervoer staangeld heffen.
§ 10. Artikel 32 is van toepassing op volgens artikel 33 uitgevoerd vervoer.
Artikel 34 <V 1980-05-09/33, Art. M19, 002; En vigueur : 01-01-1991> Belemmering in de aflevering.
§ 1. In geval van belemmering in de aflevering van het goed moet de spoorweg de afzender onverwijld daarvan op de hoogte stellen om hem zijn instructies te vragen.
§ 2. Indien de belemmering in de aflevering ophoudt vóór de ontvangst van de instructies van de afzender op het station van bestemming, wordt het goed aan de geadresseerde afgeleverd. De afzender moet daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld.
§ 3. Indien de geadresseerde de aanneming van het goed weigert, mag de afzender, ook indien hij de duplikaat-vrachtbrief niet kan overleggen, instructies geven.
§ 4. De afzender kan door een vermelding op de vrachtbrief ook verlangen dat het goed hem ambtshalve wordt teruggezonden, indien een belemmering in de aflevering optreedt. Buiten dit geval is zijn uitdrukkelijke toestemming vereist.
§ 5. Behoudens het hiervoor bepaalde handelt de met de aflevering belaste spoorweg volgens de ter plaatse van de aflevering geldende voorschriften.
Indien het goed is verkocht, moet de opbrengst, na aftrek van de op het goed drukkende kosten, ter beschikking van de afzender worden gehouden. Indien de opbrengst lager is dan deze kosten, moet de afzender het verschil betalen.
§ 6. Indien de belemmering in de aflevering optreedt nadat de geadresseerde de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, moet de spoorweg de geadresseerde in kennis stellen. De §§ 1, 2 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 7. Artikel 32 is van toepassing op volgens artike 34 uitgevoerd vervoer.
Titel 4. AANSPRAKELIJKHEID
Artikel 35 Collectieve aansprakelijkheid van de spoorwegen.
§ 1. De spoorweg, die het goed met de vrachtbrief ten vervoer heeft aangenomen, is aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele traject tot aan de aflevering.
§ 2. Elke opvolgende spoorweg treedt door het enkele feit, dat hij het goed met de vrachtbrief overneemt, tot de vervoerovereenkomst toe overeenkomstig de bepalingen van dit document en aanvaardt de daaruit voortvloeiende verplichtingen, onverminderd de bepalingen van artikel 55, § 3, betreffende de spoorweg van bestemming.
Artikel 36 Omvang van de aansprakelijkheid.
§ 1. De spoorweg is aansprakelijk voor de schade, die door geheel of gedeeltelijk verlies of door beschadiging van het goed vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering of door overschrijding van de leveringstermijn is ontstaan.
§ 2. De spoorweg is van deze aansprakelijkheid ontheven, indien het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn een gevolg is van schuld van de rechthebbende, eigen gebrek van het goed (inwending bederf, vermindering in massa, enz.) of omstandigheden die de spoorweg niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhelpen.
§ 3. De spoorweg is van deze aansprakelijkheid ontheven, indien het verlies of de beschadiging een gevolg is van de bijzondere risico's verbonden aan één of meer der volgende feiten:
a) Vervoer, dat krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg op een open wagen wordt verricht;
b) Ontbreken of gebrekkige toestand van de verpakking bij goederen, die naar hun aard aan verlies of beschadiging onderhevig zijn, indien zij niet of slecht zijn verpakt;
c) Belading door de afzender of lossing door de geadresseerde krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg of een overeenkomst tussen geadresseerde en spoorweg;
d) gebrekkige belading, indien de belading door de afzender is verricht krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg;
e) Vervulling van de door de douane od andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten door de afzender, de geadresseerde of een gemachtigde van één hunner;
f) Aard van bepaalde goederen, die door aan deze aard verbonden oorzaken (met name: breuk, roest, spontaan inwending bederf, uitdroging en vermindering) aan geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging onderhevig zijn;
g) Onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van van het vervoer uitgesloten of voorwaardelijk ten vervoer toegelaten voorwerpen of niet-inachtneming door de afzender van de voor voorwaardelijk toegelaten voorwerpen voorgeschreven voorzorgsmaatregelen;
h) Vervoer van levende dieren;
i) Vervoer, dat krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg onder begeleiding moet worden verricht, indien het verlies of de beschadiging het gevolg is van een door de begeleiding te vermijden gevaar.
Artikel 37 Bewijslast.
§ 1. Het bewijs, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn door één der in artikel 36, § 2, genoemde feiten is veroorzaakt, rust op de spoorweg.
§ 2. Indien de spoorweg bewijst dat het verlies of de beschadiging, gelet op de feitelijke omstandigheden, kan zijn ontstaan uit één of meer van de in artikel 36, § 3, genoemde bijzondere risico 's, wordt vermoed, dat de schade daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende heeft evenwel het recht te bewijzen, dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door één dezer gevaren is veroorzaakt.
Dit vermoeden geldt in het in artikel 36, 3, a, bedoelde geval niet bij een ongewoon groot verlies of bij verlies van colli.
Artikel 38 <V 1980-05-09/33, Art. M20, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vermoeden bij doorzending.
§ 1. Indien een volgens de Uniforme regelen verzonden zending volgens dezelfde regelen wordt doorgezonden en na deze doorzending een gedeeltelijk verlies of een beschadiging wordt vastgesteld, wordt vermoed dat de schade tijdens de laatste vervoerovereenkomst is ontstaan, indien de zending onder toezicht van de spoorweg is gebleven en is doorgezonden in dezelfde toestand waarin hij in het station van doorzending is aangekomen.
§ 2. Dit vermoeden geldt ook indien op de aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomst de Uniforme regelen niet van toepassing waren, doch zij van toepassing zouden zijn geweest bij rechtstreekse verzending tussen het eerste station van afzending en het laatste station van bestemming.
Dit vermoeden geldt eveneens wanneer de vervoerovereenkomst die aan de herverzending voorafging, onderworpen was aan een ander vergelijkbaar internationaal verdrag over het rechtstreekse internationale spoorvervoer en dat verdrag eenzelfde rechtsvermoeden bevat ten voordele van zendingen die volgens de Uniforme regelen verzonden worden.
Artikel 39 Vermoeden van verlies van het goed.
§ 1. De rechthebbende kan zonder nadere bewijsvoering het goed als verloren beschouwen, indien het niet binnen dertig dagen na afloop van de leveringstermijn aan de geadresseerde is afgeleverd of te zijner beschikking is gesteld.
§ 2. De rechthebbende kan bij ontvangst van de schadevergoeding voor het verloren goed schriftelijk onmiddellijke kennisgeving verzoeken, indien het goed binnen een jaar na de betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden. De spoorweg bevestigt dit verzoek schriftelijk.
§ 3. Binnen dertig dagen na ontvangst van deze kennisgeving kan de rechthebbende verlangen, dat het goed hem op één der stations van het traject wordt afgeleverd. In dit geval moet hij de kosten voor het vervoer van het station van verzending tot het station van aflevering betalen en de ontvangen schadevergoeding onder aftrek van de daarin eventueel begrepen kosten, terugbetalen. Hij behoudt niettemin zijn in de artikelen 43 en 46 bedoelde rechten op schadevergoeding voor overschrijding van de leveringstermijn.
§ 4. Bij gebreke van een in § 2 bedoeld verzoek of van binnen de in § 3 bedoelde termijn gegeven instructies, of indien het goed meer dan een jaar na de betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden, beschikt de spoorweg daarover volgens de wetten en reglementen van de Staat, waartoe hij behoort.
Artikel 40 Schadevergoeding bij verlies.
§ 1. Bij geheel of gedeeltelijk verlies van het goed moet de spoorweg, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen, berekend volgens de beursprijs, bij gebreke daarvan volgens de marktprijs en bij gebreke van beide volgens de gebruikelijke waarden van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid op de dag waarop en de plaats waar het goed ten vervoer is aangenomen.
§ 2. De schadevergoeding kan, onder voorbehoud van de in artikel 45, bedoelde beperking, niet meer dan 17 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa bedragen.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 3°, geeft aan § 2 de volgende vorm : " § 2. De schadevergoeding kan niet meer dan 17 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa bedragen. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 3. De spoorweg moet bovendien de vervoerprijs, de douanerechten en de overige ter zake van het vervoer van het verloren goed betaalde bedragen terugbetalen.
§ 4. Indien bij de berekening van de schadevergoeding in buitenlandse munteenheden uitgedrukte bedragen moeten worden omgerekend, geschiedt zulks volgens de koers op de dag en de plaats van de betaling van de schadevergoeding.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 3°, schaft § 4 af. <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 41 <V 1980-05-09/33, Art. M21, 002; En vigueur : 01-01-1991> Aansprakelijkheid voor vermindering in massa.
§ 1. Met betrekking tot goederen die in het algemeen ingevolge hun aard tijdens het vervoer een vermindering in massa ondergaan, is de spoorweg, ongeacht de lengte van het afgelegde traject, slechts aansprakelijk voor het gedeelte van de vermindering dat meer bedraagt dan :
a) twee procent van de massa voor vloeibare of in vochtige toestand aangeboden goederen;
b) één procent van de massa voor droge goederen.
§ 2. Op de in § 1 bedoelde beperking van de aansprakelijkheid kan geen beroep worden gedaan indien wordt bewezen dat het verlies, gelet op de feitelijke omstandigheden, geen gevolg is van oorzaken, die de afwijking rechtvaardigen.
§ 3. Indien meer colli met één enkele vrachtbrief worden vervoerd, wordt de vermindering in massa berekend voor elk collo, waarvan de massa bij vertrek afzonderlijk op de vrachtbrief is vermeld of op andere wijze kan worden vastgesteld.
§ 4. Bij geheel verlies van het goed vindt voor de berekening van de schadevergoeding geen aftrek plaats wegens gewichtsvermindering tijdens het vervoer.
§ 5. Dit artikel laat de artikelen 36 en 37 onverlet.
Artikel 42 Schadevergoeding bij beschadiging.
§ 1. Bij beschadiging van het goed moet de spoorweg, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen tot een bedrag gelijk aan de waardevermindering van het goed. Dit bedrag wordt berekend door op de volgens artikel 40 bepaalde waarde van het goed het op de plaats van bestemming vastgestelde percentage van de waardevermindering toe te passen.
§ 2. De schadevergoeding kan niet meer bedragen dan:
a) Het bij geheel verlies te betalen bedrag, indien de gehele zending door de beschadiging in waarde is verminderd;
b) Het bij verlies van het in waarde verminderde gedeelte te betalen bedrag, indien slechts een gedeelte van de zending door de beschadiging in waarde is verminderd.
§ 3. De spoorweg moet bovendien de in artikel 40, § 3 bedoelde kosten in de in § 1 bepaalde verhouding terugbetalen.
Artikel 43 Schadevergoeding bij overschrijding van de leveringstermijn.
§ 1. Indien overschrijding van de leveringstermijn een schade, met inbegrip van een beschadiging, tot gevolg heeft, moet de spoorweg een schadevergoeding betalen, die niet meer dan het drievoud van de vervoerprijs kan bedragen.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 4°, geeft aan § 1 de volgende vorm : " § 1. Indien overschrijding van de leveringstermijn een schade, met inbegrip van een beschadiging, tot gevolg heeft, moet de spoorweg een schadevergoeding betalen die niet meer dan het viervoud van de vervoerprijs kan bedragen. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. Bij geheel verlies van het goed kan niet zowel de in § 1 bedoelde schadevergoeding als die van artikel 40 verschuldigd zijn.
§ 3. Bij gedeeltelijk verlies van het goed kan de in § 1 bedoelde schadevergoeding niet meer dan het drievoud van de vervoerprijs van het niet-verloren gedeelte van de zending bedragen.
§ 4. Bij niet als gevolg van overschrijding van de leveringstermijn ontstane beschadiging van het goed kan zowel de in § 1 bedoelde schadevergoeding als die van artikel 42 verschuldigd zijn.
§ 5. In geen geval kan de som van de in § 1 bedoelde schadevergoeding en die van de artikelen 40 en 42 hoger zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is bij geheel verlies van het goed.
§ 6. De spoorweg kan in internationale tarieven of bijzondere overeenkomsten andere dan de in § 1 bedoelde vergoedingsregelingen treffen voor de gevallen, waarin de leveringstermijn overeenkomstig artikel 27, § 1, op grond van vervoersplannen wordt vastgesteld.
Indien in dit geval de artikel 27, § 2, genoemde leveringstermijnen zijn overschreden, kan de rechthebbende hetzij de in § 1 bedoelde, hetzij de in het toegepaste internationale tarief of de toegepaste bijzondere overeenkomst vastgestelde schadevergoeding vragen.
Artikel 44 Schadevergoeding bij opzet of grove schuld.
Indien het verlies, de beschadiging of de overschrijving van de leveringstermijn of de niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de in de Uniforme Regelen bedoelde bijkomende verrichtingen van de spoorweg een gevolg zijn van opzet of grove schuld van de spoorweg, moet deze aan de rechthebbende de bewezen schade volledig vergoeden.
Bij grove schuld is de schadevergoeding evenwel beperkt tot het tweevoud van de in de artikelen 25, 26, 30, 32, 33, 40, 42, 43, 45 en 46 bedoelde maxima.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 5°, geeft aan artikel 44 de volgende vorm : Art. 44. Verlies van het recht om aansprakelijkheidsbeperkingen in te roepen.
De beperkingen van de aansprakelijkheid voorzien in de artikelen 25, 26, 30, 32, 33, 40, 42, 43, 45 en 46 zijn niet van toepassing indien het bewezen is dat de schade voortkomt uit een daad of een nalaten vanwege de spoorweg, ofwel met de bedoeling zulke schade te veroorzaken, ofwel begaan uit roekeloosheid en met het besef dat zulks schade vermoedelijk zal ontstaan. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 45 <V 1980-05-09/33, Art. M22, 002; En vigueur : 01-01-1991> Beperking van de schadevergoeding door bepaalde tarieven.
Indien de spoorweg door bijzondere of uitzonderingstarieven die een verlaging van de volgens de algemene tarieven berekende vervoerprijs bevatten, bijzondere vervoersvoorwaarden toestaat, kan hij de aan de rechthebbende verschuldigde schadevergoeding wegens overschrijding van de leveringstermijn beperken, voor zover een dergelijke beperking in het tarief bepaald is.
Indien deze bijzondere vervoersvoorwaarden slechts voor een deel van het traject gelden, kan op deze beperking slechts een beroep worden gedaan indien het aan de schadevergoeding ten grondslag liggende feit op dat deel heeft plaatsgevonden.
Artikel 46 Schadevergoeding bij belang bij de aflevering.
Indien het belang bij de aflevering is aangegeven, kan boven de in de artikelen 40, 42, 43 en 45 bedoelde schadevergoedingen vergoeding van de overige bewezen schade tot aan het aangegeven bedrag worden gevraagd.
Artikel 47 Rente over de schadevergoeding.
§ 1. De rechthebbende kan rente ten bedrage van vijf procent 's jaars over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
§ 2. De rente is slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 4 rekeneenheden per vrachtbrief.
§ 3. Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de spoorweg overlegt, loopt de rente niet tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 6°, geeft aan artikel 47 de volgende vorm : " Art. 47. Omrekening en rente over de schadevergoeding.
§ 1. Indien de berekening van de schadevergoeding de omrekening van bedragen uitgedrukt in vreemde munteenheden vereist, wordt deze berekend volgens de koers op de dag en de plaats van uitbetaling van de schadevergoeding.
§ 2. De rechthebbende kan rente ten bedrage van vijf procent 's jaars over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
§ 3. De rente is slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 4 rekeneenheden per vrachtbrief.
§ 4. Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de spoorweg overlegt, loopt de rente niet tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 48 Aanspakelijkheid in spoor/zeevervoer.
§ 1. Voor spoor/zeevervoer met gebruikmaking van de in artikel 2, § 2, van het Verdrag bedoelde lijnen kan elke Staat, door een desbetreffende vermelding op de lijst van de aan de Uniforme Regelen onderworpen lijnen te doen opnemen, het geheel van de hierna genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid toevoegen aan de in artikel 36 genoemde gronden.
De vervoerder kan daarop slechts een beroep doen, indien hij bewijst, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn op het zeetraject is ontstaan, vanaf de verlading van het goed aan boord van het schip tot aan de lossing daarvan uit het schip.
Deze gronden tot uitsluiting van de aansprakelijkheid zijn de volgende:
a) handelingen, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein, de bemanning, de loods of de ondergeschikten van de vervoerder bij de navigatie of het beheer van het schip;
b) onzeewaardigheid van het schip, mits de vervoerder bewijst, dat deze niet is te wijten aan een gebrek aan redelijke zorg zijnerzijds om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk uit te rusten, te bemannen en te bevoorraden of om alle delen van het schip waarin het goed wordt geladen voor het ontvangen, vervoeren en bewaren van het goed geschikt te maken en in goede staat te brengen;
c) brand, mits de vervoerder bewijst, dat deze niet is veroorzaakt door toedoen of schuld van hemzelf, de kapitein, de bemanning, de loods of zijn ondergeschikten;
d) gevaren of onheilen van de zee of andere bevaarbare wateren;
e) redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen ter zee;
f) vervoer van het goed als deklading, mits zulks is geschied met door de afzender op de vrachtbrief gegeven toestemming en het goed zich niet in een spoorwagen bevindt.
De hiervoor genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid leiden geenszins tot opheffing of vermindering van de algemene verplichtingen van de vervoerder met name zijn verplichting een redelijke zorg aan te wenden om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk uit te rusten, te bemannen en te bevoorraden of om alle delen van het schip waarin het goed wordt geladen voor het ontvangen, vervoeren en bewaren van het goed geschikt te maken en in goede staat te brengen.
Indien de vervoerder een beroep doet op de hiervoor genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid, blijft het niettemin aansprakelijk, indien de rechthebbende bewijst, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn is te wijten aan een ander verzuim van de vervoerder, de kapitein, de bemanning, de loods of zijn ondergeschikten dan onder a bedoeld.
§ 2. Indien hetzelfde zeetraject wordt geëxploiteerd door meer ondernemingen, die ingeschreven zijn op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst, moet het voor dit traject geldende aansprakelijkheidsregime voor al deze ondernemingen gelijk zijn.
Indien deze ondernemingen op verzoek van meer Staten op de lijst zijn ingeschreven, moeten deze Staten bovendien over het toe te passen regime overeenstemming hebben bereikt.
§ 3. De overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld. Zij treden niet eerder in werking dan na verloop van dertig dagen na de dag van kennisgeving door het Centraal Bureau aan de andere Staten.
Deze maatregelen zijn niet van invloed op zendingen, die onderweg zijn.
Artikel 49 Aansprakelijkheid bij een kernongeval.
De spoorweg is ontheven van de ingevolge de Uniforme Regelen op hem rustende aansprakelijkheid, indien de schade is veroorzaakt door een kernongeval en de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is ingevolge de wetten en reglementen van een Staat, die de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie regelen.
Artikel 50 Aansprakelijkheid van de spoorweg voor zijn personeel.
De spoorweg is aansprakelijk voor zijn personeel en voor andere personen, van wier diensten hij gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer.
Indien evenwel dit personeel of deze andere personen op verzoek van een belanghebbende vrachtbrieven invullen, vertalingen maken of andere diensten verrichten, waartoe de spoorweg niet verplicht is, worden zij geacht te handelen voor rekening van de persoon, aan wie zij deze diensten verlenen.
Artikel 51 Andere vorderingen.
In alle gevallen, waarvoor de Uniforme Regelen gelden, kan een vordering tot schadevergoeding, ongeacht de rechtsgrond, tegen de spoorweg slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Regelen.
Hetzelfde geldt voor een tegen het personeel en de andere personen, voor wie de spoorweg ingevolge artikel 50 aansprakelijk is, ingestelde vordering.
Titel 5. VORDERINGEN IN EN BUITEN RECHTE
Artikel 52 Vaststelling van gedeeltelijk verlies of beschadiging.
§ 1. Indien een gedeeltelijk verlies of een beschadiging door de spoorweg wordt ontdekt of vermoed of door de rechthebbende wordt beweerd, moet de spoorweg onverwijld en zo mogelijk in tegenwoordigheid van de rechthebbende een proces-verbaal opmaken, dat naar gelang van de aard van de schade de toestand en de massa van het goed en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het tijdstip van ontstaan van de schade vermeldt.
Een afschrift van dit proces-verbaal moet kosteloos aan de rechthebben worden verstrekt.
§ 2. Indien de rechthebbende niet met de vermeldingen in het proces-verbaal instemt kan hij verlangen, dat de toestand en de massa van het goed en de oorzaak en het bedrag van de schade worden vastgesteld door een door partijen of de rechter benoenmde deskundige. De procedure is onderworpen aan de wetten en reglementen van de Staat, waar de vaststelling geschiedt.
Artikel 53 Vorderingen buiten rechte.
§ 1. Vorderingen buiten rechte met betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk bij de in artikel 55 bedoelde spoorweg worden ingediend.
§ 2. Tot het indienen van een vordering buiten rechte zijn gerechtigd de personen, die volgens artikel 54 gerechtigd zijn een vordering in rechte tegen de spoorweg in te stellen.
§ 3. De afzender, die een vordering buiten rechte indient, moet de duplicaatvrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet hij een machtiging van de geadresseerde overleggen of bewijzen, dat deze de zending heeft geweigerd.
De geadresseerde, die een vordering buiten rechte indient, moet de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
§ 4. De vrachtbrief, het duplicaat en de overige bescheiden, die de rechthebbende bij zijn vordering wil voegen, moeten worden overgelegd in origineel of in, op verzoek van de spoorweg behoorlijk gewaarmerkt afschrift.
Bij de regeling van de vordering kan de spoorweg de overlegging van het origineel van de vrachtbrief, het duplicaat of de remboursementsnota verlangen om de regeling daarop te vermelden.
Artikel 54 Personen die een vordering in rechte tegen de spoorweg kunnen instellen.
§ 1. Een vordering in rechte tot terugbetaling van een ingevolge de vervoerovereenkomst betaald bedrag, kan slechts worden ingesteld door degene, die de betaling heeft gedaan.
§ 2. Een vordering in rechte met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement kan slechts worden ingesteld door de afzender.
§ 3. Andere vorderingen in rechte uit de vervoerovereenkomst kunnen worden ingesteld door:
a) De afzender, tot het tijdstip waarop de geadresseerde:
1. De vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. Het goed heeft aangenomen, of
3. De hem ingevolge artikel 28, § 4, of artikel 31 toekomende rechten heeft doen gelden;
b) De geadresseerde, vanaf het tijdstip waarop hij:
1. De vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. Het goed heeft aangenomen,
3. De hem ingevolge artikel 28, § 4, toekomende rechten heeft doen gelden, of
4. De hem ingevolge artikel 31 toekomende rechten heeft doen gelden; het recht om deze vordering in te stellen vervalt evenwel, zodra de overeenkomstig artikel 31, § 1, c, door de geadresseerde aangewezen persoon de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, het goed heeft aangenomen of de hem ingevolge artikel 28, § 4 toekomende rechten heeft doen gelden.
§ 4. De afzender, die een vordering in rechte instelt, moet de duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet hij ter zake van de § 3, a, bedoelde vorderingen een machtiging van de geadresseerde overleggen of bewijzen, dat deze de zending heeft geweigerd.
De geadresseerde, die een vordering in rechte instelt, moet de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
Artikel 55 Spoorwegen, tegen welke een vordering in rechte kan worden ingesteld.
§ 1. Een vordering in rechte tot terugbetaling van een ingevolge de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld tegen de spoorweg, die dit bedrag heeft geïnd, of tegen de spoorweg, ten bate waarvan dit bedrag is geïnd.
§ 2. Een vordering in rechte met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement kan slechts worden ingesteld tegen de spoorweg van afzending.
§ 3. Andere vorderingen in rechte uit de vervoerovereenkomst kunnen worden ingesteld tegen de spoorweg van afzending, de spoorweg van bestemming of de spoorweg waarop het feit, waaruit de vordering is ontstaan, is voorgevallen.
Tegen de spoorweg van bestemming kan de vordering zelfs worden ingesteld, indien deze noch het goed, noch de vrachtbrief heeft overgenomen.
§ 4. Indien de eiser de keuze tussen verschillende spoorwegen heeft, vervalt zijn keuzerecht, zodra de vordering tegen één van hem in rechte is ingesteld.
§ 5. Een vordering in rechte kan tegen een andere dan de in de §§ 1, 2 en 3, bedoelde spoorwegen worden ingesteld bij wijze van terugvordering of exceptie in een geding over een op dezelfde vervoerovereenkomst gegronde vordering.
Artikel 56 Bevoegdheid.
Op de Uniforme Regelen gegronde vorderingen in rechte kunnen slechts worden ingesteld bij de bevoegde rechter van de Staat, waartoe de gedaagde spoorweg behoort, tenzij in overeenkomsten tussen Staten of concessies anders is bepaald.
Indien een spoorweg in verschillende Staten zelfstandige netten exploiteert, wordt elk dezer netten als een afzonderlijke spoorweg beschouwd voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 57 Verval van de vordering tegen de spoorweg.
§ 1. Door de aanneming van het goed door de rechthebbende vervalt elke vordering tegen de spoorweg uit de vervoerovereenkomst wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de leveringstermijn.
§ 2. De vordering vervalt evenwel niet:
a) bij gedeeltelijk verlies of beschadiging, indien:
1. het verlies of de beschadiging overeenkomstig artikel 52 is vastgesteld voor de aanneming van het goed door de rechthebbende;
2. de vaststelling, die overeenkomstig artikel 52 har moeten geschieden, slechts door schuld van de spoorweg achterwege is gebleven:
b) bij uiterlijk niet waarneembare schade, die is vastgesteld na de aanneming van het goed door de rechthebbende, indien deze:
1. de vaststelling overeenkomstig artikel 52 onmiddellijk na de ontdekking van de schade en binnen zeven dagen na de aanneming van het goed verlangt en
2. bovendien bewijst, dat de schade tussen de aanneming ten vervoer en de aflevering is ontstaan;
c) bij overschrijding van de leveringstermijn, indien de rechthebbende binnen zestig dagen zijn rechten bij één der in artikel 55, § 3, bedoelde spoorwegen heeft doen gelden;
d) indien de rechthebbende bewijst, dat de schade een gevolg is van opzet of grove schuld van de spoorweg;
§ 3. Indien het goed overeenkomstig artikel 38, § 1, is doorgezonden, vervallen de vorderingen uit één der voorafgaande vervoerovereenkomsten wegens gedeeltelijk verlies of beschadiging, alsof er sprake was van een enkele overeenkomst.
Artikel 58 Verjaring van de vordering.
§ 1. De vordering uit de vervoerovereenkomst verjaart door verloop van één jaar.
De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar, indien de vordering:
a) de betaling van een door de spoorweg van de geadresseerde geïnd remboursement betreft;
b) de betaling van de opbrengst van een door de spoorweg verrichte verkoop betreft;
c) gegrond is op een opzettelijk veroorzaakte schade;
d) gegrond is op bedrog;
e) gegrond is op één der aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het in artikel 38, § 1, bedoelde geval.
(NOTA : Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 7°, geeft aan § 1 de volgende vorm : " Art. 58. Verjaring van de vordering.
§ 1. De vordering uit de vervoerovereenkomst verjaart door verloop van één jaar.
De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar, indien de vordering:
a) de betaling van een door de spoorweg van de geadresseerde geïnd remboursement betreft;
b) de betaling van de opbrengst van een door de spoorweg verrichte verkoop betreft;
c) gegrond is op een schade veroorzaakt door een daad of een nalaten, ofwel met de bedoeling zulke schade te veroorzaken ofwel begaan uit roekeloosheid en met het besef dat zulke schade vermoedelijk zal ontstaan;
d) gegrond is op één der aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het in artikel 38, § 1, bedoelde geval. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. De verjaring begint bij vorderingen:
a) tot schadevergoeding wegens geheel verlies: op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
b) tot schadevergoeding wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de leveringstermijn: op de dag van de aflevering;
c) tot betaling of terugbetaling van de vervoerprijs, bijkomende kosten, overige kosten of boeten of tot correctie in geval van onjuiste toepassing van een tarief of van vergissing bij de berekening of de inning:
1° indien betaald is: op de dag van betaling;
2° indien niet betaald is: op de dag van aanneming van het goed ten vervoer, indien de afzender moet betalen, of op de dag van de in ontvangstneming van de vrachtbrief door de geadresseerde, indien deze moet betalen;
3° indien het met een frankeringsnota te verrekenen bedragen betreft: op de dag, waarop de spoorweg de in artikel 15, § 7, bedoelde kostennota aan de afzender verstrekt; bij gebreke van deze verstrekking begint de termijn voor de vorderingen van de spoorweg op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
d) van de spoorweg tot betaling van een door de geadresseerde in plaats van door de afzender (of omgekeerd) betaald bedrag, dat de spoorweg aan de rechthebbende moet terugbetalen: op de dag, waarop deze terugbetaling wordt verzocht;
e) met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement: op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
f) tot betaling van de opbrengst van een verkoop: op de dag van de verkoop;
g) tot betaling van door de douane of andere overheidsinstanties nagevorderde rechten: op de dag van deze navordering;
h) in alle overige gevallen: op de dag, waarop het recht kan worden uitgeoefend.
De als begin van de verjaringstermijn vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.
§ 3. Indien overeenkomstig artikel 53 een vordering buiten rechte met de nodige bewijsstukken bij de spoorweg is ingediend, is de verjaring geschorst tot de dag, waarop de spoorweg de vordering schriftelijk afwijst en de stukken teruggeeft. Bij gedeeltelijke erkenning van de vordering begint de verjaringstermijn weer te lopen voor het nog-betwiste gedeelte van de vordering. Het bewijs van de ontvangst van de vordering of van het antwoord en van de teruggave van de stukken rust op degene, die zich daarop beroept.
Latere vorderingen buiten rechte met dezelfde inhoud schorsen de verjaring niet.
§ 4. Een verjaarde vordering kan niet meer in rechte worden ingesteld, zelfs niet bij wijze van tegenvordering of exceptie.
§ 5. Behoudens de voorafgaande bepalingen, geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.
(TITEL VI. - RAPPORTEN VAN SPOORWEGEN ONDERLING.) <V 1980-05-09/33, Art. M23, 002; En vigueur : 01-01-1991>
Artikel 59 <V 1980-05-09/33, Art. M23, 002; En vigueur : 01-01-1991> Verrekening tussen spoorwegen.
§ 1. Elke spoorweg die bij vertrek of aankomst de uit de vervoerovereenkomst ontstane kosten of andere vorderingen heeft geïnd, moet aan de betrokken spoorwegen het toekomende aandeel betalen.
De wijze van betaling wordt bij overeenkomst tussen de spoorwegen vastgesteld.
§ 2. De spoorweg van afzending is aansprakelijk voor de vervoerprijs en overige kosten die hij niet geïnd heeft, wanneer de afzender ze overeenkomstig artikel 15 voor zijn rekening heeft genomen.
§ 3. Indien de spoorweg van bestemming het goed aflevert zonder de uit de vervoerovereenkomst ontstane kosten of andere vorderingen te innen, is hij aansprakelijk voor die bedragen.
§ 4. Indien het Centraal Bureau op verzoek van één der crediteur-spoorwegen vaststelt dat een spoorweg in gebreke is met betaling, worden de gevolgen door alle andere bij het vervoer betrokken spoorwegen gedragen naar evenredigheid van hun aandeel in de vervoerprijs.
Het recht van regres tegen de in gebreke gebleven spoorweg blijft voorbehouden.
Artikel 60 Regres bij verlies of beschadiging.
§ 1. De spoorweg, die volgens de Uniforme Regelen een schadevergoeding wegens geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het vervoer betrokken spoorwegen overeenkomstig de volgende bepalingen:
a) de spoorweg, die de schade heeft veroorzaakt, is daarvoor alléén aansprakelijk;
b) indien de schade is veroorzaakt door meer spoorwegen, is elk van hen aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de schadevergoeding onder hen volgens c verdeeld;
c) indien niet kan worden bewezen, dat de schade door één of meer spoorwegen is veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken spoorwegen verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat de schade niet op hun lijnen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid van de tariefkilometers.
§ 2. Indien één der spoorwegen niet kan betalen, wordt het te zijnen laste komende en door hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken spoorwegen verdeeld naar evenredigheid van de tariefkilometers.
Artikel 61 Regres bij overschrijding van de leveringstermijn.
§ 1. Artikel 60 is van toepassing op wegens overschrijding van de leveringstermijn betaalde schadevergoeding. Indien de overschrijding door meer spoorwegen is veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder deze spoorwegen verdeeld naar evenredigheid van de duur van de op hun lijnen ontstane vertraging.
§ 2. De in artikel 27 bepaalde leveringstermijnen worden op de volgende wijze verdeeld:
a) indien twee spoorwegen bij het vervoer zijn betrokken wordt:
1. de termijn voor de verzending verdeeld in helften;
2. de termijn voor het vervoer verdeeld naar evenredigheid van de tariefkilometers;
b) indien drie of meer spoorwegen bij het vervoer zijn betrokken, wordt:
1. de termijn voor de verzending onder de spoorweg van afzending en de spoorweg van bestemming verdeeld;
2. de termijn voor het vervoer onder alle spoorwegen verdeeld:
- voor één derde in gelijke delen,
- voor twee derde naar evenredigheid van de tariefkilometers.
§ 3. Toeslagtermijnen, waarop een spoorweg recht heeft, worden hem toegerekend.
§ 4. De tijd tussen de aanbieding van het goed ten vervoer en het begin van de termijn voor de verzending wordt uitsluitend aan de spoorweg van afzending toegerekend.
§ 5. De hiervoor bedoelde verdeling slechts in aanmerking, indien de gehele leveringstermijn niet in acht is genomen.
Artikel 62 Regres-procedure.
§ 1. De spoorweg, jegens welke een in de artikelen 60 en 61 bedoeld regres wordt uitgeoefend, kan de gegrondheid van de betaling door de spoorweg, die het regres uitoefent, niet betwisten, indien de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en hij naar behoren was gedagvaard tot tussenkomst in het geding. De rechter, bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.
§ 2. De spoorweg, die het regres uitoefent, moet zijn vordering instellen in één geding tegen alle spoorwegen, met welke hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van verlies van zijn regres jegens de niet-gedagvaarde spoorwegen.
§ 3. De rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem aanhangige vorderingen.
§ 4. De spoorwegen, tegen welke een vordering is ingesteld, kunnen geen verder regres uitoefenen.
§ 5. Regres kan niet worden uitgeoefend door instelling van een vordering in het geding betreffende de door de rechthebbende uit de vervoerovereenkomst ingestelde vordering tot schadevergoeding.
Artikel 63 Bevoegdheid voor regres.
§ 1. De rechter van de zetel van de spoorweg, jegens welke het regres wordt uitgeoefend, is uitsluitend bevoegd voor deze vorderingen.
§ 2. Indien de vordering tegen meer spoorwegen moet worden ingesteld, heeft de eisende spoorweg de keuze tussen de ingevolge § 1 bevoegde rechters.
Artikel 64 Overeenkomsten betreffende regres.
De spoorwegen kunnen bij overeenkomst afwijken van de bepalingen betreffende het wederzijds regres van deze titel, met uitzondering van die van artikel 62, § 5.
Titel 7. UITZONDERINGSBEPALINGEN
Artikel 65 <V 1980-05-09/33, Art. M24, 002; En vigueur : 01-01-1991> Tijdelijke afwijkingen.
§ 1. Indien de economische en financiële toestand van een Staat ernstige moeilijkheden kunnen opleveren bij de toepassing van Titel VI, kunnen twee of meer andere Staten door overeenkomsten afwijken van de artikelen 15, 17 en 30 door, voor het vervoer met de Staat in moeilijkheden, te besluiten dat :
a) voor de bij elk van deze Staten vertrekkende zendingen, de kosten tot aan de grenzen van de Staat in moeilijkheden, maar niet verder, verplicht ten laste worden gebracht van de afzender;
b) voor de zendingen die voor elk van deze Staten bestemd zijn, de kosten tot aan de grenzen van de Staat in moeilijkheden, maar niet verder, verplicht ten laste worden gebracht van de afzender;
c) de zendingen die voor de Staat in moeilijkheden bestemd zijn of daar vertrekken, met geen remboursement of voorschot belast mogen worden of dat zulks slechts ten belope van bepaalde bedragen wordt toegestaan.
d) de afzender de vervoerovereenkomst niet mag wijzigen met betrekking tot het land van bestemming, de frankering en het remboursement.
§ 2. Onder de in § 1 vastgestelde voorwaarden en met de toestemming van hun Regeringen, kunnen de spoorwegen die in betrekking staan met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden, een afwijking van de artikelen 15, 17, 30 en 31 overeenkomen voor hun wederzijds vervoer met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden.
Over een dergelijke afwijking wordt beslist door de tweederdemeerderheid van de spoorwegen die in betrekking staan met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden.
§ 3. De ingevolge de §§ 1 en 2 genomen maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld.
De in § 1 genoemde maatregelen treden niet eerder in werking dan na verloop van acht dagen na de kennisgeving daarvan door het Centraal Bureau aan de andere Staten.
De in § 2 genoemde maatregelen treden niet eerder in werking dan na verloop van twee dagen na de publicatie daarvan in de betrokken Staten.
§ 4. Deze maatregelen zijn niet van invloed op zendingen die onderweg zijn.
§ 5. Ongeacht de bepalingen van dit artikel kan iedere Staat eenzijdige maatregelen nemen overeenkomstig artikel 3, § 4, b.
Artikel 66 Afwijkingen.
De bepalingen van de Uniforme Regelen hebben geen voorrang boven de regelingen, die bepaalde Staten voor het vervoer tussen hen moeten treffen op grond van bepaalde verdragen, zoals de verdragen betreffende de Europese Gemeenschap voor kolen en staal en de Europese Economische Gemeenschap.
Artikel N1 BIJLAGE 1: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID) (Art. 4 en 5). <Zie het bijvoegsel tot het Belgisch Staatsblad van 13 december 1989>
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (RID), Bijlage I bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast. (Wijzigingen : )
- zie wijziging nr. 3, geldig vanaf 1 januari 1990; de tekst van dit verdrag verschijnt in de bijlage van het B.St. van 28-11-1990, p. 1 - 660;
- zie bericht gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 13-12-1989, wijzigingen met inwerkingtreding op 01-01-1988;
- zie bericht 2005-04-19/31, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 19-04-2005, wijzigingen met inwerkingtreding op 01-01-2005.
- zie bericht 2006-05-18/30, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 18-05-2006, p. 25515-18, wijzigingen met inwerkingtreding op 31-01-2006.
Artikel N2 BIJLAGE 2: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van wagens van particulieren (RIP) (Art. 8, § 1).
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van wagens van particulieren (RIP), Bijlage IV bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast.
Artikel N3 BIJLAGE 3: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van containers (RICo) (Art. 8, § 2).
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van laadkisten (RICo), Bijlage V bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast.
Artikel N4 BIJLAGE 4: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van expresgoederen (RIEx) (Art. 8, § 3).
§ 1. Als expresgoed worden slechts aangemerkt goederen, die op de voorwaarden van een internationaal tarief bijzonder snel worden vervoerd.
Als expresgoed kunnens slechts worden toegelaten goederen, die zonder meer in de bagagewagen van reizigerstreinen kunnen worden geladen. De internationale tarieven kunnen van deze regel afwijken.
§ 2. De in artikel 4 van de Uniforme Regelen bedoelde voorwerpen zijn van het vervoer als expresgoed uitgesloten. De in het RID genoemde of in de overeenkomsten en tarieven ingevolge artikel 5, § 2, van de Uniforme Regelen bedoelde stoffen en voorwerpen zijn slechts als expresgoed ten vervoer toegelaten, indien deze vervoerwijze in het RID of in deze overeenkomsten of tarieven uitdrukkelijk is voorzien. De internationale tarieven bepalen, of andere goederen eveneens van het vervoer zijn uitgesloten of voorwaardelijk ten vervoer zijn toegelaten.
§ 3. Expresgoederen kunnen ten vervoer worden aangeboden met een ander document dan de volgens artikel 12, § 2, van de Uniforme Regelen vastgestelde vrachtbrief. Het te gebruiken model en de gegevens, die daarop moeten of mogen worden vermeld, worden door de internationale tarieven bepaald. Dit document moet in elk geval bevatten:
a) de stations van afzending en bestemming;
b) de naam en het adres van de afzender en van de geadresseerde;
c) de omschrijving van het goed;
d) het aantal colli en een beschrijving van de verpakking;
e) de nauwkeurige beschrijving van de door de douane of andere overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden, die bij het document zijn gevoegd.
§ 4. Expresgoederen moeten met snelle middelen worden vervoerd binnen de in de internationale tarieven bepaalde termijnen. De leveringstermijnen moeten in elk geval korter zijn dan de voor snelgoedzendingen geldende termijnen.
§ 5. De internationale tarieven kunnen ook andere dan de hiervoor genoemde afwijkingen van de Uniforme Regelen bepalen. Van de artikelen 35 tot en met 38, 40 tot en met 42, 44 en 47 tot en met 58 van de Uniforme Regelen mag evenwel niet worden afgeweken.
§ 6. Indien de voorgaande bepalingen en die van de internationale tarieven niet anders bepalen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op het vervoer van expresgoederen.
Artikel 1 Werkingssfeer.
§ 1. Behoudens de in artikel 2 genoemde uitzonderingen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op alle goederenzendingen, die ten vervoer worden aangeboden met een rechtstreekse vrachtbrief voor een traject, dat op het grondgebied van ten minste twee Staten is gelegen en uitsluitend lijnen omvat, die op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst zijn ingeschreven.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, geeft aan § 1 de volgende vorm : " § 1. Behoudens de in artikel 2 genoemde uitzonderingen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op alle goederenzendingen, die ten vervoer worden aangeboden met een rechtstreekse vrachtbrief voor een traject, dat op het grondgebied van ten minste twee Staten is gelegen en uitsluitend lijnen omvat, die op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst zijn ingeschreven, alsook in voorkomend geval op volgens artikel 2, § 2, alinea 2 van het Verdrag, daarmee gelijkgesteld vervoer. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. In de Uniforme Regelen omvat de term "station": spoorwegstations, havens der scheepvaartlijnen en alle andere ter uitvoering van de vervoerovereenkomst voor het publiek geopende inrichtingen van de vervoerondernemingen.
Artikel 2 Uitzonderingen op de werkingssfeer.
§ 1. Op zendingen, waarvan het station van afzending en het station van bestemming op het grondgebied van dezelfde Staat zijn gelegen en waarvoor het grondgebied van een andere Staat slechts voor doorvoer wordt gebruikt, zijn de Uniforme Regelen niet van toepassing:
a) indien de lijnen, waarover de doorvoer geschiedt, uitsluitend door een spoorweg van de Staat van ertrek worden geëxploiteerd, of
b) indien de betrokken Staten of spoorwegen zijn overeengekomen deze zendingen niet als internationaal te beschouwen.
§ 2. Op zendingen tussen stations van twee aangrenzende Staten en zendingen tussen stations van twee Staten in doorvoer over het grondgebied van een derde Staat is, indien de lijnen waarover het vervoer geschiedt uitsluitend door een spoorweg van één dezer drie Staten worden geëxploiteerd, het voor het nationale vervoer van deze spoorweg geldende recht van toepassing, indien de afzender zulks door gebruikmaking van de desbetreffende vrachtbrief verlangt en de wetten en reglementen van geen der betrokken Staten zich daartegen verzetten.
Artikel 3 <V 1980-05-09/33, Art. M8, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vervoerplicht.
§ 1. De spoorweg is verplicht alle als wagenlading aangeboden goederen overeenkomstig de Uniforme Regelen te vervoeren, mits :
a) de afzender de Uniforme Regelen, de bijkomende bepalingen en de tarieven in acht neemt;
b) het vervoer met het personeel en de normale aan de regelmatige vervoersbehoeften beantwoordende vervoermiddelen mogelijk is;
c) het vervoer niet wordt belemmerd door omstandigheden die de spoorweg niet kan vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kan verhelpen.
§ 2. De spoorweg is slechts verplicht goederen, waarvan het laden, overladen of lossen het gebruik van bijzondere hulpmiddelen vereist, aan te nemen indien de betrokken stations over deze middelen beschikken.
§ 3. De spoorweg is slechts verplicht goederen aan te nemen die zonder uitstel vervoerd kunnen worden; de voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen, in welke gevallen goederen die niet aan deze voorwaarde voldoen, voorlopig in bewaring genomen moeten worden.
§ 4. Indien het bevoegd gezag heeft beslist dat :
a) de dienst geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk zal worden gestaakt;
b) bepaalde zendingen uitgesloten of slechts voorwaardelijk toegelaten zullen worden;
c) bepaalde goederen bij voorrang ten vervoer moeten worden aangenomen,
moeten deze maatregelen onverwijld worden bekendgemaakt aan het publiek en de spoorwegen; deze lichten de spoorwegen van de andere Staten in met het oog op de publicatie daarvan.
§ 5. De spoorwegen kunnen gemeenschappelijk besluiten het vervoer van goederen in bepaalde relaties te concentreren op bepaalde grenspunten en op bepaalde doorvoerlanden.
Deze maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld. Zij worden door de spoorwegen in bijzondere lijsten vastgelegd en op dezelfde wijze als internationale tarieven gepubliceerd; zij treden een maand na de dag van de mededeling aan het Centraal Bureau in werking.
§ 6. Elke door de spoorweg op dit artikel gemaakte inbreuk kan aanleiding geven tot een vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade.
Artikel 4 Van het vervoer uitgesloten voorwerpen.
Van het vervoer zijn uitgesloten:
a) voorwerpen, waarvan het vervoer in één der betrokken Staten is verboden;
b) voorwerpen, waarvan het vervoer in één der betrokken Staten aan de posterijen is voorbehouden;
c) voorwerpen, die door hun afmetingen, massa of aard niet voor het verlangde vervoer geschikt zijn vanwege de inrichtingen of het materieel van één der betrokken spoorwegen;
d) stoffen en voorwerpen, die krachtens het Reglement betreffende het internationaal spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), Bijlage I bij de Uniforme Regelen, van het vervoer zijn uitgesloten, behoudens de in artikel 5, § 2, bedoelde afwijkingen.
Artikel 5 Voorwaardelijk ten vervoer toegelaten voorwerpen.
§ 1. Voorwaardelijk ten vervoer zijn toegelaten:
a) stoffen en voorwerpen, die ten vervoer zijn toegelaten onder de voorwaarden van het RID of van de in § 2 bedoelde overeenkomsten of tarieven;
b) stoffelijke overschotten, op eigen wielen rollend spoorwegmaterieel, levende dieren en voorwerpen, die door hun afmetingen, massa of aard bijzondere moeilijkheden voor het vervoer opleveren: onder de voorwaarden van de bijkomende bepalingen, dit van de Uniforme Regelen mogen afwijken.
Levende dieren moeten worden begeleid door een door de afzender te stellen begeleider; deze is evenwel niet vereist, indien zulks in de internationale tarieven is bepaald of de aan het vervoer deelnemende spoorwegen op verzoek van de afzender daarvan hebben afgezien; tenzij het tegendeel is overeengekomen, is in dat geval de spoorweg ontheven van zijn aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging, ontstaan uit een gevaar, dat door de begeleiding had moeten worden vermeden.
§ 2. Twee of meer Staten kunnen in overeenkomsten of twee of meer spoorwegen kunnen in tarieven overeenkomen, onder welke voorwaarden bepaalde door het RID van het vervoer uitgesloten stoffen en voorwerpen niettemin ten vervoer kunnen worden toegelaten.
De Staten of de spoorwegen kunnen op dezelfde wijze de in het RID genoemde voorwaarden voor de toelating ten vervoer matigen.
Deze overeenkomsten en tarieven moeten worden gepubliceerd en meegedeeld aan het Centraal Bureau, dat daarvan aan de Staten kennis geeft.
Artikel 6 Tarieven. Bijzondere contracten.
§ 1. De vervoerprijs en de bijkomende kosten worden berekend volgens de in elke Staat van kracht zijnde en naar behoren gepubliceerde tarieven, die op het tijdstip van sluiting van de vervoerovereenkomst gelden, ook indien de vervoerprijs op verschillende delen van het traject afzonderlijk wordt berekend.
§ 2. De tarieven moeten alle voor het vervoer geldende bijzondere voorwaarden bevatten, met name de voor de berekening van de vervoerprijs en de bijkomende kosten nodige gegevens en eventueel de voorwaarden voor omrekening van munteenheden.
De voorwaarden van de tarieven mogen slechts van de Uniforme Regelen afwijken, indien deze zulks uitdrukkelijk bepalen.
§ 3. De tarieven moeten jegens een ieder onder dezelfde voorwaarden worden toegepast.
§ 4. De spoorwegen kunnen bijzondere contracten, die prijsverlagingen of andere voordelen bevatten, sluiten, voor zover vergelijkbare voorwaarden worden toegekend aan gebruikers, die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.
Prijsverlagingen of andere voordelen kunnen worden overeengekomen ten behoeve van de spoorwegdiensten of voor liefdadige doeleinden.
De op grond van de eerste en tweede alinea getroffen maatregelen behoeven niet te worden gepubliceerd.
§ 5. De internationale tarieven kunnen voor internationaal vervoer verbindend worden verklaard met uitsluiting van de nationale tarieven.
De toepassing van een internationaal tarief kan van een uitdrukkelijk verzoek in de vrachtbrief afhankelijk worden gesteld.
§ 6. De tarieven en de wijzigingen daarvan gelden als naar behoren gepubliceerd, zodra de spoorweg alle bijzonderheden daarvan ter beschikking van de gebruikers stelt.
Internationale tarieven behoeven slechts gepubliceerd te worden in de Staten, waarvan de spoorwegen aan de tarieven als spoorweg van vertrek of bestemming deelnemen.
§ 7. Prijsverhogingen en andere verzwaringen van de vervoersvoorwaarden van internationale tarieven treden niet eerder dan vijftien dagen na hun publicatie in werking, behalve in de volgende gevallen:
a) Indien een internationaal tarief de gelding van een nationaal tarief tot het gehele traject uitbreidt; gelden de publicatietermijn van dit nationale tarief;
b) Indien de prijsverhogingen van een internationaal tarief het gevolg zijn van een algemene prijsverhoging van de nationale tarieven van een deelnemende spoorweg, treden zij de dag na hun publicatie in werking, mits de aanpassing van de prijzen van het internationale tarief aan deze verhoging ten minste vijftien dagen te voren is aangekondigd; deze aankondiging mag echter niet voor de dag van publicatie van de prijsverhoging van de betreffende nationale tarieven geschieden;
c) Indien de vervoerprijzen en de bijkomende kosten van de internationale tarieven wegens koersveranderingen moeten worden gewijzigd of indien kennelijke fouten moeten worden verbeterd, treden die wijzigingen en verbeteringen de dag na hun publicatie in werking.
§ 8. In Staten, waar de verplichting bepaalde tarieven te publiceren en deze jegens een ieder onder dezelfde voorwaarden toe te passen niet bestaat, zijn de bepalingen van dit artikel, voor zover zij een dergelijke verplichting bevatten, niet van toepassing.
§ 9. De spoorweg mag naast de vervoerprijs en de bijkomende kosten van de tarieven slechts de door hem gedane uitgaven in rekening brengen. Deze uitgaven moeten behoorlijk vastgesteld en, met het nodige bewijs, afzonderlijk op de vrachtbrief vermeld worden. Indien dit bewijs door bij de vrachtbrief gevoegde stukken wordt geleverd en de betaling van de betreffende uitgaven ten laste van de afzender komt, worden die stukken niet met de vrachtbrief aan de geadresseerde, doch met de in artikel 15, § 7, bedoelde kostennota aan de afzender afgegeven.
Artikel 7 Rekeneenheid. Omrekenings- of aannemingskoers.
§ 1. De in de Uniforme Regelen bedoelde rekeneenheid is het Bijzondere Trekkingsrecht, zoals dit is omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een Staat, die lid is van het Internationaal Monetair Fonds, wordt overeenkomstig de door dit Fonds voor zijn eigen verrichtingen en transacties toegepaste waarderingsmethode berekend.
§ 2. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een Staat, die geen lid is van het Internationaal Monetair Fonds, wordt op de door die Staat bepaalde wijze berekend.
Deze berekening moet in de nationale munteenheid en reële waarde uitdrukken, die de uit de toepassing van § 1 voortvloeiende waarde zo veel mogelijk benadert.
§ 3. Voor een Staat, die geen lid is van het Internationaal Monetair Fonds en waarvan de wetgeving de toepassing van § 1 of § 2 niet toestaat, wordt de in de Uniforme Regelen bedoelde rekeneenheid beschouwd als gelijk aan drie goudfranken.
De goudfrank wordt door 10/31 gram goud met een gehalte van 0,900 bepaald.
De omrekening van de goudfrank moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken, die de uit de toepassing van § 1 voortvloeiende waarde zo veel mogelijk benadert.
§ 4. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag en telkens wanneer in hun berekeningsmethode of in de waarde van hun nationale munteenheid in verhouding tot de rekeneenheid een wijziging optreedt, delen de Staten hun berekeningsmethode volgens § 2 of het resultaat van de omrekening volgens § 3 aan het Centraal Bureau mee.
Het Centraal Bureau geeft van deze mededelingen aan de Staten kennis.
§ 5. De spoorweg moet de koersen publiceren, waartegen:
a) hij de in buitenlandse munteenheden uitgedrukte, in binnenlandse betaalmiddelen te betalen bedragen omrekent (omrekeningskoers);
b) hij buitenlandse betaalmiddelen in betaling aanneemt (aannemingskoers).
Artikel 8 Bijzondere bepalingen voor bepaalde vervoeren.
§ 1. Voor het vervoer van wagens van particulieren bevat het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van wagens van particulieren (RIP), Bijlage II bij de Uniforme Regelen, bijzondere bepalingen.
§ 2. Voor het vervoer van containers bevat het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van containers (RICo), Bijlage III bij de Uniforme Regelen, bijzondere bepalingen.
§ 3. Voor het vervoer van expresgoederen kunnen de spoorwegen in tarieven bijzondere bepalingen volgens het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van expresgoederen (RIEx), Bijlage IV bij de Uniforme Regelen, overeenkomen.
§ 4. Twee of meer Staten kunnen in overeenkomsten, of twee of meer spoorwegen kunnen in bijkomende bepalingen of tarieven, van de Uniforme Regelen afwijkende voorwaarden overeenkomen voor het vervoer van:
a) zendingen met een verhandelbaar vervoerdocument,
b) zendingen, die slechts tegen afgifte van het duplicaat van de vrachtbrief mogen worden afgeleverd,
c) zendingen kranten,
d) zendingen, die voor jaarbeurzen of tentoonstellingen zijn bestemd,
e) zendingen ladingsmiddelen en middelen ter bescherming van vervoerde goederen tegen warmte en koude,
f) zendingen, die op het gehele of een deel van het traject met een niet als document voor vrachtberekening en facturering dienende vrachtbrief worden vervoerd,
g) zendingen, die met een document voor automatische data-transmissie worden vervoerd.
Artikel 9 Bijkomende bepalingen.
§ 1. Twee of meer Staten of twee of meer spoorwegen kunnen voor de uitvoering van de Uniforme Regelen bijkomende bepalingen vaststellen. Deze mogen slechts van de Uniforme Regelen afwijken, indien deze zulks uitdrukkelijk bepalen.
§ 2. De bijkomende bepalingen worden gepubliceerd en treden in werking op de bij de wetten en reglementen van elke Staat bepaalde wijze. De bijkomende bepalingen en hun inwerkingtreding worden aan het Centraal Bureau meegedeeld.
Artikel 10 Nationaal Recht.
§ 1. Bij gebreke van bepalingen in de Uniforme Regelen, in de bijkomende bepalingen en in de internationale tarieven geldt het nationale recht.
§ 2. Onder nationaal recht wordt verstaan het recht van de Staat, waar de rechthebbende zijn rechten doet gelden, de conflictenregels daaronder begrepen.
Titel 2. SLUITING EN UITVOERING VAN DE VERVOEROVEREENKOMST
Artikel 11 <V 1980-05-09/33, Art. M9, 002; En vigueur : 01-01-1991> Sluiting van de vervoerovereenkomst.
§ 1. De vervoerovereenkomst is gesloten zodra de spoorweg van afzending het goed met de vrachtbrief ten vervoer heeft aangenomen. De aanneming wordt vastgesteld door op de vrachtbrief en eventueel op elk aanvullingsblad de stempel van het station van afzending of een aanduiding door de boekhoudmachine met datumvermelding af te drukken.
§ 2. De behandeling volgens § 1 moet geschieden onmiddellijk na de aanbieding ten vervoer van alle goederen, waarop de vrachtbrief betrekking heeft, en, voor zover de voor het station van afzending geldende voorschriften zulks bepalen, de betaling van de kosten, die de afzender voor zijn rekening neemt, of van een waarborgsom volgens artikel 15, § 7.
§ 3. De van de stempel of de aanduiding door de boekhoudmachine voorziene vrachtbrief dient als bewijs van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst.
§ 4. Met betrekking tot goederen die volgens de tarieven of een voor het station van afzending toegelaten overeenkomst tussen de afzender en de spoorweg door de afzender moeten worden geladen, dienen de gegevens op de vrachtbrief betreffende de massa van het goed of het aantal colli evenwel slechts als bewijs tegen de spoorweg, indien deze de massa of het aantal heeft gecontroleerd en zulks op de vrachtbrief heeft vermeld. Deze gegevens kunnen eventueel met andere middelen worden bewezen.
De gegevens op de vrachtbrief betreffende de massa of het aantal dienen niet als bewijs tegen de spoorweg, indien een verschil met deze gegevens kennelijk niet op een feitelijk verlies berust. Dit is met name het geval indien de wagen met ongeschonden originele versluiting aan de geadresseerde is overgegeven.
§ 5. De spoorweg moet de overname van het goed en de dag van aanneming ten vervoer door het afdrukken van de datumstempel of een aanduiding door de boekhoudmachine op de duplikaat-vrachtbrief bevestigen voordat hij deze aan de afzender teruggeeft.
Dit duplikaat heeft niet de waarde van de het goed begeleidende vrachtbrief of van een cognossement.
Artikel 12 <V 1980-05-09/33, Art. M10, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vrachtbrief.
§ 1. De afzender moet een naar behoren ingevulde vrachtbrief aanbieden.
Voor elke zending moet een vrachtbrief worden opgemaakt. Een vrachtbrief mag slechts de lading van één wagen betreffen. De bijkomende bepalingen mogen van deze regelen afwijken.
§ 2. De spoorwegen stellen het uniforme model van de vrachtbrief vast; deze moet een duplikaat voor de afzender omvatten.
Voor bepaalde transporten, met name tussen aangrenzende landen, kunnen de spoorwegen in de tarieven het gebruik van een vereenvoudigd model van vrachtbrief voorschrijven.
Voor bepaalde transporten met landen die niet aan dit verdrag deelnemen, kunnen de tarieven voorzien in de mogelijkheid om een beroep te doen op een bijzondere procedure.
§ 3. De vrachtbrief moet worden gedrukt in twee of eventueel drie talen, waarvan ten minste één een werktaal van de Organisatie moet zijn.
De internationale tarieven kunnen bepalen in welke taal de door de afzender op de vrachtbrief te vermelden gegevens moeten worden gesteld. Bij gebreke daarvan moeten de gegevens in één van de officiële talen van de Staat van vertrek worden gesteld en moet een vertaling in één van de werktalen van de Organisatie worden bijgevoegd, tenzij de gegevens in één van deze talen zijn gesteld.
De door de afzender op de vrachtbrief vermelde gegevens moeten in latijnse lettertekens worden gesteld, behoudens in de bijkomende bepalingen of de internationale tarieven bepaalde afwijkingen.
Artikel 13 Inhoud van de vrachtbrief.
§ 1. De vrachtbrief moet in elk geval bevatten:
a) het station van bestemming;
b) de naam en het adres van de geadresseerde;
als zodanig mag slechts één natuurlijk of rechtspersoon worden vermeld;
c) de omschrijving van het goed;
d) de massa of, bij gebreke daarvan, een soortgelijke aanduiding volgens de voor het station van afzending geldende voorschriften;
e) het aantal colli en een beschrijving van de verpakking, voor stukgoederen en voor uit één of meer delen bestaande wagenladingen, die in spoor/zeevervoer moeten worden overgeladen;
f) het nummer van de wagen en bovendien voor wagens van particulieren het tarra, voor goederen, die door de afzender moeten worden geladen;
g) de nauwkeurige beschrijving van de door de douane of andere overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden, die bij de vrachtbrief zijn gevoegd of waarvan de vrachtbrief vermeldt, dat zij in een bepaald station of kantoor van de douane of andere overheidsinstantie ter beschikking van de spoorweg zijn;
h) de naam en het adres van de afzender; als zodanig mag slechts één natuurlijk of rechtspersoon worden vermeld; indien de voor het station van afzending geldende voorschriften zulks bepalen, moet de afzender ook een geschreven, gedrukte of gestempelde handtekening plaatsen.
De voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen de begrippen "wagenlading" en "stukgoed" voor het gehele traject.
§ 2. De vrachtbrief moet zonodig alle andere in de Uniforme regelen bedoelde gegevens bevatten. De vrachtbrief mag slechts andere gegevens bevatten, indien deze door de wetten of reglementen van een Staat, de bijkomende bepalingen of de tarieven zijn voorgeschreven of toegelaten en niet met Uniforme Regelen in strijd zijn.
§ 3. De afzender mag evenwel in de daartoe bestemde ruimte van de vrachtbrief voor de geadresseerde bestemde inlichtingen betreffende de zending opnemen, zonder dat daaruit enige verplichting of aansprakelijkheid voor de spoorweg ontstaat.
§ 4. Het is verboden de vrachtbrief door andere documenten te vervangen of daarbij andere dan de door de Uniforme Regelen, de bijkomende bepalingen of de tarieven voorgeschreven of toegelaten bescheiden te voegen.
Artikel 14 <V 1980-05-09/33, Art. M11, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vervoersroute en toe te passen tarieven.
§ 1. De afzender mag in de vrachtbrief de te volgen vervoersroute voorschrijven door vermelding van grenspunten of grensstations en eventueel overgangsstations tussen spoorwegen. Hij mag slechts voor het vervoer in de betreffende relatie geopende grenspunten of grensstations voorschrijven.
§ 2. Met een routevoorschrift worden gelijkgesteld :
a) de vermelding van stations, waar de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten moeten worden vervuld of waar bijzondere zorg aan het goed moet worden besteed (verzorging van dieren, bij-ijzing, enz.);
b) de vermelding van de toe te passen tarieven, indien deze voldoende is voor de vaststelling van de stations waartussen de verlangde tarieven moeten worden toegepast;
c) de vermelding van betaling van alle of een deel van de kosten tot X (benoeming van het punt waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten).
§ 3. De spoorweg mag, behalve in de in artikel 3, §§ 4 en 5, en artikel 33, § 1, bedoelde gevallen, het vervoer slechts over een andere dan de door de afzender voorgeschreven route verrichten onder de dubbele voorwaarde :
a) dat de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten en de bijzondere aan het goed te besteden zorg steeds op de door de afzender vermelde stations geschieden;
b) dat de kosten en de leveringstermijnen niet groter zijn dan bij berekening over de door de afzender voorgeschreven route.
Letter a geldt niet voor stukgoed indien één der aan het vervoer deelnemende spoorwegen de door de afzender gekozen route niet kan toepassen wegens de uit zijn organisatie van het internationale stukgoedvervoer voortvloeiende routevoorschriften.
§ 4. Behoudens § 3 worden de kosten en de leveringstermijnen berekend volgens de door de afzender voorgeschreven route of, bij gebreke daarvan, de door de spoorweg gekozen route.
§ 5. De afzender mag in de vrachtbrief de toe te passen tarieven voorschrijven. De spoorweg moet deze tarieven toepassen indien aan de voorwaarden voor hun toepassing is voldaan.
§ 6. Indien de vermeldingen door de afzender niet voldoende zijn om de vervoersroute of de toe te passen tarieven vast te stellen of indien bepaalde vermeldingen met elkaar in strijd zijn, moet de spoorweg de route of de tarieven kiezen die hij voor de afzender het voordeligst acht.
§ 7. De spoorweg is slechts in geval van opzet of grove schuld aansprakelijk voor schade als gevolg van de overeenkomstig § 6 gedane keuze.
Artikel 15 Betaling van de kosten.
§ 1. De kosten (vervoerprijs, bijkomende kosten, douanerechten en andere kosten, die vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering ontstaan) worden volgens de navolgende bepalingen door de afzender of door de geadresseerde betaald.
Voor de toepassing van deze bepalingen worden de rechten, die volgens het toe te passen tarief bij de berekening van de vervoerprijs moeten worden opgeteld bij de prijzen van de normale tarieven of van de uitzonderingstarieven, als vervoerprijs beschouwd.
§ 2. De afzender, die alle of een deel van de kosten voor zijn rekening neemt, moet dit op de vrachtbrief vermelden met gebruikmaking van één der volgende aanduidingen:
a)
1° "franco vracht", indien hij uitsluitend de vervoerprijs voor zijn rekening neemt;
2° "franco vracht inclusief...", indien hij behalve de vervoerprijs nog andere kosten voor zijn rekening neemt; hij moet deze kosten nauwkeurig vermelden; de toevoegingen, die slechts betrekking mogen hebben op bijkomende kosten of andere kosten, die vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering ontstaan, en op door de douane of andere overheidsinstanties te innen bedragen, mogen niet een splitsing van het totale bedrag van dezelfde soort kosten tot gevolg hebben (B.V. het totale bedrag van de douanerechten en andere aan de douane te betalen bedragen, waarbij de belasting over de toegevoegde waarde als een afzonderlijke kostensoort wordt beschouwd);
3° "franco vracht tot X" (benoeming van het punt, waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten), indien hij de vervoerprijs tot X voor zijn rekening neemt;
4° "franco vracht inclusief... tot X" (benoeming van het punt, waar de tarieven van aangrenzende landen op elkaar aansluiten), indien hij behalve de vervoerprijs tot X nog andere kosten met uitsluiting van die betreffende het aangrenzende land of de aansluitende spoorweg voor zijn rekening neemt; het onder 2 bepaalde is van overeenkomstige toepassing;
b) "franco alle kosten", indien hij alle kosten (vervoerprijs, bijkomende kosten, douanerechten en andere kosten) voor zijn rekening neemt;
c) "franco voor...", indien hij een bepaald bedrag voor zijn rekening neemt; behoudens afwijkingen in de tarieven, moet dit bedrag in de munteenheid van het land van vertrek worden uitgedrukt.
De bijkomende en andere kosten, die volgens de voor het station van afzending geldende voorschriften voor het gehele betrokken traject moeten worden berekend en de in artikel 16, § 2, bedoelde vergoeding voor het bedrag bij de aflevering worden in geval van betaling volgens a, 4°, altijd geheel door de afzender betaald.
§ 3. De internationale tarieven kunnen ter zake van de betaling van de kosten het uitsluitend gebruik van bepaalde in § 2 genoemd aanduidingen of van andere aanduidingen voorschrijven.
§ 4. De door de afzender niet voor zijn rekening genomen kosten worden geacht ten laste van de geadresseerde te zijn gebracht. De kosten zijn evenwel steeds ten laste van de afzender, indien de geadresseerde noch de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, noch zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden, noch de vervoerovereenkomst volgens § 31 heeft gewijzigd.
§ 5. De bijkomende kosten, zoals staangeld, liggeld en weegloon, waarvan de heffing het gevolg is van een aan de geadresseerde toe te rekenen feit of van een verzoek van de geadresseerde, worden altijd door hem betaald.
§ 6. De spoorweg van afzending kan van de afzender vooruitbetaling van de kosten verlangen, indien het goederen betreft, die naar zijn oordeel aan spoedig bederf onderhevig zijn of die hem wegens hun geringe waarde of hun aard niet voldoende zekerheid voor betaling van de kosten bieden.
§ 7. Indien het bedrag van de door de afzender voor zijn rekening genomen kosten op het tijdstip van de aanbieding ten vervoer niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden deze kosten opgenomen in een frankeringsnota, die uiterlijk dertig dagen na afloop van de leveringstermijn met de afzender moet worden verrekend. De spoorweg kan tegen kwitantie de betaling van een de kosten ongeveer dekkende waarborgsom verlangen. Een volgens de gegevens van de frankeringsnota gespecificeerde kostennota wordt tegen teruggave van de kwitantie aan de afzender afgegeven.
§ 8. Het station van afzending moet op de vrachtbrief en het duplicaat de als gefrankeerd ontvangen kosten specificeren, tenzij de voor dit station geldende voorschriften bepalen, dat deze kosten slechts op het duplicaat moeten worden gespecifieerd. In het in § 7 bedoelde geval behoeven deze kosten niet op de vrachtenbrief of het duplicaat te worden gespecificeerd.
Artikel 16 Belang bij de aflevering.
§ 1. Voor elke zending kan het belang bij de aflevering worden aangegeven. Het bedrag daarvan moet in cijfers op de vrachtbrief worden vermeld en in de munteenheid van het land van vertrek, in een andere in de tarieven bepaalde munteenheid of in de rekeneenheid worden uitgedrukt.
§ 2. De vergoeding voor de aangifte van het belang bij de aflevering wordt voor het gehele betreffende traject volgens de tarieven van de spoorweg van afzending berekend.
Artikel 17 Remboursement en voorschot.
§ 1. De afzender mag bij de aanneming ten vervoer op het station van afzending het goed met een remboursement tot ten hoogste de waarde daarvan belasten. Het bedrag daarvan moet in de munteenheid van het land van vertrek worden uitgedrukt; de tarieven kunnen uitzonderingen bepalen.
§ 2. De spoorweg is slechts tot uitbetaling van het remboursement verplicht, indien het bedrag daarvan door de geadresseerde is betaald. Dit bedrag moet binnen dertig dagen na deze betaling ter beschikking worden gesteld; na afloop van deze termijn is een rente van vijf procent 's jaars verschuldigd.
§ 3. Indien het goed geheel of gedeeltelijk aan de geadresseerde is afgeleverd zonder voorafgaande inning van het remboursement moet de spoorweg aan de afzender de schade tot ten hoogste het bedrag van het remboursement vergoeden, behoudens zijn verhaal op de geadresseerde.
§ 4. Voor verzending onder remboursement wordt een in de tarieven vastgestelde vergoeding geheven; deze vergoeding is ook verschuldigd, indien het remboursement door een wijziging van de vervoerovereenkomst volgens artikel 30, § 1, wordt opgeheven of verlaagd.
§ 5. Voorschotten zijn slechts met toepassing van de voor het station van afzending geldende voorschriften toegelaten.
§ 6. Het bedrag van het remboursement of van het voorschot moet in cijfers op de vrachtbrief worden vermeld.
Artikel 18 Aansprakelijkheid voor de vermeldingen op de vrachtbrief.
De afzender is aansprakelijk voor de juistheid van de door hem op de vrachtbrief vermelde gegevens. Hij draagt alle gevolgen, die daaruit ontstaan dat deze gegevens onjuist, onnauwkeurig of onvolledig zijn of op een andere dan de daarvoor bestemde plaats vermeld zijn. Indien deze plaats onvoldoende ruimte biedt, moet de afzender aldaar verwijzen naar de plaats op de vrachtbrief, waar de vermelding wordt voortgezet.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 2°, geeft aan artikel 18 de volgende vorm : " Art. 18. De afzender is aansprakelijk voor de juistheid van de door hem op de vrachtbrief vermelde gegevens. Hij draagt alle gevolgen die voortvloeien uit het feit dat deze gegevens onjuist, onnauwkeurig of onvolledig zijn of op een andere dan de daarvoor bestemde plaats vermeld zijn. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 19 <V 1980-05-09/33, Art. M12, 002; En vigueur : 01-01-1991> Toestand, verpakking en merking van het goed.
§ 1. Indien de spoorweg een goed dat duidelijke tekenen van beschadiging vertoont ten vervoer aanneemt, kan hij verlangen dat de toestand van het goed op de vrachtbrief wordt vermeld.
§ 2. Indien het goed naar zijn aard een verpakking vereist, moet de afzender het zodanig verpakken dat het beschermd is tegen geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging tijdens het transport en dat het geen schade aan personen, materieel of andere goederen kan toebrengen.
Overigens moet de verpakking aan de voor het station van afzending geldende voorschriften voldoen.
§ 3. Indien de afzender § 2 niet in acht heeft genomen, kan de spoorweg het goed weigeren of verlangen dat de afzender op de vrachtbrief het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking door een nauwkeurige beschrijving daarvan erkent.
§ 4. De afzender is aansprakelijk voor alle gevolgen van het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking en moet met name de door de spoorweg daarvoor geleden schade vergoeden. Bij gebreke van vermelding op de vrachtbrief moet de spoorweg het ontbreken of de gebrekkige toestand van de verpakking bewijzen.
§ 5. De bijkomende bepalingen of de tarieven regelen het merken van de colli door de afzender.
Artikel 20 Aanbieding ten vervoer en lading van het goed.
§ 1. Voor de wijze van aanbieding ten vervoer van het goed gelden de voor het station van afzending geldende voorschriften.
§ 2. De voor het station van afzending geldende voorschriften bepalen, of de belading door de spoorweg of door de afzender geschiedt, tenzij de Uniforme Regelen anders bepalen of de vrachtbrief een bijzondere overeenkomst tussen de afzender en de spoorweg vermeldt.
De afzender moet bij het laden de toelaatbare belading in acht nemen. Indien de toelaatbare beladingen op de te gebruiken lijnen verschillen geldt de laagste voor het gehele traject. De bepalingen betreffende de in acht te nemen toelaatbare belading worden op dezelfde wijze als de tarieven gepubliceerd. De spoorweg geeft de afzender op diens verzoek de in acht te nemen toelaatbare belading op.
§ 3. De afzender is aansprakelijk voor alle gevolgen van een door hun verrichte gebrekkige belading en moet met name de door de spoorweg daarvoor geleden schade vergoeden. Op de betaling van de kosten wegens herstel van een gebrekkige belading is evenwel artikel 15 van toepassing. De spoorweg moet de gebrekkige belading bewijzen.
§ 4. De internationale tarieven bepalen, of de goederen in gesloten wagens, in open wagens, in open wagens met dekzeilen of in wagens met bijzondere voorzieningen moeten worden vervoerd, tenzij de Uniforme Regelen anders bepalen. Indien er geen internationale tarieven zijn of deze geen bepalingen daarvoor bevatten, zijn de voor het station van afzending geldende voorschriften van toepassing voor het gehele traject.
§ 5. De voor het station van afzending geldende voorschriften regelen de versluiting van de wagens.
De afzender moet op de vrachtbrief het aantal en de kenmerken van de door hem op de wagens aangebrachte versluitingen vermelden.
Artikel 21 Onderzoek. § 1. De spoorweg heeft steeds het recht te onderzoeken, of de zending aan de op de vrachtbrief door de afzender vermelde gegevens beantwoordt en of de bepalingen betreffende het vervoer van voorwaardelijk toegelaten goederen in acht zijn genomen.
§ 2. Indien de inhoud van de zending wordt onderzocht, moet naar gelang het onderzoek op het station van afzending of op het station van bestemming geschiedt, de afzender of de geadresseerde worden uitgenorigd daarbij tegenwoordig te zijn. Indien de belanghebbende niet verschijnt of het onderzoek onderweg geschiedt, moet bij gebreke van andere bepalingen in de wetten en reglementen van de Staat waar het onderzoek geschiedt, dit in tegenwoordigheid van twee niet tot de spoorweg behorende getuigen geschieden. De spoorweg mag echter de inhoud van de zending slechts onderweg onderzoeken, indien zulks op grond van de dienstuitvoering of van de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties noodzakelijk is.
§ 3. Het resultaat van het onderzoek moet op de vrachtbrief worden vermeld. Indien het onderzoek op het station van afzending geschiedt, moet het resultaat ook worden vermeld op de duplicaat-vrachtbrief, indien deze zich bij de spoorweg bevindt.
Indien de zending niet aan de op de vrachtbrief vermelde gegevens beantwoordt of de bepalingen betreffende het vervoer van voorwaardelijk toegelaten goederen niet in acht zijn genomen, komen de kosten van het onderzoek, tenzij deze terstond worden betaald, ten laste van het goed.
Artikel 22 Vaststelling van massa en aantal van de colli.
§ 1. De in elke Staat geldende voorschriften bepalen, onder welke voorwaarden de spoorweg de massa van het goed of het aantal colli en het werkelijke tarra van de wagens moet vaststellen.
De spoorweg moet het resultaat van deze vaststellingen op de vrachtbrief vermelden.
§ 2. Indien uit een weging door de spoorweg na afsluiting van de vervoerovereenkomst een verschil blijkt, blijft de door het station van afzending vastgestelde of, bij gebreke daarvan, de door de afzender aangegeven massa voor de berekening van de vervoerprijs bepalend:
a) indien het verschil kennelijk een gevolg is van de aard van het goed of atmosferische invloeden of
b) indien deze weging op een weegbrug is verricht en het verschil niet groter is dan twee procent van de door het station van afzending vastgestelde of, bij gebreke daarvan, de door de afzender aangegeven massa.
Artikel 23 Overbelasting.
§ 1. Indien door het station van afzending of een tussenstation overbelasting bij een wagen is vastgesteld, kan het teveel geladene uit de wagen worden verwijderd, ook als geen boete verschuldigd is. In voorkomend geval wordt de afzender of, in geval van wijziging van de vervoerovereenkomst volgens artikel 31, de geadresseerde verzocht onverwijld instructies, betreffende het teveel geladene te geven.
§ 2. Onverminderd de verplichting tot betaling van de in artikel 24 bedoelde boeten, wordt het teveel geladene voor het afgelegde traject berekend volgens de op de hoofdlading toegepaste vervoerprijs. De kosten van lossing van het teveel geladene worden berekend volgens de tarieven van de spoorweg, die de lossing verricht.
Indien de rechthebbende voorschrift, dat het teveel geladene naar het station van bestemming van de hoofdlading, naar een ander station van bestemming of naar het station van afzending moet worden vervoerd, wordt het als een afzonderlijke zending behandeld.
Artikel 24 <V 1980-05-09/33, Art. M13, 002; En vigueur : 01-01-1991> Boeten.
§ 1. Onverminderd de verplichting tot betaling van het verschil in vervoerprijs en van de vergoeding van een eventuele schade, kan de spoorweg heffen :
a) een boete van één rekeneenheid per kilogram-bruto-massa van het gehele collo :
1° bij onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van volgens het RID van het vervoer uitgesloten stoffen en voorwerpen;
2° bij onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van volgens het RID voorwaardelijk ten vervoer toegelaten stoffen en voorwerpen of bij niet-inachtneming van de voorwaarden.
De bijkomende bepalingen kunnen andere berekeningswijzen voor de boete voorschrijven, in het bijzonder een forfaitaire boete voor ledige P-wagens;
b) een boete van 5 rekeneenheden per 100 kilogram-massa die de toelaatbare belading overschrijdt, indien de wagen door de afzender is beladen.
§ 2. De boeten komen ten laste van het goed, ongeacht waar de feiten die hun heffing rechtvaardigen, zijn vastgesteld.
§ 3. Het bedrag van de boeten en de grond voor hun heffing moeten op de vrachtbrief worden vermeld.
§ 4. De bijkomende bepalingen omschrijven nauwkeurig de gevallen waarin geen boete kan worden geheven.
Artikel 25 Bescheiden voor de administratieve formaliteiten. Douane-versluiting.
§ 1. De afzender moet bij de vrachtbrief de bescheiden voegen, die nodig zijn voor de vervulling, voor de aflevering van het goed, van de door de douane en andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten. Deze bescheiden mogen niet meer dan in één vrachtbrief vermelde goederen betreffen, tenzij de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties of de tarieven anders bepalen.
Indien deze bescheiden niet bij de vrachtbrief zijn gevoegd of indien zij door de geadresseerde moeten worden verstrekt, moet de afzender echter op de vrachtbrief het station of het kantoor van de douane of een andere instantie, waar deze bescheiden ter beschikking van de spoorweg zullen zijn en waar de formaliteiten moeten worden vervuld, vermelden. Indien de afzender zelf of zijn gemachtigde bij de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten tegenwoordig is, is het voldoende dat deze bescheiden bij de vervulling van de formaliteiten worden overgelegd.
§ 2. De spoorweg is niet verplicht te onderzoeken, of de bijgevoegde bescheiden volledig en juist zijn.
§ 3. De afzender is jegens de spoorweg aansprakelijk voor elke schade als gevolg van het ontbreken, de onvolledigheid of de onjuistheid van de bescheiden, behoudens in geval van schuld van de spoorweg.
De spoorweg is in geval van schuld aansprakelijk voor de gevolgen van verlies of van niet- of onjuist gebruik van de in de vrachtbrief vermelde en daarbij gevoegde of aan hem ter beschikking gestelde bescheiden; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 4. De afzender moet de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties betreffende de verpakking en afdekking van de goederen in acht nemen. Indien de afzender de goederen niet overeenkomstig deze voorschriften heeft verpakt of afgedekt, kan de spoorweg daarin voorzien; de ontstane kosten komen ten laste van het goed.
§ 5. De spoorweg kan zendingen, waarvan de door de douane of andere overheidsinstanties aangebrachte versluiting beschadigd of gebrekkig is, weigeren.
Artikel 26 Vervulling van de administratieve formaliteiten.
§ 1. Onderweg worden de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten door de spoorweg vervuld. Deze kan daartoe evenwel een ander machtigen.
§ 2. Bij de vervulling van deze formaliteiten is de spoorweg aansprakelijk in geval van eigen schuld of die van zijn gemachtigde; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 3. De afzender kan door een vermelding op de vrachtbrief of de geadresseerde door een opdracht volgens artikel 31 verzoeken:
a) dat hijzelf of zijn gemachtigde bij deze formaliteiten tegenwoordig is om alle inlichtingen te verstrekken en alle ter zake dienende opmerkingen te maken;
b) dat hijzelf of zijn gemachtigde deze formaliteiten vervult, voor zover de wetten en reglementen van de Staat, waar deze formaliteiten plaatsvinden, zulks toelaten;
c) dat hij, indien hijzelf of zijn gemachtigde bij deze formaliteiten tegenwoordig is of deze vervult, de douanerechten en andere kosten betaalt, voor zover de wetten en reglementen van de Staat, waar deze formaliteiten plaatsvinden, zulks toelaten.
Noch de afzender, noch de beschikkingsgerechtigde geadresseerde, noch hun gemachtigde mogen het goed in bezit nemen.
§ 4. Indien de afzender voor de vervulling van de formaliteiten een station heeft aangewezen, waar zulks wegens de geldende voorschriften niet mogelijk is, of indien hij daarvoor een procedure heeft voorgeschreven, die niet kan worden uitgevoerd, handelt de spoorweg op de wijze, die hij voor de rechthebbende het gunstigst acht, en deelt hij aan de afzender de genomen maatregelen mee.
Indien de afzender op de vrachtbrief een frankering inclusief de douanerechten heeft vermeld, van de spoorweg de douaneformaliteiten naar zijn keuze onderweg of op het station van bestemming vervullen.
§ 5. Behoudens de in § 4, tweede alinea, genoemde uitzondering, mag de geadresseerde de douaneformaliteiten op het station van bestemming, waar een douanekantoor is gevestigd, vervullen, indien op de vrachtbrief de vrijmaking bij aankomst wordt verzocht of, bij gebreke van dit verzoek, het goed onder douaneversluiting aankomt. De geadresseerde mag deze formaliteiten eveneens op het station van bestemming, waar geen douanekantoor gevestigd is, vervullen, indien de wetten en reglementen van de Staat zulks toelaten of met voorafgaande machtiging van de spoorweg en de douane. Deze rechten kunnen slechts worden uitgeoefend na betaling van de op het goed drukkende kosten.
De spoorweg kan evenwel volgens § 4, handelen, indien de geadresseerde de vrachtbrief niet binnen de door de voor het station van bestemming geldende voorschriften bepaalde termijn in ontvangst heeft genomen.
Artikel 27 <V 1980-05-09/33, Art. M14, 002; En vigueur : 01-01-1991> Leveringstermijnen.
§ 1. De leveringstermijnen worden door overeenkomsten tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen of door de vanaf het station van afzending tot het station van bestemming geldende internationale tarieven bepaald. Voor bepaalde bijzondere vervoeren en in bepaalde relaties kunnen deze termijnen ook op grond van tussen de betrokken spoorwegen geldende vervoersplannen worden vastgesteld. In dit geval moeten zij zijn opgenomen in internationale tarieven of bijzondere overeenkomsten, die van de §§ 3 tot en met 9 mogen afwijken.
Al deze termijnen mogen niet langer zijn dan die welke uit de volgende paragrafen voortvloeien.
§ 2. Bij gebreke van leveringstermijnen volgens § 1 zijn, behoudens het in de volgende paragrafen bepaalde, de maximum leveringstermijnen :
a) voor wagenladingen :
termijn voor de verzending : 12 uur;
termijn voor het vervoer per 400 km of gedeelte daarvan : 24 uur;
b) voor stukgoed :
termijn voor de verzending : 24 uur;
termijn voor het vervoer per 200 km of gedeelte daarvan : 24 uur.
Alle afstanden hebben betrekking op tariefkilometers.
§ 3. De termijn voor de verzending wordt, ongeacht het aantal gebruikte spoorwegnetten, slechts éénmaal berekend. De termijn voor het vervoer wordt over de hele afstand tussen het station van afzending en het station van bestemming berekend.
§ 4. De spoorweg kan toeslagtermijnen van een bepaalde duur vaststellen in de volgende gevallen :
a) zendingen die buiten de stations ten vervoer worden aangeboden of afgeleverd;
b) zendingen die worden vervoerd over :
1° lijnen met verschillende spoorbreedte;
2° de zee of bevaarbare binnenwateren;
3° de weg indien er geen spoorverbinding is;
c) zendingen, waarvoor verlaagde prijzen volgens nationale bijzondere of uitzonderingstarieven gelden;
d) een ongewone vervoerstoename of ongewone moeilijkheden voor de dienstuitvoering als gevolg van buitengewone omstandigheden.
§ 5. De in § 4, a tot en met c, bedoelde toeslagtermijnen moeten in de tarieven of de in elke Staat naar behoren gepubliceerde voorschriften zijn opgenomen.
De in § 4, d, bedoelde toeslagtermijnen moeten worden gepubliceerd en kunnen niet vóór hun publicatie in werking treden.
§ 6. De leveringstermijn begint des middernachts na de aanneming ten vervoer van het goed.
§ 7. Behoudens schuld van de spoorweg wordt de leveringstermijn verlengd met de duur van een oponthoud als gevolg van :
a) onderzoek volgens de artikelen 21 en 22, § 1, waarbij afwijkingen van de op de vrachtbrief vermelde gegevens worden vastgesteld;
b) vervulling van de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten;
c) wijziging van de vervoerovereenkomst volgens de artikelen 30 en 31;
d) aan het goed te besteden bijzondere zorg;
e) overlading of beladingsherstel wegens gebrekkige belading door de afzender;
f) elke verkeersstremming, waardoor het begin of de voortzetting van het vervoer tijdelijk wordt verhinderd.
De oorzaak en de duur van deze verlengingen moeten op de vrachtbrief worden vermeld. Zij kunnen eventueel met andere middelen worden bewezen.
§ 8. De leveringstermijn wordt geschorst op zondagen en wettelijke feestdagen. De leveringstermijn wordt geschorst op zaterdagen, indien de in een Staat geldende voorschriften voor deze dagen een schorsing van die termijn in het nationaal spoorvervoer bepalen.
§ 9. Indien de leveringstermijn na sluitingstijd van het station van bestemming zou eindigen, wordt het einde daarvan tot twee uur na de eerstvolgende openstelling van het station opgeschort.
§ 10. De leveringstermijn is nagekomen indien vóór het einde daarvan :
a) van de aankomst van het goed kennis is gegeven en het goed ter beschikking van de geadresseerde staat, indien het zendingen betreft die op het station moeten worden afgeleverd en waarvan een kennisgeving van aankomst moet worden gezonden;
b) het goed ter beschikking van de geadresseerde staat, indien het zendingen betreft die op het station moeten worden afgeleverd en waarvan geen kennisgeving van aankomst behoeft te worden gezonden;
c) het goed ter beschikking van de geadresseerde is gesteld, indien het zendingen betreft die buiten het station moeten worden afgeleverd.
Artikel 28 Aflevering.
§ 1. De spoorweg moet op het station van bestemming, tegen kwijting en betaling van de ten laste van de geadresseerde gebrachte vorderingen van de spoorweg, aan de geadresseerde de vrachtbrief afgeven en het goed afleveren.
De aanneming van de vrachtbrief verplicht de geadresseerde het bedrag van de te zijnen laste gebrachte vorderingen aan de spoorweg te betalen.
§ 2. Met aflevering aan de geadresseerde worden, indien zulks volgens de voor het station van bestemming geldende voorschriften geschiedt, gelijk gesteld:
a) De afgifte van het goed aan de douane- of belastinginstanties in hun niet door de spoorweg beheerde expeditie- en opslagruimten;
b) De inbewaarneming van het goed door de spoorweg of de inbewaargeving daarvan aan een expediteur of in een openbaar entrepôt.
§ 3. De voor het station van bestemming geldende voorschriften of de overeenkomsten met de geadresseerde bepalen, of de spoorweg het recht of de verplichting heeft het goed elders dan op het station van bestemming aan de geadresseerde af te geven, te weten op een particuliere spooraansluiting, aan zijn huis of in een depôt van de spoorweg.
Indien de spoorweg het goed op een spooraansluiting, aan huis of in een depôt afgeeft of doet afgeven, geldt het goed op het tijdstip van deze afgifte als afgeleverd. Behoudens afwijkende overeenkomst tussen de spoorweg en de gebruiker van een spooraansluiting, vallen de door de spoorweg voor rekening en onder leiding van deze gebruiker verrichte handelingen niet onder de vervoerovereenkomst.
§ 4. Na aankomst van het goed op het station van bestemming kan de geadresseerde de spoorweg verzoeken hem de vrachtbrief af te geven en het goed af te leveren.
Indien het verlies van het goed is vastgesteld of het goed niet binnen de in artikel 39, § 1, genoemde termijn is aangekomen, kan de geadresseerde op eigen naam zijn rechten uit de vervoerovereenkomst jegens de spoorweg doen gelden.
§ 5. De rechthebbende kan, zelfs na ontvangst van de vrachtbrief en betaling van de kosten, de aanneming van het goed weigeren, zolang een ter vaststelling van beweerde schade door hem verlangd onderzoek niet is geschied.
§ 6. Overigens gelden voor de wijze van aflevering van het goed de voor het station van aflevering geldende voorschriften.
Artikel 29 <V 1980-05-09/33, Art. M15, 002; En vigueur : 01-01-1991> Correctie van geïnde bedragen.
§ 1. In geval van onjuiste toepassing van het tarief of van vergissing bij de berekening of de inning van de kosten moet het te weinig geïnde bedrag bijbetaald en het te veel geïnde bedrag terugbetaald worden.
Het te weinig geïnde bedrag wordt alleen geheven en het te veel geïnde bedrag wordt alleen terugbetaald wanneer het groter is dan 8 rekeneenheden per vrachtbrief. De terugbetaling gebeurt ambtshalve.
§ 2. Het te weinig geïnde bedrag is aan de spoorweg verschuldigd door de afzender indien de vrachtbrief niet in ontvangst wordt genomen. Indien de geadresseerde de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen of de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, is de afzender tot de betaling van het te weinig geïnde bedrag slechts verplicht voor zover dit volgens het frankeringsvoorschrift van de vrachtbrief voor zijn rekening genomen kosten betreft. Het restantbedrag komt ten laste van de geadresseerde.
§ 3. Over de volgens dit artikel verschuldigde bedragen wordt een rente van vijf procent 's jaars berekend vanaf de dag van ontvangst van de aanmaning of van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de nodige bewijsstukken voor de definitieve regeling van de vordering aan de spoorweg overlegt, wordt geen rente berekend vanaf het einde van de gestelde termijn tot de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
Titel 3. WIJZIGING VAN DE VERVOEROVEREENKOMST
Artikel 30 <V 1980-05-09/33, Art. M16, 002; En vigueur : 01-01-1991> Wijziging door de afzender.
§ 1. De afzender kan, door nadere opdrachten, de vervoerovereenkomst wijzigen door voor te schrijven :
a) de teruggave van het goed op het station van afzending;
b) ophouding van het goed onderweg;
c) uitstel van de aflevering van het goed;
d) aflevering van het goed aan een ander persoon dan de op de vrachtbrief vermelde geadresseerde;
e) aflevering van het goed op een ander station dan het op de vrachtbrief vermelde station van bestemming;
f) terugzending van het goed naar het station van afzending;
g) belasting met een remboursement;
h) verhoging, verlaging of opheffing van een remboursement;
i) voor eigen rekening nemen van de kosten van een ongefrankeerde zending of verhoging van de volgens artikel 15, § 2, voor zijn rekening genomen kosten.
De tarieven van de spoorweg van afzending kunnen bepalen dat de onder g tot en met i bedoelde opdrachten niet zijn toegelaten.
De tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen geldende bijkomende bepalingen of internationale tarieven kunnen hiervoor niet-genoemde opdrachten toelaten.
In geen geval mogen de opdrachten een splitsing van de zending ten gevolge hebben.
§ 2. Deze opdrachten moeten worden gegeven door middel van een verklaring in een door de spoorweg voorgeschreven vorm.
Deze verklaring moet door de afzender ook worden overgenomen en ondertekend op de duplikaat-vrachtbrief, die aan de spoorweg moet worden overgelegd. De handtekening mag gedrukt zijn of vervangen worden door de stempel van de afzender.
Elke op een andere dan de voorgeschreven wijze gegeven opdracht is nietig.
§ 3. Indien de spoorweg een opdracht van de afzender uitvoert zonder overlegging van de duplikaat-vrachtbrief te verlangen, is hij voor de daaruit ontstane schade aansprakelijk jegens de geadresseerde, aan wie dit duplikaat is overgegeven; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 4. Het recht van de afzender tot wijziging van de vervoerovereenkomst vervalt, ook indien hij de duplikaat-vrachtbrief bezit, ingeval de geadresseerde :
a) de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen;
b) het goed heeft aangenomen;
c) zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden;
d) volgens artikel 31 bevoegd is opdrachten te geven en de zending in het douanegebied van het land van bestemming is aangekomen.
Vanaf dit tijdstip moet de spoorweg de opdrachten en aanwijzingen van de geadresseerde opvolgen.
Artikel 31 <V 1980-05-09/33, Art. M17, 002; En vigueur : 01-01-1991> Wijziging door de geadresseerde.
§ 1. Indien de afzender noch de het vervoer in het land van bestemming betreffende kosten voor zijn rekening heeft genomen, noch op de vrachtbrief " Geadresseerde niet beschikkingsbevoegd " heeft vermeld, kan de geadresseerde, door nadere opdrachten, de vervoerovereenkomst wijzigen door voor te schrijven :
a) ophouding van het goed onderweg;
b) uitstel van de aflevering van het goed;
c) aflevering van het goed in het land van bestemming aan een ander persoon dan de op de vrachtbrief vermelde geadresseerde;
d) aflevering van het goed in het land van bestemming op een ander station dan het op de vrachtbrief vermelde station van bestemming, behoudens afwijkende bepalingen in de internationale tarieven;
e) vervulling van de door de douane of andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten volgens artikel 26, § 3.
De tussen de aan het vervoer deelnemende spoorwegen geldende bijkomende bepalingen of internationale tarieven kunnen hiervoor niet genoemde opdrachten toelaten.
In geen geval mogen de opdrachten een splitsing van de zending ten gevolge hebben.
De opdrachten van de geadresseerde gelden eerst nadat de zending in het douanegebied van het land van bestemming is aangekomen.
§ 2. Deze opdrachten moeten worden gegeven door middel van een verklaring in een door de spoorweg voorgeschreven vorm.
Elke op een andere dan de voorgeschreven wijzen gegeven opdracht is nietig.
§ 3. Het recht van de geadresseerde tot wijziging van de vervoerovereenkomst vervalt ingeval hij :
a) de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen;
b) het goed heeft aangenomen;
c) zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden;
d) volgens § 1, c, een persoon heeft aangewezen en deze de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, de goederen heeft aangenomen of zijn rechten volgens artikel 28, § 4, heeft doen gelden.
§ 4. Indien de geadresseerde de aflevering van het goed aan een ander persoon heeft voorgeschreven, is deze niet bevoegd tot wijziging van de vervoerovereenkomst.
Artikel 32 Uitvoering van nadere opdrachten.
§ 1. De spoorweg mag de uitvoering van de volgens de artikelen 30 en 31 gegeven opdrachten slechts weigeren of uitstellen indien:
a) de uitvoering op het tijdstip, waarop de opdrachten het station dat deze moet uitvoeren bereiken, niet meer mogelijk is;
b) de uitvoering de regelmatige dienstuitvoering zou kunnen verstoren;
c) de uitvoering, bij wijziging van het station van bestemming, in strijd met de wetten en reglementen van een Staat, met name de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties;
d) de waarde van het goed, bij wijziging van het station van bestemming, naar het oordeel van de spoorweg niet alle bij aankomst op de nieuwe bestemming op het goed drukkende kosten zal dekken, tenzij deze kosten terstond worden betaald of de betaling daarvan wordt zekergesteld.
Degene, die de opdrachten heeft gegeven, wordt zo spoedig mogelijk van de belemmering in de uitvoering in kennis gesteld.
Indien de spoorweg deze belemmeringen niet kan voorzien, komen alle gevolgen van een begin van uitvoering voor rekening van degene, die de opdrachten heeft gegeven.
§ 2. De kosten als gevolg van de uitvoering van een opdracht moeten, met uitzondering van door schuld van de spoorweg ontstane kosten, volgens artikel 15 worden betaald.
§ 3. Behoudens § 1, is de spoorweg in geval van schuld aansprakelijk voor de gevolgen van het niet of gebrekkig uitvoeren van een opdracht; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
Artikel 33 <V 1980-05-09/33, Art. M18, 002; En vigueur : 01-01-1991> Belemmering in het vervoer.
§ 1. In geval van belemmering in het vervoer beslist de spoorweg of het de voorkeur verdient het goed ambtshalve met wijziging van de route verder te vervoeren, dan wel of het in het belang van de afzender is hem, met verstrekking van alle aan de spoorweg bekende ter zake dienende gegevens, instructies te vragen.
Behoudens in geval van schuld kan de spoorweg de voor de gebruikte route geldende vervoerprijs heffen en over de daarvoor geldende leveringstermijn beschikken.
§ 2. Indien de voortzetting van het vervoer niet mogelijk is, vraagt de spoorweg instructies aan de afzender. De spoorweg is daartoe niet verplicht in geval van tijdelijke belemmeringen als gevolg van in artikel 3, § 4, bedoelde maatregelen.
§ 3. De afzender kan in de vrachtbrief instructies geven voor het geval een belemmering in het vervoer zou optreden.
Indien de spoorweg meent dat deze instructies niet kunnen worden uitgevoerd, vraagt hij nieuwe.
§ 4. Wanneer de instructies van de afzender de aanduiding van de geadresseerde of het station van bestemming wijzigen, of wanneer zij worden gegeven aan het station waar de goederen zich bevinden, moet de afzender de instructies op de duplikaat-vrachtbrief vermelden en deze aan de spoorweg voorleggen.
§ 5. Indien de spoorweg de instructies van de afzender uitvoert zonder overlegging van het duplikaat te verlangen, is hij voor de daaruit ontstane schade aansprakelijk jegens de geadresseerde, aan wie dit duplikaat is overgegeven; een eventuele schadevergoeding kan evenwel nimmer hoger zijn dan bij verlies van het goed.
§ 6. Indien de van een belemmering in het vervoer in kennis gestelde afzender niet binnen een redelijke termijn uitvoerbare instructies geeft, handelt de spoorweg volgens de ter plaatse, waar het goed is opgehouden, geldende voorschriften betreffende belemmering in de aflevering.
Indien het goed is verkocht, moet de opbrengst, na aftrek van de op het goed drukkende kosten, ter beschikking van de afzender worden gehouden. Indien de opbrengst lager is dan deze kosten, moet de afzender het verschil betalen.
§ 7. Indien de belemmering in het vervoer ophoudt vóór de ontvangst van de instructies van de afzender, wordt het goed naar zijn bestemming vervoerd zonder de instructies af te wachten; de afzender wordt daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.
§ 8. Indien de belemmering in het vervoer optreedt nadat de geadresseerde de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, moet de spoorweg de geadresseerde in kennis stellen. De §§ 1, 2, 6, 7 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 9. Behoudens in geval van schuld kan de spoorweg bij belemmering in het vervoer staangeld heffen.
§ 10. Artikel 32 is van toepassing op volgens artikel 33 uitgevoerd vervoer.
Artikel 34 <V 1980-05-09/33, Art. M19, 002; En vigueur : 01-01-1991> Belemmering in de aflevering.
§ 1. In geval van belemmering in de aflevering van het goed moet de spoorweg de afzender onverwijld daarvan op de hoogte stellen om hem zijn instructies te vragen.
§ 2. Indien de belemmering in de aflevering ophoudt vóór de ontvangst van de instructies van de afzender op het station van bestemming, wordt het goed aan de geadresseerde afgeleverd. De afzender moet daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld.
§ 3. Indien de geadresseerde de aanneming van het goed weigert, mag de afzender, ook indien hij de duplikaat-vrachtbrief niet kan overleggen, instructies geven.
§ 4. De afzender kan door een vermelding op de vrachtbrief ook verlangen dat het goed hem ambtshalve wordt teruggezonden, indien een belemmering in de aflevering optreedt. Buiten dit geval is zijn uitdrukkelijke toestemming vereist.
§ 5. Behoudens het hiervoor bepaalde handelt de met de aflevering belaste spoorweg volgens de ter plaatse van de aflevering geldende voorschriften.
Indien het goed is verkocht, moet de opbrengst, na aftrek van de op het goed drukkende kosten, ter beschikking van de afzender worden gehouden. Indien de opbrengst lager is dan deze kosten, moet de afzender het verschil betalen.
§ 6. Indien de belemmering in de aflevering optreedt nadat de geadresseerde de vervoerovereenkomst volgens artikel 31 heeft gewijzigd, moet de spoorweg de geadresseerde in kennis stellen. De §§ 1, 2 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 7. Artikel 32 is van toepassing op volgens artike 34 uitgevoerd vervoer.
Titel 4. AANSPRAKELIJKHEID
Artikel 35 Collectieve aansprakelijkheid van de spoorwegen.
§ 1. De spoorweg, die het goed met de vrachtbrief ten vervoer heeft aangenomen, is aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele traject tot aan de aflevering.
§ 2. Elke opvolgende spoorweg treedt door het enkele feit, dat hij het goed met de vrachtbrief overneemt, tot de vervoerovereenkomst toe overeenkomstig de bepalingen van dit document en aanvaardt de daaruit voortvloeiende verplichtingen, onverminderd de bepalingen van artikel 55, § 3, betreffende de spoorweg van bestemming.
Artikel 36 Omvang van de aansprakelijkheid.
§ 1. De spoorweg is aansprakelijk voor de schade, die door geheel of gedeeltelijk verlies of door beschadiging van het goed vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering of door overschrijding van de leveringstermijn is ontstaan.
§ 2. De spoorweg is van deze aansprakelijkheid ontheven, indien het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn een gevolg is van schuld van de rechthebbende, eigen gebrek van het goed (inwending bederf, vermindering in massa, enz.) of omstandigheden die de spoorweg niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhelpen.
§ 3. De spoorweg is van deze aansprakelijkheid ontheven, indien het verlies of de beschadiging een gevolg is van de bijzondere risico's verbonden aan één of meer der volgende feiten:
a) Vervoer, dat krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg op een open wagen wordt verricht;
b) Ontbreken of gebrekkige toestand van de verpakking bij goederen, die naar hun aard aan verlies of beschadiging onderhevig zijn, indien zij niet of slecht zijn verpakt;
c) Belading door de afzender of lossing door de geadresseerde krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg of een overeenkomst tussen geadresseerde en spoorweg;
d) gebrekkige belading, indien de belading door de afzender is verricht krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg;
e) Vervulling van de door de douane od andere overheidsinstanties vereiste formaliteiten door de afzender, de geadresseerde of een gemachtigde van één hunner;
f) Aard van bepaalde goederen, die door aan deze aard verbonden oorzaken (met name: breuk, roest, spontaan inwending bederf, uitdroging en vermindering) aan geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging onderhevig zijn;
g) Onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige vermelding van van het vervoer uitgesloten of voorwaardelijk ten vervoer toegelaten voorwerpen of niet-inachtneming door de afzender van de voor voorwaardelijk toegelaten voorwerpen voorgeschreven voorzorgsmaatregelen;
h) Vervoer van levende dieren;
i) Vervoer, dat krachtens de toepasselijke bepalingen of een op de vrachtbrief vermelde overeenkomst tussen afzender en spoorweg onder begeleiding moet worden verricht, indien het verlies of de beschadiging het gevolg is van een door de begeleiding te vermijden gevaar.
Artikel 37 Bewijslast.
§ 1. Het bewijs, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn door één der in artikel 36, § 2, genoemde feiten is veroorzaakt, rust op de spoorweg.
§ 2. Indien de spoorweg bewijst dat het verlies of de beschadiging, gelet op de feitelijke omstandigheden, kan zijn ontstaan uit één of meer van de in artikel 36, § 3, genoemde bijzondere risico 's, wordt vermoed, dat de schade daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende heeft evenwel het recht te bewijzen, dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door één dezer gevaren is veroorzaakt.
Dit vermoeden geldt in het in artikel 36, 3, a, bedoelde geval niet bij een ongewoon groot verlies of bij verlies van colli.
Artikel 38 <V 1980-05-09/33, Art. M20, 002; En vigueur : 01-01-1991> Vermoeden bij doorzending.
§ 1. Indien een volgens de Uniforme regelen verzonden zending volgens dezelfde regelen wordt doorgezonden en na deze doorzending een gedeeltelijk verlies of een beschadiging wordt vastgesteld, wordt vermoed dat de schade tijdens de laatste vervoerovereenkomst is ontstaan, indien de zending onder toezicht van de spoorweg is gebleven en is doorgezonden in dezelfde toestand waarin hij in het station van doorzending is aangekomen.
§ 2. Dit vermoeden geldt ook indien op de aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomst de Uniforme regelen niet van toepassing waren, doch zij van toepassing zouden zijn geweest bij rechtstreekse verzending tussen het eerste station van afzending en het laatste station van bestemming.
Dit vermoeden geldt eveneens wanneer de vervoerovereenkomst die aan de herverzending voorafging, onderworpen was aan een ander vergelijkbaar internationaal verdrag over het rechtstreekse internationale spoorvervoer en dat verdrag eenzelfde rechtsvermoeden bevat ten voordele van zendingen die volgens de Uniforme regelen verzonden worden.
Artikel 39 Vermoeden van verlies van het goed.
§ 1. De rechthebbende kan zonder nadere bewijsvoering het goed als verloren beschouwen, indien het niet binnen dertig dagen na afloop van de leveringstermijn aan de geadresseerde is afgeleverd of te zijner beschikking is gesteld.
§ 2. De rechthebbende kan bij ontvangst van de schadevergoeding voor het verloren goed schriftelijk onmiddellijke kennisgeving verzoeken, indien het goed binnen een jaar na de betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden. De spoorweg bevestigt dit verzoek schriftelijk.
§ 3. Binnen dertig dagen na ontvangst van deze kennisgeving kan de rechthebbende verlangen, dat het goed hem op één der stations van het traject wordt afgeleverd. In dit geval moet hij de kosten voor het vervoer van het station van verzending tot het station van aflevering betalen en de ontvangen schadevergoeding onder aftrek van de daarin eventueel begrepen kosten, terugbetalen. Hij behoudt niettemin zijn in de artikelen 43 en 46 bedoelde rechten op schadevergoeding voor overschrijding van de leveringstermijn.
§ 4. Bij gebreke van een in § 2 bedoeld verzoek of van binnen de in § 3 bedoelde termijn gegeven instructies, of indien het goed meer dan een jaar na de betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden, beschikt de spoorweg daarover volgens de wetten en reglementen van de Staat, waartoe hij behoort.
Artikel 40 Schadevergoeding bij verlies.
§ 1. Bij geheel of gedeeltelijk verlies van het goed moet de spoorweg, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen, berekend volgens de beursprijs, bij gebreke daarvan volgens de marktprijs en bij gebreke van beide volgens de gebruikelijke waarden van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid op de dag waarop en de plaats waar het goed ten vervoer is aangenomen.
§ 2. De schadevergoeding kan, onder voorbehoud van de in artikel 45, bedoelde beperking, niet meer dan 17 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa bedragen.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 3°, geeft aan § 2 de volgende vorm : " § 2. De schadevergoeding kan niet meer dan 17 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa bedragen. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 3. De spoorweg moet bovendien de vervoerprijs, de douanerechten en de overige ter zake van het vervoer van het verloren goed betaalde bedragen terugbetalen.
§ 4. Indien bij de berekening van de schadevergoeding in buitenlandse munteenheden uitgedrukte bedragen moeten worden omgerekend, geschiedt zulks volgens de koers op de dag en de plaats van de betaling van de schadevergoeding.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 3°, schaft § 4 af. <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 41 <V 1980-05-09/33, Art. M21, 002; En vigueur : 01-01-1991> Aansprakelijkheid voor vermindering in massa.
§ 1. Met betrekking tot goederen die in het algemeen ingevolge hun aard tijdens het vervoer een vermindering in massa ondergaan, is de spoorweg, ongeacht de lengte van het afgelegde traject, slechts aansprakelijk voor het gedeelte van de vermindering dat meer bedraagt dan :
a) twee procent van de massa voor vloeibare of in vochtige toestand aangeboden goederen;
b) één procent van de massa voor droge goederen.
§ 2. Op de in § 1 bedoelde beperking van de aansprakelijkheid kan geen beroep worden gedaan indien wordt bewezen dat het verlies, gelet op de feitelijke omstandigheden, geen gevolg is van oorzaken, die de afwijking rechtvaardigen.
§ 3. Indien meer colli met één enkele vrachtbrief worden vervoerd, wordt de vermindering in massa berekend voor elk collo, waarvan de massa bij vertrek afzonderlijk op de vrachtbrief is vermeld of op andere wijze kan worden vastgesteld.
§ 4. Bij geheel verlies van het goed vindt voor de berekening van de schadevergoeding geen aftrek plaats wegens gewichtsvermindering tijdens het vervoer.
§ 5. Dit artikel laat de artikelen 36 en 37 onverlet.
Artikel 42 Schadevergoeding bij beschadiging.
§ 1. Bij beschadiging van het goed moet de spoorweg, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen tot een bedrag gelijk aan de waardevermindering van het goed. Dit bedrag wordt berekend door op de volgens artikel 40 bepaalde waarde van het goed het op de plaats van bestemming vastgestelde percentage van de waardevermindering toe te passen.
§ 2. De schadevergoeding kan niet meer bedragen dan:
a) Het bij geheel verlies te betalen bedrag, indien de gehele zending door de beschadiging in waarde is verminderd;
b) Het bij verlies van het in waarde verminderde gedeelte te betalen bedrag, indien slechts een gedeelte van de zending door de beschadiging in waarde is verminderd.
§ 3. De spoorweg moet bovendien de in artikel 40, § 3 bedoelde kosten in de in § 1 bepaalde verhouding terugbetalen.
Artikel 43 Schadevergoeding bij overschrijding van de leveringstermijn.
§ 1. Indien overschrijding van de leveringstermijn een schade, met inbegrip van een beschadiging, tot gevolg heeft, moet de spoorweg een schadevergoeding betalen, die niet meer dan het drievoud van de vervoerprijs kan bedragen.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 4°, geeft aan § 1 de volgende vorm : " § 1. Indien overschrijding van de leveringstermijn een schade, met inbegrip van een beschadiging, tot gevolg heeft, moet de spoorweg een schadevergoeding betalen die niet meer dan het viervoud van de vervoerprijs kan bedragen. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. Bij geheel verlies van het goed kan niet zowel de in § 1 bedoelde schadevergoeding als die van artikel 40 verschuldigd zijn.
§ 3. Bij gedeeltelijk verlies van het goed kan de in § 1 bedoelde schadevergoeding niet meer dan het drievoud van de vervoerprijs van het niet-verloren gedeelte van de zending bedragen.
§ 4. Bij niet als gevolg van overschrijding van de leveringstermijn ontstane beschadiging van het goed kan zowel de in § 1 bedoelde schadevergoeding als die van artikel 42 verschuldigd zijn.
§ 5. In geen geval kan de som van de in § 1 bedoelde schadevergoeding en die van de artikelen 40 en 42 hoger zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is bij geheel verlies van het goed.
§ 6. De spoorweg kan in internationale tarieven of bijzondere overeenkomsten andere dan de in § 1 bedoelde vergoedingsregelingen treffen voor de gevallen, waarin de leveringstermijn overeenkomstig artikel 27, § 1, op grond van vervoersplannen wordt vastgesteld.
Indien in dit geval de artikel 27, § 2, genoemde leveringstermijnen zijn overschreden, kan de rechthebbende hetzij de in § 1 bedoelde, hetzij de in het toegepaste internationale tarief of de toegepaste bijzondere overeenkomst vastgestelde schadevergoeding vragen.
Artikel 44 Schadevergoeding bij opzet of grove schuld.
Indien het verlies, de beschadiging of de overschrijving van de leveringstermijn of de niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de in de Uniforme Regelen bedoelde bijkomende verrichtingen van de spoorweg een gevolg zijn van opzet of grove schuld van de spoorweg, moet deze aan de rechthebbende de bewezen schade volledig vergoeden.
Bij grove schuld is de schadevergoeding evenwel beperkt tot het tweevoud van de in de artikelen 25, 26, 30, 32, 33, 40, 42, 43, 45 en 46 bedoelde maxima.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 5°, geeft aan artikel 44 de volgende vorm : Art. 44. Verlies van het recht om aansprakelijkheidsbeperkingen in te roepen.
De beperkingen van de aansprakelijkheid voorzien in de artikelen 25, 26, 30, 32, 33, 40, 42, 43, 45 en 46 zijn niet van toepassing indien het bewezen is dat de schade voortkomt uit een daad of een nalaten vanwege de spoorweg, ofwel met de bedoeling zulke schade te veroorzaken, ofwel begaan uit roekeloosheid en met het besef dat zulks schade vermoedelijk zal ontstaan. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 45 <V 1980-05-09/33, Art. M22, 002; En vigueur : 01-01-1991> Beperking van de schadevergoeding door bepaalde tarieven.
Indien de spoorweg door bijzondere of uitzonderingstarieven die een verlaging van de volgens de algemene tarieven berekende vervoerprijs bevatten, bijzondere vervoersvoorwaarden toestaat, kan hij de aan de rechthebbende verschuldigde schadevergoeding wegens overschrijding van de leveringstermijn beperken, voor zover een dergelijke beperking in het tarief bepaald is.
Indien deze bijzondere vervoersvoorwaarden slechts voor een deel van het traject gelden, kan op deze beperking slechts een beroep worden gedaan indien het aan de schadevergoeding ten grondslag liggende feit op dat deel heeft plaatsgevonden.
Artikel 46 Schadevergoeding bij belang bij de aflevering.
Indien het belang bij de aflevering is aangegeven, kan boven de in de artikelen 40, 42, 43 en 45 bedoelde schadevergoedingen vergoeding van de overige bewezen schade tot aan het aangegeven bedrag worden gevraagd.
Artikel 47 Rente over de schadevergoeding.
§ 1. De rechthebbende kan rente ten bedrage van vijf procent 's jaars over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
§ 2. De rente is slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 4 rekeneenheden per vrachtbrief.
§ 3. Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de spoorweg overlegt, loopt de rente niet tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
(NOTA. Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 6°, geeft aan artikel 47 de volgende vorm : " Art. 47. Omrekening en rente over de schadevergoeding.
§ 1. Indien de berekening van de schadevergoeding de omrekening van bedragen uitgedrukt in vreemde munteenheden vereist, wordt deze berekend volgens de koers op de dag en de plaats van uitbetaling van de schadevergoeding.
§ 2. De rechthebbende kan rente ten bedrage van vijf procent 's jaars over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van de in artikel 53 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van de vordering in rechte.
§ 3. De rente is slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 4 rekeneenheden per vrachtbrief.
§ 4. Indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de spoorweg overlegt, loopt de rente niet tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
Artikel 48 Aanspakelijkheid in spoor/zeevervoer.
§ 1. Voor spoor/zeevervoer met gebruikmaking van de in artikel 2, § 2, van het Verdrag bedoelde lijnen kan elke Staat, door een desbetreffende vermelding op de lijst van de aan de Uniforme Regelen onderworpen lijnen te doen opnemen, het geheel van de hierna genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid toevoegen aan de in artikel 36 genoemde gronden.
De vervoerder kan daarop slechts een beroep doen, indien hij bewijst, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn op het zeetraject is ontstaan, vanaf de verlading van het goed aan boord van het schip tot aan de lossing daarvan uit het schip.
Deze gronden tot uitsluiting van de aansprakelijkheid zijn de volgende:
a) handelingen, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein, de bemanning, de loods of de ondergeschikten van de vervoerder bij de navigatie of het beheer van het schip;
b) onzeewaardigheid van het schip, mits de vervoerder bewijst, dat deze niet is te wijten aan een gebrek aan redelijke zorg zijnerzijds om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk uit te rusten, te bemannen en te bevoorraden of om alle delen van het schip waarin het goed wordt geladen voor het ontvangen, vervoeren en bewaren van het goed geschikt te maken en in goede staat te brengen;
c) brand, mits de vervoerder bewijst, dat deze niet is veroorzaakt door toedoen of schuld van hemzelf, de kapitein, de bemanning, de loods of zijn ondergeschikten;
d) gevaren of onheilen van de zee of andere bevaarbare wateren;
e) redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen ter zee;
f) vervoer van het goed als deklading, mits zulks is geschied met door de afzender op de vrachtbrief gegeven toestemming en het goed zich niet in een spoorwagen bevindt.
De hiervoor genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid leiden geenszins tot opheffing of vermindering van de algemene verplichtingen van de vervoerder met name zijn verplichting een redelijke zorg aan te wenden om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk uit te rusten, te bemannen en te bevoorraden of om alle delen van het schip waarin het goed wordt geladen voor het ontvangen, vervoeren en bewaren van het goed geschikt te maken en in goede staat te brengen.
Indien de vervoerder een beroep doet op de hiervoor genoemde gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid, blijft het niettemin aansprakelijk, indien de rechthebbende bewijst, dat het verlies, de beschadiging of de overschrijding van de leveringstermijn is te wijten aan een ander verzuim van de vervoerder, de kapitein, de bemanning, de loods of zijn ondergeschikten dan onder a bedoeld.
§ 2. Indien hetzelfde zeetraject wordt geëxploiteerd door meer ondernemingen, die ingeschreven zijn op de in de artikelen 3 en 10 van het Verdrag bedoelde lijst, moet het voor dit traject geldende aansprakelijkheidsregime voor al deze ondernemingen gelijk zijn.
Indien deze ondernemingen op verzoek van meer Staten op de lijst zijn ingeschreven, moeten deze Staten bovendien over het toe te passen regime overeenstemming hebben bereikt.
§ 3. De overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld. Zij treden niet eerder in werking dan na verloop van dertig dagen na de dag van kennisgeving door het Centraal Bureau aan de andere Staten.
Deze maatregelen zijn niet van invloed op zendingen, die onderweg zijn.
Artikel 49 Aansprakelijkheid bij een kernongeval.
De spoorweg is ontheven van de ingevolge de Uniforme Regelen op hem rustende aansprakelijkheid, indien de schade is veroorzaakt door een kernongeval en de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is ingevolge de wetten en reglementen van een Staat, die de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie regelen.
Artikel 50 Aansprakelijkheid van de spoorweg voor zijn personeel.
De spoorweg is aansprakelijk voor zijn personeel en voor andere personen, van wier diensten hij gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer.
Indien evenwel dit personeel of deze andere personen op verzoek van een belanghebbende vrachtbrieven invullen, vertalingen maken of andere diensten verrichten, waartoe de spoorweg niet verplicht is, worden zij geacht te handelen voor rekening van de persoon, aan wie zij deze diensten verlenen.
Artikel 51 Andere vorderingen.
In alle gevallen, waarvoor de Uniforme Regelen gelden, kan een vordering tot schadevergoeding, ongeacht de rechtsgrond, tegen de spoorweg slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Regelen.
Hetzelfde geldt voor een tegen het personeel en de andere personen, voor wie de spoorweg ingevolge artikel 50 aansprakelijk is, ingestelde vordering.
Titel 5. VORDERINGEN IN EN BUITEN RECHTE
Artikel 52 Vaststelling van gedeeltelijk verlies of beschadiging.
§ 1. Indien een gedeeltelijk verlies of een beschadiging door de spoorweg wordt ontdekt of vermoed of door de rechthebbende wordt beweerd, moet de spoorweg onverwijld en zo mogelijk in tegenwoordigheid van de rechthebbende een proces-verbaal opmaken, dat naar gelang van de aard van de schade de toestand en de massa van het goed en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het tijdstip van ontstaan van de schade vermeldt.
Een afschrift van dit proces-verbaal moet kosteloos aan de rechthebben worden verstrekt.
§ 2. Indien de rechthebbende niet met de vermeldingen in het proces-verbaal instemt kan hij verlangen, dat de toestand en de massa van het goed en de oorzaak en het bedrag van de schade worden vastgesteld door een door partijen of de rechter benoenmde deskundige. De procedure is onderworpen aan de wetten en reglementen van de Staat, waar de vaststelling geschiedt.
Artikel 53 Vorderingen buiten rechte.
§ 1. Vorderingen buiten rechte met betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk bij de in artikel 55 bedoelde spoorweg worden ingediend.
§ 2. Tot het indienen van een vordering buiten rechte zijn gerechtigd de personen, die volgens artikel 54 gerechtigd zijn een vordering in rechte tegen de spoorweg in te stellen.
§ 3. De afzender, die een vordering buiten rechte indient, moet de duplicaatvrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet hij een machtiging van de geadresseerde overleggen of bewijzen, dat deze de zending heeft geweigerd.
De geadresseerde, die een vordering buiten rechte indient, moet de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
§ 4. De vrachtbrief, het duplicaat en de overige bescheiden, die de rechthebbende bij zijn vordering wil voegen, moeten worden overgelegd in origineel of in, op verzoek van de spoorweg behoorlijk gewaarmerkt afschrift.
Bij de regeling van de vordering kan de spoorweg de overlegging van het origineel van de vrachtbrief, het duplicaat of de remboursementsnota verlangen om de regeling daarop te vermelden.
Artikel 54 Personen die een vordering in rechte tegen de spoorweg kunnen instellen.
§ 1. Een vordering in rechte tot terugbetaling van een ingevolge de vervoerovereenkomst betaald bedrag, kan slechts worden ingesteld door degene, die de betaling heeft gedaan.
§ 2. Een vordering in rechte met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement kan slechts worden ingesteld door de afzender.
§ 3. Andere vorderingen in rechte uit de vervoerovereenkomst kunnen worden ingesteld door:
a) De afzender, tot het tijdstip waarop de geadresseerde:
1. De vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. Het goed heeft aangenomen, of
3. De hem ingevolge artikel 28, § 4, of artikel 31 toekomende rechten heeft doen gelden;
b) De geadresseerde, vanaf het tijdstip waarop hij:
1. De vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. Het goed heeft aangenomen,
3. De hem ingevolge artikel 28, § 4, toekomende rechten heeft doen gelden, of
4. De hem ingevolge artikel 31 toekomende rechten heeft doen gelden; het recht om deze vordering in te stellen vervalt evenwel, zodra de overeenkomstig artikel 31, § 1, c, door de geadresseerde aangewezen persoon de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, het goed heeft aangenomen of de hem ingevolge artikel 28, § 4 toekomende rechten heeft doen gelden.
§ 4. De afzender, die een vordering in rechte instelt, moet de duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet hij ter zake van de § 3, a, bedoelde vorderingen een machtiging van de geadresseerde overleggen of bewijzen, dat deze de zending heeft geweigerd.
De geadresseerde, die een vordering in rechte instelt, moet de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
Artikel 55 Spoorwegen, tegen welke een vordering in rechte kan worden ingesteld.
§ 1. Een vordering in rechte tot terugbetaling van een ingevolge de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld tegen de spoorweg, die dit bedrag heeft geïnd, of tegen de spoorweg, ten bate waarvan dit bedrag is geïnd.
§ 2. Een vordering in rechte met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement kan slechts worden ingesteld tegen de spoorweg van afzending.
§ 3. Andere vorderingen in rechte uit de vervoerovereenkomst kunnen worden ingesteld tegen de spoorweg van afzending, de spoorweg van bestemming of de spoorweg waarop het feit, waaruit de vordering is ontstaan, is voorgevallen.
Tegen de spoorweg van bestemming kan de vordering zelfs worden ingesteld, indien deze noch het goed, noch de vrachtbrief heeft overgenomen.
§ 4. Indien de eiser de keuze tussen verschillende spoorwegen heeft, vervalt zijn keuzerecht, zodra de vordering tegen één van hem in rechte is ingesteld.
§ 5. Een vordering in rechte kan tegen een andere dan de in de §§ 1, 2 en 3, bedoelde spoorwegen worden ingesteld bij wijze van terugvordering of exceptie in een geding over een op dezelfde vervoerovereenkomst gegronde vordering.
Artikel 56 Bevoegdheid.
Op de Uniforme Regelen gegronde vorderingen in rechte kunnen slechts worden ingesteld bij de bevoegde rechter van de Staat, waartoe de gedaagde spoorweg behoort, tenzij in overeenkomsten tussen Staten of concessies anders is bepaald.
Indien een spoorweg in verschillende Staten zelfstandige netten exploiteert, wordt elk dezer netten als een afzonderlijke spoorweg beschouwd voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 57 Verval van de vordering tegen de spoorweg.
§ 1. Door de aanneming van het goed door de rechthebbende vervalt elke vordering tegen de spoorweg uit de vervoerovereenkomst wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de leveringstermijn.
§ 2. De vordering vervalt evenwel niet:
a) bij gedeeltelijk verlies of beschadiging, indien:
1. het verlies of de beschadiging overeenkomstig artikel 52 is vastgesteld voor de aanneming van het goed door de rechthebbende;
2. de vaststelling, die overeenkomstig artikel 52 har moeten geschieden, slechts door schuld van de spoorweg achterwege is gebleven:
b) bij uiterlijk niet waarneembare schade, die is vastgesteld na de aanneming van het goed door de rechthebbende, indien deze:
1. de vaststelling overeenkomstig artikel 52 onmiddellijk na de ontdekking van de schade en binnen zeven dagen na de aanneming van het goed verlangt en
2. bovendien bewijst, dat de schade tussen de aanneming ten vervoer en de aflevering is ontstaan;
c) bij overschrijding van de leveringstermijn, indien de rechthebbende binnen zestig dagen zijn rechten bij één der in artikel 55, § 3, bedoelde spoorwegen heeft doen gelden;
d) indien de rechthebbende bewijst, dat de schade een gevolg is van opzet of grove schuld van de spoorweg;
§ 3. Indien het goed overeenkomstig artikel 38, § 1, is doorgezonden, vervallen de vorderingen uit één der voorafgaande vervoerovereenkomsten wegens gedeeltelijk verlies of beschadiging, alsof er sprake was van een enkele overeenkomst.
Artikel 58 Verjaring van de vordering.
§ 1. De vordering uit de vervoerovereenkomst verjaart door verloop van één jaar.
De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar, indien de vordering:
a) de betaling van een door de spoorweg van de geadresseerde geïnd remboursement betreft;
b) de betaling van de opbrengst van een door de spoorweg verrichte verkoop betreft;
c) gegrond is op een opzettelijk veroorzaakte schade;
d) gegrond is op bedrog;
e) gegrond is op één der aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het in artikel 38, § 1, bedoelde geval.
(NOTA : Het V 1990-12-20/44, Art. 3, 7°, geeft aan § 1 de volgende vorm : " Art. 58. Verjaring van de vordering.
§ 1. De vordering uit de vervoerovereenkomst verjaart door verloop van één jaar.
De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar, indien de vordering:
a) de betaling van een door de spoorweg van de geadresseerde geïnd remboursement betreft;
b) de betaling van de opbrengst van een door de spoorweg verrichte verkoop betreft;
c) gegrond is op een schade veroorzaakt door een daad of een nalaten, ofwel met de bedoeling zulke schade te veroorzaken ofwel begaan uit roekeloosheid en met het besef dat zulke schade vermoedelijk zal ontstaan;
d) gegrond is op één der aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het in artikel 38, § 1, bedoelde geval. " <V 1990-12-20/44, Art. 3, 003; En vigueur : indéterminée>)
§ 2. De verjaring begint bij vorderingen:
a) tot schadevergoeding wegens geheel verlies: op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
b) tot schadevergoeding wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de leveringstermijn: op de dag van de aflevering;
c) tot betaling of terugbetaling van de vervoerprijs, bijkomende kosten, overige kosten of boeten of tot correctie in geval van onjuiste toepassing van een tarief of van vergissing bij de berekening of de inning:
1° indien betaald is: op de dag van betaling;
2° indien niet betaald is: op de dag van aanneming van het goed ten vervoer, indien de afzender moet betalen, of op de dag van de in ontvangstneming van de vrachtbrief door de geadresseerde, indien deze moet betalen;
3° indien het met een frankeringsnota te verrekenen bedragen betreft: op de dag, waarop de spoorweg de in artikel 15, § 7, bedoelde kostennota aan de afzender verstrekt; bij gebreke van deze verstrekking begint de termijn voor de vorderingen van de spoorweg op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
d) van de spoorweg tot betaling van een door de geadresseerde in plaats van door de afzender (of omgekeerd) betaald bedrag, dat de spoorweg aan de rechthebbende moet terugbetalen: op de dag, waarop deze terugbetaling wordt verzocht;
e) met betrekking tot een in artikel 17 bedoeld remboursement: op de dertigste dag na afloop van de leveringstermijn;
f) tot betaling van de opbrengst van een verkoop: op de dag van de verkoop;
g) tot betaling van door de douane of andere overheidsinstanties nagevorderde rechten: op de dag van deze navordering;
h) in alle overige gevallen: op de dag, waarop het recht kan worden uitgeoefend.
De als begin van de verjaringstermijn vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.
§ 3. Indien overeenkomstig artikel 53 een vordering buiten rechte met de nodige bewijsstukken bij de spoorweg is ingediend, is de verjaring geschorst tot de dag, waarop de spoorweg de vordering schriftelijk afwijst en de stukken teruggeeft. Bij gedeeltelijke erkenning van de vordering begint de verjaringstermijn weer te lopen voor het nog-betwiste gedeelte van de vordering. Het bewijs van de ontvangst van de vordering of van het antwoord en van de teruggave van de stukken rust op degene, die zich daarop beroept.
Latere vorderingen buiten rechte met dezelfde inhoud schorsen de verjaring niet.
§ 4. Een verjaarde vordering kan niet meer in rechte worden ingesteld, zelfs niet bij wijze van tegenvordering of exceptie.
§ 5. Behoudens de voorafgaande bepalingen, geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.
(TITEL VI. - RAPPORTEN VAN SPOORWEGEN ONDERLING.) <V 1980-05-09/33, Art. M23, 002; En vigueur : 01-01-1991>
Artikel 59 <V 1980-05-09/33, Art. M23, 002; En vigueur : 01-01-1991> Verrekening tussen spoorwegen.
§ 1. Elke spoorweg die bij vertrek of aankomst de uit de vervoerovereenkomst ontstane kosten of andere vorderingen heeft geïnd, moet aan de betrokken spoorwegen het toekomende aandeel betalen.
De wijze van betaling wordt bij overeenkomst tussen de spoorwegen vastgesteld.
§ 2. De spoorweg van afzending is aansprakelijk voor de vervoerprijs en overige kosten die hij niet geïnd heeft, wanneer de afzender ze overeenkomstig artikel 15 voor zijn rekening heeft genomen.
§ 3. Indien de spoorweg van bestemming het goed aflevert zonder de uit de vervoerovereenkomst ontstane kosten of andere vorderingen te innen, is hij aansprakelijk voor die bedragen.
§ 4. Indien het Centraal Bureau op verzoek van één der crediteur-spoorwegen vaststelt dat een spoorweg in gebreke is met betaling, worden de gevolgen door alle andere bij het vervoer betrokken spoorwegen gedragen naar evenredigheid van hun aandeel in de vervoerprijs.
Het recht van regres tegen de in gebreke gebleven spoorweg blijft voorbehouden.
Artikel 60 Regres bij verlies of beschadiging.
§ 1. De spoorweg, die volgens de Uniforme Regelen een schadevergoeding wegens geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het vervoer betrokken spoorwegen overeenkomstig de volgende bepalingen:
a) de spoorweg, die de schade heeft veroorzaakt, is daarvoor alléén aansprakelijk;
b) indien de schade is veroorzaakt door meer spoorwegen, is elk van hen aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de schadevergoeding onder hen volgens c verdeeld;
c) indien niet kan worden bewezen, dat de schade door één of meer spoorwegen is veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken spoorwegen verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat de schade niet op hun lijnen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid van de tariefkilometers.
§ 2. Indien één der spoorwegen niet kan betalen, wordt het te zijnen laste komende en door hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken spoorwegen verdeeld naar evenredigheid van de tariefkilometers.
Artikel 61 Regres bij overschrijding van de leveringstermijn.
§ 1. Artikel 60 is van toepassing op wegens overschrijding van de leveringstermijn betaalde schadevergoeding. Indien de overschrijding door meer spoorwegen is veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder deze spoorwegen verdeeld naar evenredigheid van de duur van de op hun lijnen ontstane vertraging.
§ 2. De in artikel 27 bepaalde leveringstermijnen worden op de volgende wijze verdeeld:
a) indien twee spoorwegen bij het vervoer zijn betrokken wordt:
1. de termijn voor de verzending verdeeld in helften;
2. de termijn voor het vervoer verdeeld naar evenredigheid van de tariefkilometers;
b) indien drie of meer spoorwegen bij het vervoer zijn betrokken, wordt:
1. de termijn voor de verzending onder de spoorweg van afzending en de spoorweg van bestemming verdeeld;
2. de termijn voor het vervoer onder alle spoorwegen verdeeld:
- voor één derde in gelijke delen,
- voor twee derde naar evenredigheid van de tariefkilometers.
§ 3. Toeslagtermijnen, waarop een spoorweg recht heeft, worden hem toegerekend.
§ 4. De tijd tussen de aanbieding van het goed ten vervoer en het begin van de termijn voor de verzending wordt uitsluitend aan de spoorweg van afzending toegerekend.
§ 5. De hiervoor bedoelde verdeling slechts in aanmerking, indien de gehele leveringstermijn niet in acht is genomen.
Artikel 62 Regres-procedure.
§ 1. De spoorweg, jegens welke een in de artikelen 60 en 61 bedoeld regres wordt uitgeoefend, kan de gegrondheid van de betaling door de spoorweg, die het regres uitoefent, niet betwisten, indien de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en hij naar behoren was gedagvaard tot tussenkomst in het geding. De rechter, bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.
§ 2. De spoorweg, die het regres uitoefent, moet zijn vordering instellen in één geding tegen alle spoorwegen, met welke hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van verlies van zijn regres jegens de niet-gedagvaarde spoorwegen.
§ 3. De rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem aanhangige vorderingen.
§ 4. De spoorwegen, tegen welke een vordering is ingesteld, kunnen geen verder regres uitoefenen.
§ 5. Regres kan niet worden uitgeoefend door instelling van een vordering in het geding betreffende de door de rechthebbende uit de vervoerovereenkomst ingestelde vordering tot schadevergoeding.
Artikel 63 Bevoegdheid voor regres.
§ 1. De rechter van de zetel van de spoorweg, jegens welke het regres wordt uitgeoefend, is uitsluitend bevoegd voor deze vorderingen.
§ 2. Indien de vordering tegen meer spoorwegen moet worden ingesteld, heeft de eisende spoorweg de keuze tussen de ingevolge § 1 bevoegde rechters.
Artikel 64 Overeenkomsten betreffende regres.
De spoorwegen kunnen bij overeenkomst afwijken van de bepalingen betreffende het wederzijds regres van deze titel, met uitzondering van die van artikel 62, § 5.
Titel 7. UITZONDERINGSBEPALINGEN
Artikel 65 <V 1980-05-09/33, Art. M24, 002; En vigueur : 01-01-1991> Tijdelijke afwijkingen.
§ 1. Indien de economische en financiële toestand van een Staat ernstige moeilijkheden kunnen opleveren bij de toepassing van Titel VI, kunnen twee of meer andere Staten door overeenkomsten afwijken van de artikelen 15, 17 en 30 door, voor het vervoer met de Staat in moeilijkheden, te besluiten dat :
a) voor de bij elk van deze Staten vertrekkende zendingen, de kosten tot aan de grenzen van de Staat in moeilijkheden, maar niet verder, verplicht ten laste worden gebracht van de afzender;
b) voor de zendingen die voor elk van deze Staten bestemd zijn, de kosten tot aan de grenzen van de Staat in moeilijkheden, maar niet verder, verplicht ten laste worden gebracht van de afzender;
c) de zendingen die voor de Staat in moeilijkheden bestemd zijn of daar vertrekken, met geen remboursement of voorschot belast mogen worden of dat zulks slechts ten belope van bepaalde bedragen wordt toegestaan.
d) de afzender de vervoerovereenkomst niet mag wijzigen met betrekking tot het land van bestemming, de frankering en het remboursement.
§ 2. Onder de in § 1 vastgestelde voorwaarden en met de toestemming van hun Regeringen, kunnen de spoorwegen die in betrekking staan met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden, een afwijking van de artikelen 15, 17, 30 en 31 overeenkomen voor hun wederzijds vervoer met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden.
Over een dergelijke afwijking wordt beslist door de tweederdemeerderheid van de spoorwegen die in betrekking staan met de spoorweg van de Staat in moeilijkheden.
§ 3. De ingevolge de §§ 1 en 2 genomen maatregelen worden aan het Centraal Bureau meegedeeld.
De in § 1 genoemde maatregelen treden niet eerder in werking dan na verloop van acht dagen na de kennisgeving daarvan door het Centraal Bureau aan de andere Staten.
De in § 2 genoemde maatregelen treden niet eerder in werking dan na verloop van twee dagen na de publicatie daarvan in de betrokken Staten.
§ 4. Deze maatregelen zijn niet van invloed op zendingen die onderweg zijn.
§ 5. Ongeacht de bepalingen van dit artikel kan iedere Staat eenzijdige maatregelen nemen overeenkomstig artikel 3, § 4, b.
Artikel 66 Afwijkingen.
De bepalingen van de Uniforme Regelen hebben geen voorrang boven de regelingen, die bepaalde Staten voor het vervoer tussen hen moeten treffen op grond van bepaalde verdragen, zoals de verdragen betreffende de Europese Gemeenschap voor kolen en staal en de Europese Economische Gemeenschap.
Artikel N1 BIJLAGE 1: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID) (Art. 4 en 5). <Zie het bijvoegsel tot het Belgisch Staatsblad van 13 december 1989>
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (RID), Bijlage I bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast. (Wijzigingen : )
- zie wijziging nr. 3, geldig vanaf 1 januari 1990; de tekst van dit verdrag verschijnt in de bijlage van het B.St. van 28-11-1990, p. 1 - 660;
- zie bericht gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 13-12-1989, wijzigingen met inwerkingtreding op 01-01-1988;
- zie bericht 2005-04-19/31, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 19-04-2005, wijzigingen met inwerkingtreding op 01-01-2005.
- zie bericht 2006-05-18/30, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 18-05-2006, p. 25515-18, wijzigingen met inwerkingtreding op 31-01-2006.
Artikel N2 BIJLAGE 2: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van wagens van particulieren (RIP) (Art. 8, § 1).
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van wagens van particulieren (RIP), Bijlage IV bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast.
Artikel N3 BIJLAGE 3: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van containers (RICo) (Art. 8, § 2).
De tekst van deze Bijlage is die, welke door de Commissie van deskundigen ingevolge artikel 69, § 4, van het Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM) van 7 februari 1970 wordt vastgesteld voor het Internationaal Reglement betreffende het vervoer van laadkisten (RICo), Bijlage V bij de CIM. De Commissie van deskundigen stelt ook de noodzakelijke redactionele aanpassingen aan het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 vast.
Artikel N4 BIJLAGE 4: Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van expresgoederen (RIEx) (Art. 8, § 3).
§ 1. Als expresgoed worden slechts aangemerkt goederen, die op de voorwaarden van een internationaal tarief bijzonder snel worden vervoerd.
Als expresgoed kunnens slechts worden toegelaten goederen, die zonder meer in de bagagewagen van reizigerstreinen kunnen worden geladen. De internationale tarieven kunnen van deze regel afwijken.
§ 2. De in artikel 4 van de Uniforme Regelen bedoelde voorwerpen zijn van het vervoer als expresgoed uitgesloten. De in het RID genoemde of in de overeenkomsten en tarieven ingevolge artikel 5, § 2, van de Uniforme Regelen bedoelde stoffen en voorwerpen zijn slechts als expresgoed ten vervoer toegelaten, indien deze vervoerwijze in het RID of in deze overeenkomsten of tarieven uitdrukkelijk is voorzien. De internationale tarieven bepalen, of andere goederen eveneens van het vervoer zijn uitgesloten of voorwaardelijk ten vervoer zijn toegelaten.
§ 3. Expresgoederen kunnen ten vervoer worden aangeboden met een ander document dan de volgens artikel 12, § 2, van de Uniforme Regelen vastgestelde vrachtbrief. Het te gebruiken model en de gegevens, die daarop moeten of mogen worden vermeld, worden door de internationale tarieven bepaald. Dit document moet in elk geval bevatten:
a) de stations van afzending en bestemming;
b) de naam en het adres van de afzender en van de geadresseerde;
c) de omschrijving van het goed;
d) het aantal colli en een beschrijving van de verpakking;
e) de nauwkeurige beschrijving van de door de douane of andere overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden, die bij het document zijn gevoegd.
§ 4. Expresgoederen moeten met snelle middelen worden vervoerd binnen de in de internationale tarieven bepaalde termijnen. De leveringstermijnen moeten in elk geval korter zijn dan de voor snelgoedzendingen geldende termijnen.
§ 5. De internationale tarieven kunnen ook andere dan de hiervoor genoemde afwijkingen van de Uniforme Regelen bepalen. Van de artikelen 35 tot en met 38, 40 tot en met 42, 44 en 47 tot en met 58 van de Uniforme Regelen mag evenwel niet worden afgeweken.
§ 6. Indien de voorgaande bepalingen en die van de internationale tarieven niet anders bepalen, zijn de Uniforme Regelen van toepassing op het vervoer van expresgoederen.