Wet houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1996.
- Section :
- Legislation
- Source :
- Numac 1995003684
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74, 3° van de Grondwet.
Artikel 2 Voor het begrotingsjaar 1996 worden de lopende ontvangsten van de Staat geraamd :
Voor de fiscale ontvangsten, op F 1 311 774 100 000
Voor de niet-fiscale ontvangsten, op F 120 110 700 000
Zegge te samen F 1 431 884 800 000
overeenkomstig Titel I van de hierbijgaande tabel.
Artikel 3 Voor het begrotingsjaar 1996 worden de kapilaalontvangsten geraamd op de som van 29 431 500 000 frank, overeenkomstig Titel II van de hierbijgaande tabel.
Artikel 4 Voor het begrotingsjaar 1996; wordt de opbrengst van leningen geraamd op 1 167 309 200 000 frank, overeenkomstig Titel III van de hierbijgaande tabel.
Artikel 5 De op 31 december 1995 bestaande directe en indirecte belastingen, in hoofdsom en opdeciemen ten behoeve van de Staat, worden tijdens het jaar 1996 ingevorderd volgens de wetten , besluiten en tarieven waarbij de zetting en invordering ervan worden geregeld, met inbegrip van de wetten, besluiten en tarieven die slechts een tijdelijk of voorlopig karakter hebben.
Artikel 6 De toepassing van de artikelen 3 en 4, § 1, van de wet van 28 december 1954, houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het dienstjaar 1955, is verlengd tot 31 december 1996.
Artikel 7 De Koning kan, binnen de perken en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, vrijstelling van belasting verlenen voor de inkomsten van leningen die in 1996 door de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen of organismen in het buitenland zouden worden uitgegeven.
Artikel 8 § 1. De Koning wordt gemachtigd door leningen uitgegeven zowel in België als in het buitenland en zowel in Belgische frank als in vreemde munt, te dekken:
1) het excedent van de uitgaven op de ontvangsten van de begroting voor het jaar 1996;
2) de terugbetaling van de nog niet afgeloste obligaties van de leningen in Belgische frank of in vreemde munt die in 1996 op eindvervaldag komen;
3) de gehele of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling van leningen in Belgische frank of in vreemde munt, overeenkomstig de beschikkingen van de koninklijke besluiten betreffende de uitgifte of de leningsovereenkomsten;
4) de kapitaalverminderingen van de leningen in vreemde munt als gevolg van een contractuele clausule;
5) de dagelijkse beheersverrichtingen van de Schatkist of de verrichtingen inzake financieel beheer gedaan in het algemeen belang van de Schatkist, met inbegrip van de daartoe noodzakelijke plaatsingen;
6) de eventuele uitgaven die voortvloeien uit de in § 3, 3° en 4° hieronder bedoelde beheersverrichtingen van de Schatkist;
§ 1bis. In afwijking van § 1 van dit artikel, is de Minister van Financiën ertoe gemachtigd nieuwe lijnen van lineaire obligaties te openen en tevens de voorwaarden ervan vast te leggen. Deze lijnen worden uitgegeven in het kader van het koninklijk besluit van 27 maart 1992 betreffende de uitgifte van lineaire obligaties.
§ 2. De Koning wordt eveneens gemachtigd om met de instemming van de houders en tegen marktvoorwaarden, bestaande leningen geheel of gedeeltelijk om te zetten in leningen van het type "lineaire obligaties" en de vervaldag en het tussenaflossingsplan ervan aan te passen.
§ 3. De Minister van Financiën of de ambtenaren van de Administratie van de Thesaurie die hij zal aanstellen voor specifieke taken door hem voorzien, worden ertoe gemachtigd:
1° Schatkistcertificaten, Schatkistbons of andere rentegevende financieringsmiddelen te creëren, ten belope van het bedrag der leningen die eventueel dienen te worden aangegaan in het kader van de machtiging voorzien in §§ 1 en 1bis en dit zowel in België als in het buitenland en zowel in Belgische frank als in vreemde munt;
2° in afwijking van artikel 6 van de wet van 2 augustus 1955 houdende opheffing van het Fonds tot delging der Staatsschuld en van artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 februari 1956 tot regeling van de werking van de Amortisatiekas, opgericht door genoemde wet, bij de Rijkskassier tot aflossing teruggekochte effecten aan toonder in bewaring te houden om ze, indien nodig, beschikbaar te stellen voor de omzetting in inschrijvingen op naam of in gedematerialiseerde waarden;
3° elke dagelijkse beheersverrichting van de Schatkist of elke verrichting inzake financieel beheer in het algemeen belang van de Schatkist te doen, met inbegrip van het afsluiten van de hiervoor noodzakelijke overeenkomsten;
De plaatsingen nodig om de beheersverrichtingen van de Schatkist tot een goed einde te brengen, worden gedaan door gebruik te maken van ieder product dat de financiële markten bieden en die zo voordelig mogelijk voor de Schatkist zijn.
Deze plaatsingen kunnen ook gedaan worden bij het Rentenfonds;
4° voor de onderhandse leningen die door de Staat in België of in het buitenland zijn uitgegeven, de voorwaarden en de terugbetalingstermijnen in overleg met de geldschieters aan te passen of, in het al gemeen, dienaangaande beheersovereenkomsten te sluiten;
5° om naast de omruiling van effecten van bestaande leningen tegen nieuwe lineaire obligaties en dit in het kader van de verrichtingen bepaald in § 2 hierboven, de intrestprorata's van deze in omloop zijnde effecten te betalen aan de rechthebbenden door middel van lineaire obligaties.
§ 4. 1° De opbrengsten van leningen die werden aangegaan om de in §§1 en 2 bedoelde uitgaven te dekken, worden op de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1996 gestort, hetzij als ontvangsten die zijn toegewezen aan het organieke fonds voor de in § 1, 3° tot 6° en § 2 bedoelde uitgaven, hetzij als algemene ontvangsten van de Schatkist in de andere gevallen.
2° Het deel van de geconsolideerde leningen die krachtens §§ 1 en 1bis werden aangegaan op het einde van 1995 en waarvan de opbrengst ten gunste van de Staat wordt gestort in het begin van 1996, wordt als ontvangsten aangerekend op de begroting van het jaar 1996.
3° De beheersverrichtingen van de Schatkist die op het einde van het jaar 1995 werden gedaan, en waarvan de beschikking over de leningsopbrengst pas in 1996 gebeurt, worden aan dat laatste begrotingsjaar verbonden.
4° De opbrengsten van de leningen die voortvloeien uit de beheersverrichtingen van de Schatkist, alsmede:
- de voorlopige uitgaven voor het vormen van activa en de bijkomende kosten,
- de ontvangsten betreffende het realiseren van de gevormde activa, de bijkomende uitgaven en de opbrengsten voortvloeiend uit de activa,
kunnen worden geboekt op speciale financiële rekeningen die daartoe geopend worden bij de Nationale Bank van België, los van de directe rekening van de Schatkist, en die door de Minister van Financiën of diens afgevaardigden worden beheerd.
De gevormde activa kunnen ook worden ingeschreven op specifieke effectenrekeningen geopend op naam van de Schatkist bij het effectenclearingstelsel van de Nationale Bank van België of bij andere nationale of internationale clearingorganismen.
De Minister van Financiën of diens afgevaardigden bepalen, indien nodig, de beheers- en openingsmodaliteiten van die rekeningen, alsmede de modaliteiten met betrekking tot het periodieke saldo hiervan.
Artikel 9 De Minister van Financiën wordt ertoe gemachtigd om op de lasten van Staatsleningen in mindering te brengen:
1° de inkomsten van de plaatsingen van de opbrengsten van leningen in belgische frank gedaan in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist bedoeld in artikel 7, § 3, 3°;
2° de inkomsten van de plaatsingen van de opbrengsten van leningen in vreemde munt, gedaan in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist bedoeld in artikel 7, § 3, 3°;
3° de inkomsten of de kapitalen toegewezen aan de Schatkist als gevolg van beheersverrichtingen van de Schatkist inzake interesten- of deviezenswaps, arbitrageverrichtingen, verrichtingen om risico's te dekken zoals "options" of andere verrichtingen op Staatsleningen met als doel de financiële lasten ervan te verminderen.
De Minister van Financiën wordt er bovendien toe gemachtigd om een thesaurie in vreemde munt te beheren van de opbrengsten van leningen bestemd voor plaatsingen of voor andere verrichtingen bedoeld in de vorige alinea, 2° en 3° om iedere weerslag op de schuldenlast in vreemde munt van de Schatkist op het verloop van de monetaire politiek te vermijden.
Artikel 10 De Minister van Financiën of diens afgevaardigden worden ertoe gemachtigd om:
1° krachtens de overeenkomst van 5 januari 1994, afgesloten met de Nationale Bank van België, gedematerialiseerde effecten ter vertegenwoordiging van de Staatsschuld te creëren, die dezelfde eigenschappen hebben als deze van de in omloop zijnde effecten, met het oog op het uitlenen van deze effecten op korte termijn aan de Nationale Bank van België in functie van de behoeften van haar effectenciearingstelsel;
2° over te gaan tot de uitgifte van gedematerialiseerde effecten uitgedrukt in vreemde munten, voorafgaand aan de valutadag van hun inschrijving, opdat de investeerders kunnen beschikken over deze effecten op de bedoelde valutadag binnen de clearingstelsels bedoeld in artikel 1, § 2, b en c van het koninklijk besluit van 14 juni 1994 tot vaststelling van de regels van toepassing op het aanhouden op rekening van gedematerialiseerde effecten uitgedrukt in vreemde munten of in rekeneenheden andere dan ecu.
Artikel 11 In afwijking van artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van de wijzigingen daarin, krachtens de wet van 31 juli 1934, zal de rentevoet van de in 1996 uit te keren interesten voor de bij de Deposito- en Consignatiekas in bewaring gegeven consignaties, vrijwillige deposito's en borgtochten van alle categorieën, door de Minister van Financiën worden vastgesteld.
Artikel 12 Met het oog op de uitvoering van artikel 5, § 1, van de verordening (E.E.G.) nr. 1941/81 betreffende een geïntegreerd ontwikkelingsprogramma voor de achtergebleven gebieden van België, worden de financiële middelen voor de projecten die onder hun bevoegdheid vallen, gestort op de begrotingen van de Gewesten.
Deze financiële middelen worden voorafgenomen op de terugbetalingen aan de Belgische Schatkist, waartoe de Europese Gemeenschappen ten titel van inningskosten gehouden zijn luidens artikel 3, 1°, vijfde lid, van het besluit van 21 april 1970 van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lidstaten door eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, goedgekeurd door de wet van 23 december 1970.
De over te hevelen bedragen worden bepaald door de Minister van Financiën, zoals beslist of voorzien door de EEG.-Commissie.
Artikel 13 Overeenkomstig artikel 53, 1° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gewesten voortvloeiend uit de gewestelijke belastingen, voor het begrotingsjaar 1996 geraamd op 29 747 600 000 frank voor het Vlaamse Gewest; op 13 381 500 000 frank voor het Waalse Gewest en op 9 701 000 000 frank voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 14 Overeenkomstig artikel 53, 2° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gemeenschappen afkomstig uit de toegewezen gedeelten van de opbrengst van de belasting over de toegevoegde waarde en de personenbelasting, voor het begrotingsjaar 1996, rekening houdende met de vermoedelijke saldi van de afrekening van het begrotingsjaar 1995, geraamd op 278 851 400 000 frank voor de Vlaamse Gemeenschap en op 198 383 000 000 frank voor de Franse Gemeenschap.
Artikel 15 Overeenkomstig de artikelen 53, 3° en 35bis van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gewesten afkomstig uit het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting, voor het begrotingsjaar 1996, rekening houdende met de vermoedelijke saldi van de afrekening van het begrotingsjaar 1996, geraamd op 169 364 500 000 frank voor het Vlaamse Gewest; op 105 800 300 000 frank voor het Waalse Gewest en op 28 811 300 000 frank voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 16 De ontvangsten ten voordele van de Gemeenschappen en de Gewesten worden naargelang het geval, gestort hetzij op een speciaal fonds opgericht op hoofdstuk 18 van de Afzonderlijke sectie van de Algemene Uitgavenbegroting hetzij op een rekening van de Ordeverrichtingen van de Thesaurie.
Artikel 17 Deze wet treedt in werking op 1 januari 1996.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 24 november 1995.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
Met 's Lands zegel gegezeld:
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
BIJLAGE.
Artikel N Bijlage. Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1996.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 20/12/1995, p. 34266-34302).
Artikel 2 Voor het begrotingsjaar 1996 worden de lopende ontvangsten van de Staat geraamd :
Voor de fiscale ontvangsten, op F 1 311 774 100 000
Voor de niet-fiscale ontvangsten, op F 120 110 700 000
Zegge te samen F 1 431 884 800 000
overeenkomstig Titel I van de hierbijgaande tabel.
Artikel 3 Voor het begrotingsjaar 1996 worden de kapilaalontvangsten geraamd op de som van 29 431 500 000 frank, overeenkomstig Titel II van de hierbijgaande tabel.
Artikel 4 Voor het begrotingsjaar 1996; wordt de opbrengst van leningen geraamd op 1 167 309 200 000 frank, overeenkomstig Titel III van de hierbijgaande tabel.
Artikel 5 De op 31 december 1995 bestaande directe en indirecte belastingen, in hoofdsom en opdeciemen ten behoeve van de Staat, worden tijdens het jaar 1996 ingevorderd volgens de wetten , besluiten en tarieven waarbij de zetting en invordering ervan worden geregeld, met inbegrip van de wetten, besluiten en tarieven die slechts een tijdelijk of voorlopig karakter hebben.
Artikel 6 De toepassing van de artikelen 3 en 4, § 1, van de wet van 28 december 1954, houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het dienstjaar 1955, is verlengd tot 31 december 1996.
Artikel 7 De Koning kan, binnen de perken en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, vrijstelling van belasting verlenen voor de inkomsten van leningen die in 1996 door de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen of organismen in het buitenland zouden worden uitgegeven.
Artikel 8 § 1. De Koning wordt gemachtigd door leningen uitgegeven zowel in België als in het buitenland en zowel in Belgische frank als in vreemde munt, te dekken:
1) het excedent van de uitgaven op de ontvangsten van de begroting voor het jaar 1996;
2) de terugbetaling van de nog niet afgeloste obligaties van de leningen in Belgische frank of in vreemde munt die in 1996 op eindvervaldag komen;
3) de gehele of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling van leningen in Belgische frank of in vreemde munt, overeenkomstig de beschikkingen van de koninklijke besluiten betreffende de uitgifte of de leningsovereenkomsten;
4) de kapitaalverminderingen van de leningen in vreemde munt als gevolg van een contractuele clausule;
5) de dagelijkse beheersverrichtingen van de Schatkist of de verrichtingen inzake financieel beheer gedaan in het algemeen belang van de Schatkist, met inbegrip van de daartoe noodzakelijke plaatsingen;
6) de eventuele uitgaven die voortvloeien uit de in § 3, 3° en 4° hieronder bedoelde beheersverrichtingen van de Schatkist;
§ 1bis. In afwijking van § 1 van dit artikel, is de Minister van Financiën ertoe gemachtigd nieuwe lijnen van lineaire obligaties te openen en tevens de voorwaarden ervan vast te leggen. Deze lijnen worden uitgegeven in het kader van het koninklijk besluit van 27 maart 1992 betreffende de uitgifte van lineaire obligaties.
§ 2. De Koning wordt eveneens gemachtigd om met de instemming van de houders en tegen marktvoorwaarden, bestaande leningen geheel of gedeeltelijk om te zetten in leningen van het type "lineaire obligaties" en de vervaldag en het tussenaflossingsplan ervan aan te passen.
§ 3. De Minister van Financiën of de ambtenaren van de Administratie van de Thesaurie die hij zal aanstellen voor specifieke taken door hem voorzien, worden ertoe gemachtigd:
1° Schatkistcertificaten, Schatkistbons of andere rentegevende financieringsmiddelen te creëren, ten belope van het bedrag der leningen die eventueel dienen te worden aangegaan in het kader van de machtiging voorzien in §§ 1 en 1bis en dit zowel in België als in het buitenland en zowel in Belgische frank als in vreemde munt;
2° in afwijking van artikel 6 van de wet van 2 augustus 1955 houdende opheffing van het Fonds tot delging der Staatsschuld en van artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 februari 1956 tot regeling van de werking van de Amortisatiekas, opgericht door genoemde wet, bij de Rijkskassier tot aflossing teruggekochte effecten aan toonder in bewaring te houden om ze, indien nodig, beschikbaar te stellen voor de omzetting in inschrijvingen op naam of in gedematerialiseerde waarden;
3° elke dagelijkse beheersverrichting van de Schatkist of elke verrichting inzake financieel beheer in het algemeen belang van de Schatkist te doen, met inbegrip van het afsluiten van de hiervoor noodzakelijke overeenkomsten;
De plaatsingen nodig om de beheersverrichtingen van de Schatkist tot een goed einde te brengen, worden gedaan door gebruik te maken van ieder product dat de financiële markten bieden en die zo voordelig mogelijk voor de Schatkist zijn.
Deze plaatsingen kunnen ook gedaan worden bij het Rentenfonds;
4° voor de onderhandse leningen die door de Staat in België of in het buitenland zijn uitgegeven, de voorwaarden en de terugbetalingstermijnen in overleg met de geldschieters aan te passen of, in het al gemeen, dienaangaande beheersovereenkomsten te sluiten;
5° om naast de omruiling van effecten van bestaande leningen tegen nieuwe lineaire obligaties en dit in het kader van de verrichtingen bepaald in § 2 hierboven, de intrestprorata's van deze in omloop zijnde effecten te betalen aan de rechthebbenden door middel van lineaire obligaties.
§ 4. 1° De opbrengsten van leningen die werden aangegaan om de in §§1 en 2 bedoelde uitgaven te dekken, worden op de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1996 gestort, hetzij als ontvangsten die zijn toegewezen aan het organieke fonds voor de in § 1, 3° tot 6° en § 2 bedoelde uitgaven, hetzij als algemene ontvangsten van de Schatkist in de andere gevallen.
2° Het deel van de geconsolideerde leningen die krachtens §§ 1 en 1bis werden aangegaan op het einde van 1995 en waarvan de opbrengst ten gunste van de Staat wordt gestort in het begin van 1996, wordt als ontvangsten aangerekend op de begroting van het jaar 1996.
3° De beheersverrichtingen van de Schatkist die op het einde van het jaar 1995 werden gedaan, en waarvan de beschikking over de leningsopbrengst pas in 1996 gebeurt, worden aan dat laatste begrotingsjaar verbonden.
4° De opbrengsten van de leningen die voortvloeien uit de beheersverrichtingen van de Schatkist, alsmede:
- de voorlopige uitgaven voor het vormen van activa en de bijkomende kosten,
- de ontvangsten betreffende het realiseren van de gevormde activa, de bijkomende uitgaven en de opbrengsten voortvloeiend uit de activa,
kunnen worden geboekt op speciale financiële rekeningen die daartoe geopend worden bij de Nationale Bank van België, los van de directe rekening van de Schatkist, en die door de Minister van Financiën of diens afgevaardigden worden beheerd.
De gevormde activa kunnen ook worden ingeschreven op specifieke effectenrekeningen geopend op naam van de Schatkist bij het effectenclearingstelsel van de Nationale Bank van België of bij andere nationale of internationale clearingorganismen.
De Minister van Financiën of diens afgevaardigden bepalen, indien nodig, de beheers- en openingsmodaliteiten van die rekeningen, alsmede de modaliteiten met betrekking tot het periodieke saldo hiervan.
Artikel 9 De Minister van Financiën wordt ertoe gemachtigd om op de lasten van Staatsleningen in mindering te brengen:
1° de inkomsten van de plaatsingen van de opbrengsten van leningen in belgische frank gedaan in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist bedoeld in artikel 7, § 3, 3°;
2° de inkomsten van de plaatsingen van de opbrengsten van leningen in vreemde munt, gedaan in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist bedoeld in artikel 7, § 3, 3°;
3° de inkomsten of de kapitalen toegewezen aan de Schatkist als gevolg van beheersverrichtingen van de Schatkist inzake interesten- of deviezenswaps, arbitrageverrichtingen, verrichtingen om risico's te dekken zoals "options" of andere verrichtingen op Staatsleningen met als doel de financiële lasten ervan te verminderen.
De Minister van Financiën wordt er bovendien toe gemachtigd om een thesaurie in vreemde munt te beheren van de opbrengsten van leningen bestemd voor plaatsingen of voor andere verrichtingen bedoeld in de vorige alinea, 2° en 3° om iedere weerslag op de schuldenlast in vreemde munt van de Schatkist op het verloop van de monetaire politiek te vermijden.
Artikel 10 De Minister van Financiën of diens afgevaardigden worden ertoe gemachtigd om:
1° krachtens de overeenkomst van 5 januari 1994, afgesloten met de Nationale Bank van België, gedematerialiseerde effecten ter vertegenwoordiging van de Staatsschuld te creëren, die dezelfde eigenschappen hebben als deze van de in omloop zijnde effecten, met het oog op het uitlenen van deze effecten op korte termijn aan de Nationale Bank van België in functie van de behoeften van haar effectenciearingstelsel;
2° over te gaan tot de uitgifte van gedematerialiseerde effecten uitgedrukt in vreemde munten, voorafgaand aan de valutadag van hun inschrijving, opdat de investeerders kunnen beschikken over deze effecten op de bedoelde valutadag binnen de clearingstelsels bedoeld in artikel 1, § 2, b en c van het koninklijk besluit van 14 juni 1994 tot vaststelling van de regels van toepassing op het aanhouden op rekening van gedematerialiseerde effecten uitgedrukt in vreemde munten of in rekeneenheden andere dan ecu.
Artikel 11 In afwijking van artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van de wijzigingen daarin, krachtens de wet van 31 juli 1934, zal de rentevoet van de in 1996 uit te keren interesten voor de bij de Deposito- en Consignatiekas in bewaring gegeven consignaties, vrijwillige deposito's en borgtochten van alle categorieën, door de Minister van Financiën worden vastgesteld.
Artikel 12 Met het oog op de uitvoering van artikel 5, § 1, van de verordening (E.E.G.) nr. 1941/81 betreffende een geïntegreerd ontwikkelingsprogramma voor de achtergebleven gebieden van België, worden de financiële middelen voor de projecten die onder hun bevoegdheid vallen, gestort op de begrotingen van de Gewesten.
Deze financiële middelen worden voorafgenomen op de terugbetalingen aan de Belgische Schatkist, waartoe de Europese Gemeenschappen ten titel van inningskosten gehouden zijn luidens artikel 3, 1°, vijfde lid, van het besluit van 21 april 1970 van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lidstaten door eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, goedgekeurd door de wet van 23 december 1970.
De over te hevelen bedragen worden bepaald door de Minister van Financiën, zoals beslist of voorzien door de EEG.-Commissie.
Artikel 13 Overeenkomstig artikel 53, 1° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gewesten voortvloeiend uit de gewestelijke belastingen, voor het begrotingsjaar 1996 geraamd op 29 747 600 000 frank voor het Vlaamse Gewest; op 13 381 500 000 frank voor het Waalse Gewest en op 9 701 000 000 frank voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 14 Overeenkomstig artikel 53, 2° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gemeenschappen afkomstig uit de toegewezen gedeelten van de opbrengst van de belasting over de toegevoegde waarde en de personenbelasting, voor het begrotingsjaar 1996, rekening houdende met de vermoedelijke saldi van de afrekening van het begrotingsjaar 1995, geraamd op 278 851 400 000 frank voor de Vlaamse Gemeenschap en op 198 383 000 000 frank voor de Franse Gemeenschap.
Artikel 15 Overeenkomstig de artikelen 53, 3° en 35bis van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de financiële middelen van de Gewesten afkomstig uit het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting, voor het begrotingsjaar 1996, rekening houdende met de vermoedelijke saldi van de afrekening van het begrotingsjaar 1996, geraamd op 169 364 500 000 frank voor het Vlaamse Gewest; op 105 800 300 000 frank voor het Waalse Gewest en op 28 811 300 000 frank voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 16 De ontvangsten ten voordele van de Gemeenschappen en de Gewesten worden naargelang het geval, gestort hetzij op een speciaal fonds opgericht op hoofdstuk 18 van de Afzonderlijke sectie van de Algemene Uitgavenbegroting hetzij op een rekening van de Ordeverrichtingen van de Thesaurie.
Artikel 17 Deze wet treedt in werking op 1 januari 1996.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 24 november 1995.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
Met 's Lands zegel gegezeld:
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
BIJLAGE.
Artikel N Bijlage. Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1996.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 20/12/1995, p. 34266-34302).