Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht.

Date :
16-05-2001
Language :
French Dutch
Size :
23 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 2001007141

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Artikel 2 § 1. Deze wet bepaalt het statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht.
  Het reservekader van de krijgsmacht omvat de reservemilitairen en de kandidaat-reservemilitairen.
  § 2. De reservemilitairen zijn :
  1° de reserveofficieren;
  2° de reserveonderofficieren;
  3° de reservevrijwilligers.
  § 3. De kandidaat-reservemilitairen zijn :
  1° de kandidaat-reserveofficieren;
  2° de kandidaat-reserveonderofficieren;
  3° [1 de kandidaat-reservevrijwilligers.]1

Artikel 3 Voor de toepassing van deze wet :
  1° wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen;
  2° (opgeheven) <W 2003-03-27/49, Art. 148, 003; En vigueur : 01-01-2004>

Artikel 4 Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :
  1° [2 de kandidaat-reservevrijwilliger : de persoon die een dienstneming heeft aangegaan om een vorming te volgen ten einde te kunnen worden toegelaten tot de personeelscategorie van de reservevrijwilligers;]2
  2° [2 de kandidaat-reserveofficier : de reservevrijwilliger of reserveonderofficier die aanvaard werd om een dienstneming aan te gaan om een vorming te volgen ten einde opgenomen te worden in de categorie van de reserveofficieren;]2
  3° [2 de kandidaat-reserveofficier : de persoon, reservevrijwilliger of niet, reserveonderofficier of niet, die een dienstneming of een wederdienstneming heeft aangegaan om een vorming te volgen ten einde te kunnen worden toegelaten tot de personeelscategorie van de reserveofficieren;]2
  4° [2 ...]2;
  5° de reservemilitair behorende tot de onmiddellijk beschikbare reserve : de reservemilitair die zich verbindt, bij middel van een aanvullende speciale dienstneming, om te voldoen aan de speciale wederoproepingen;
  6° crisistoestand : de periode in vredestijd zoals bepaald in artikel 3ter van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden;
  7° gewone wederoproeping : de wederoproeping die tot doel heeft de training van de reservemilitair te onderhouden;
  8° speciale wederoproeping : de wederoproeping van de reservemilitair behorende tot de onmiddellijk beschikbare reserve in het kader van de aanwending van de krijgsmacht;
  9° spoedwederoproeping in crisistoestand : de wederoproeping van de reservemilitair die plaatsgrijpt in crisistoestand;
  10° spoedwederoproeping in periode van oorlog : de wederoproeping van de reservemilitair die plaatsgrijpt in periode van oorlog;
  11° mobilisatiewederoproeping : de wederoproeping van de reservemilitair die plaatsgrijpt in oorlogstijd.

Artikel 5 De kandidaat-reservemilitair dient [3 uitsluitend]3 onder een stelsel van dienstnemingen [3 en van wederdienstnemingen ]3, de reservemilitair dient onder een stelsel van wederdienstnemingen. Deze stelsels gelden niet voor de militair bedoeld in de artikelen 10, 2°, 11, 2°, 12, 2° en 87.

Artikel 6Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet zijn alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de beroepsofficieren, de beroepsonderofficieren of de beroepsvrijwilligers toepasselijk op de reservemilitairen [4 ...]4, naargelang van de personeelscategorie waartoe zij behoren, [4 ...]4. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26735>
  [4 Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet zijn alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de kandidaat-militair van het actief kader toepasselijk op de kandidaat-reservemilitairen [5 , naargelang van de personeelscategorie waarvoor zij gevormd worden]5.]4
  [4 Tot aan de door Koning bepaalde datum, moeten evenwel onder " de wettelijke en reglementaire bepalingen " bedoeld in dit artikel verstaan worden, degene die van toepassing waren op de dag vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen zouden hebben ondergaan. Artikel 189 van voornoemde wet is echter toepasselijk op de militairen van het reservekader.]4
  [4 Tot aan de door Koning bepaalde datum, moeten evenwel onder "de wettelijke en reglementaire bepalingen" bedoeld in dit artikel verstaan worden, degene die van toepassing waren op de dag vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen zouden hebben ondergaan. Artikel 189 van voornoemde wet is evenwel toepasselijk op de militairen van het reservekader.]4

Hoofdstuk 2. De aanvaarding

Artikel 7 <W 2003-03-27/49, Art. 150, 003; En vigueur : 01-01-2004> Om als kandidaat-reservemilitair te worden aanvaard moet men voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 8 van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging.

Artikel 8 (eerste lid opgeheven) <W 2003-03-27/49, Art. 151, 003; En vigueur : 01-01-2004>
  (tweede lid opgeheven) <W 2003-03-27/49, Art. 151, 003; En vigueur : 01-01-2004>
  De Koning bepaalt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de wet door middel van een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximaal aantal [6 militairen van het reservekader]6 die tot de krijgsmacht mogen behoren.

Artikel 9 (opgeheven) <W 2003-03-27/49, Art. 151, 003; En vigueur : 01-01-2004>

Artikel 10 Naast de officieren die met toepassing van artikel 7 zijn aangeworven, worden tot de categorie van de reserveofficieren van de krijgsmacht toegelaten, met de graad die zij bezitten en met hun anciënniteit in die graad :
  1° op hun verzoek en voorzover de kaderbehoeften van de krijgsmacht het toelaten : de beroeps- of aanvullingsofficieren die [7 voor een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid]7 gepensioneerd zijn met toepassing van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen;
  2° van rechtswege voor een duur van tien jaar, zonder evenwel de maximale leeftijdsgrens bepaald in artikel 73, te overschrijden :
  a) de beroeps- of aanvullingsofficieren van wie het ontslag uit het ambt is aangenomen;
  b) de hulpofficieren [7 ...]7 van wie de dienstneming op aanvraag verbroken wordt of verstrijkt;
  c) de officieren korte termijn die met onbepaald verlof worden gezonden.
  (d) de officieren kapelmeesters van wie het ontslag uit het ambt is aangenomen.) <W 2003-03-27/49, Art. 152, 002; En vigueur : 01-11-2003>
  [8 e) de officieren EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel.]8

Artikel 11 Naast de onderofficieren die met toepassing van artikel 7 zijn aangeworven, worden tot de categorie van de reserveonderofficieren van de krijgsmacht toegelaten, met de graad die zij bezitten en met hun anciënniteit in die graad :
  1° op hun verzoek en voorzover de kaderbehoeften van de krijgsmacht het toelaten : de beroeps- of aanvullingsonderofficieren die [9 voor een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid]9 gepensioneerd zijn met toepassing van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen;
  2° van rechtswege voor een duur van tien jaar, zonder evenwel de maximale leeftijdsgrens bepaald in artikel 73, te overschrijden :
  a) de beroeps- of aanvullingsonderofficieren van wie het ontslag uit het ambt is aangenomen;
  b) de onderofficieren korte termijn die met onbepaald verlof worden gezonden.
  (c) de onderofficieren muzikanten van wie het ontslag uit het ambt is aangenomen.) <W 2003-03-27/49, Art. 153, 002; En vigueur : 01-11-2003>
  [10 d) de onderofficieren EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel.]10

Artikel 12 Naast de vrijwilligers die met toepassing van artikel 7 zijn aangeworven worden tot de categorie van de reservevrijwilligers van de krijgsmacht toegelaten, met de graad die zij bezitten en met hun anciënniteit in die graad :
  1° op hun verzoek en voorzover de kaderbehoeften van de krijgsmacht het toelaten : de beroeps- en aanvullingsvrijwilligers die [11 voor een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid]11 gepensioneerd zijn met toepassing van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen;
  2° van rechtswege voor een duur van tien jaar, zonder evenwel de maximale leeftijdsgrens bepaald in artikel 73, te overschrijden :
  a) de beroeps- of aanvullingsvrijwilligers van wie het ontslag uit het ambt is aangenomen;
  b) de vrijwilligers korte termijn die met onbepaald verlof worden gezonden.
  [12 c) de vrijwilligers EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel.]12

Hoofdstuk 3. De dienstnemingen en wederdienstnemingen

Artikel 13 [13 De dienstneming als kandidaat-reservemilitair wordt aangegaan voor een duur van vijf jaar.]13

Artikel 14 <Opgeheven bij W 2008-12-30/35, Art. 13, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

Artikel 15 [14 Voor het einde van de dienstneming en binnen de drie maanden die volgen op het slagen van de vorming kan de kandidaat-reserveofficier, -reserveonderofficier of -reservevrijwilliger een wederdienstneming in de hoedanigheid van respectievelijk reserveofficier, reserveonderofficier of reservevrijwilliger aangaan als hij, in voorkomend geval, voldoet aan de studievoorwaarden bepaald door de Koning om de hoedanigheid van reservemilitair te verwerven of aan de taalkennisvoorwaarden bedoeld in artikel 30, eerste lid, 4°. De voormelde studievoorwaarden dienen in overeenstemming te zijn met de academische en algemene vorming die noodzakelijk is voor de betrokken personeelscategorie en desgevallend voor het uitoefenen van de functie die aan de reservemilitair toevertrouwd zal worden.
   De kandidaat-reservemilitair die, in voorkomend geval, voor het einde van de dienstneming en binnen de drie maanden die volgen op het slagen van de vorming, nog niet aan de voormelde studievoorwaarden om de hoedanigheid van reservemilitair te verwerven of aan de taalkennisvoorwaarden voldoet, kan enkel een wederdienstneming in de hoedanigheid van reservemilitair aangaan op het ogenblik dat hij aan deze voorwaarden voldoet. Wanneer hij, op het einde van de dienstneming of de wederdienstneming in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair, nog altijd niet voldoet aan de voormelde studievoorwaarden en met een attest van regelmatige lesbijwoning bewijst dat hij zijn studies voortzet, kan hij opeenvolgende wederdienstnemingen van een jaar in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair aangaan zonder dat de duur van de dienstnemingen en wederdienstnemingen in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair op het ogenblik van het slagen in de vorming als kandidaat-reservemilitair evenwel de normale duur van de door betrokkene gevolgde burgervorming met meer dan twee jaar overschrijdt.
   Degene die niet één van de in het eerste en tweede lid bedoelde wederdienstnemingen aangaat, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair en wordt met definitief verlof gezonden voor zover zijn wederdienstneming als reserveonderofficier of reservevrijwilliger niet geschorst is.]14

Artikel 16 [15 Voor zover hij voldoet aan de aanvaardingsvoorwaarden bepaald in artikel 7, kan de reservevrijwilliger hetzij een dienstneming in de hoedanigheid van kandidaat-reserveonderofficier, hetzij in de hoedanigheid van kandidaat-reserveofficier aangaan. Hij behoudt de laatste graad in dewelke hij benoemd geweest is, tot hij in een hogere graad aangesteld wordt.
   Voor zover hij voldoet aan de aanvaardingsvoorwaarden bepaald in artikel 7, kan de reserveonderofficier een dienstneming in de hoedanigheid van kandidaat-reserveofficier aangaan.
   De duur van de dienstneming als kandidaat-reserveofficier of als kandidaat-reserveonderofficier bedraagt vijf jaar. De dienstneming gaat in door de ondertekening van de dienstnemingsakte de dag waarop de kandidaat zijn vorming begint en schorst elke lopende wederdienstneming. De op deze wijze geschorste wederdienstneming wordt terug van kracht in het geval van verlies van de hoedanigheid van kandidaat-reserveofficier of van kandidaat-reserveonderofficier. De duur van deze wederdienstneming wordt van rechtswege verlengd met de duur van de schorsing.]15

Artikel 17 <Opgeheven bij W 2008-12-30/35, Art. 16, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

Artikel 18 De Koning bepaalt de nadere regels voor het aangaan van een dienstneming [16 of wederdienstneming]16 als kandidaat-reservemilitair of een wederdienstneming als reservemilitair.
  De duur van de eerste wederdienstneming als reservemilitair wordt vastgelegd op tien jaar. Deze wederdienstneming kan worden hernieuwd voor periodes van vijf jaar zonder de leeftijdslimiet bepaald in artikel 73 te overschrijden.
  [16 Behalve in het geval van de schorsing bedoeld in artikel 16, derde lid, doet elke nieuwe dienstneming of wederdienstneming elke vroegere dienstneming of wederdienstneming van rechtswege en op zijn datum eindigen.]16

Artikel 19 § 1. De dienstneming of wederdienstneming wordt van rechtswege verbroken als gevolg van :
  1° het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair of van reservemilitair;
  2° (het verwerven van een hoedanigheid van kandidaat, in het actief kader,) <W 2003-03-27/49, Art. 155, 002; En vigueur : 01-11-2003>
  3° (het verlies van de nationaliteit dat voor gevolg heeft dat de militair geen burger meer is van een lidstaat van de Europese Unie, of de beslissing tot verwijdering van het grondgebied, tot uitzetting of tot terugwijzing, in toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.) <W 2003-03-27/49, Art. 155, 003; En vigueur : 01-01-2004>
  De dienstneming of wederdienstneming kan worden verbroken in de volgende gevallen :
  1° door reform;
  2° van ambtswege onder de voorwaarden en volgens de nadere uitvoeringsregels [17 van de artikelen 32 en 32bis]17;
  3° op verzoek van betrokkene onder de voorwaarden en volgens de nadere uitvoeringsregels van artikel 33;
  § 2. Elke lopende wederdienstneming eindigt van rechtswege wanneer de reservemilitair de leeftijdsgrens bepaald in artikel 73 bereikt.
  § 3. In periode van oorlog en in oorlogstijd worden de lopende dienstnemingen en wederdienstnemingen van rechtswege verlengd tot de dag door de minister van Landsverdediging vastgesteld en uiterlijk tot de dag bepaald voor het op vredesvoet brengen van het leger.

Hoofdstuk 4. De vorming

Artikel 20 [18 De vormingscyclus bestaat uit de volgende vormingsperiodes, die op hun beurt onderverdeeld kunnen worden in deelperiodes, fases en modules :
   1° een periode van opleiding, onderverdeeld in :
   a) een deelperiode militaire basisvorming, die uit een militaire initiatiefase bestaat;
   b) een deelperiode gespecialiseerde professionele vorming, die bestaat uit een fase gespecialiseerde militaire opleiding gevolgd door ofwel een fase gespecialiseerde professionele opleiding, ofwel een fase opleiding on the job;
   2° een evaluatieperiode.
   Tijdens de evaluatieperiode oefent de kandidaat een functie uit waarvoor hij een vorming gekregen heeft.]18

Artikel 21 [19 De bepalingen die gelden bij de beoordeling van de professionele hoedanigheden, de karakteriële hoedanigheden, de fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie en op medisch gebied en de morele hoedanigheden van de kandidaat-reservemilitair zijn dezelfde als deze die toepasselijk zijn op de kandidaat-militair van het actief kader.
   De beoordelingsmomenten zijn evenwel de volgende :
   1° voor de professionele hoedanigheden, op het einde van de militaire initiatiefase, op het einde van de periode van opleiding en op het einde van de evaluatieperiode;
   2° voor de fysieke hoedanigheden, op het einde van de periode van opleiding, in voorkomend geval, rekening houdende met een periode van minimum drie weken tussen de twee pogingen;
   3° voor de karakteriële hoedanigheden, op het einde van de periode van opleiding en op het einde van de evaluatieperiode.]19

Artikel 22 [20 De deelperiode militaire basisvorming moet, in voorkomend geval, voltooid zijn binnen de twaalf maanden die volgen op de ondertekening van de dienstnemingsakte in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair.
   De deelperiode gespecialiseerde professionele vorming moet voltooid zijn binnen de achtenveertig maanden die volgen op de ondertekening van de dienstnemingsakte in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair.
   De evaluatieperiode moet voltooid zijn binnen de zestig maanden die volgen op de ondertekening van de dienstnemingsakte in de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair.]20

Artikel 23 [21 De Koning bepaalt per personeelscategorie en per soort werving :
   1° de samenstelling en de duur van de deelperiodes en de fasen;
   2° de minimale duur van de evaluatieperiode;
   3° de vrijstellingen van vorming en de voorwaarden waaronder zij kunnen toegestaan worden.]21

Artikel 24 De kandidaat-reservemilitair kan ertoe verplicht worden zijn vorming geheel of gedeeltelijk te ontvangen in een militaire of burgerlijke instelling, in België of in het buitenland.

Artikel 25 [22 § 1. De kandidaat-reservemilitair wordt aangesteld in de graad van soldaat, zodra zijn dienstneming een aanvang neemt.
   § 2. Aangesteld kan worden gedurende de vorming :
   1° de kandidaat-reserveofficier van de normale werving of basis bijzondere werving : in de graad van sergeant en onderluitenant;
   2° de kandidaat-reserveofficier van de laterale bijzondere werving : in de graad van sergeant en kapitein;
   3° de kandidaat-reserveonderofficier : in de graad van korporaal en sergeant;
   4° de kandidaat-reservevrijwilliger : in de graad van eerste soldaat.
   De Koning bepaalt de voorwaarden voor het verlenen en het intrekken van de aanstellingen.
   § 3. De kandidaat die evenwel al in een hogere graad dan deze van de aanstelling benoemd is, behoudt deze graad tot op het ogenblik dat hij in een hogere graad aangesteld kan worden.]22

Artikel 26 [23 De kandidaat-reservemilitair die wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden geen toestemming krijgt om zijn vorming voort te zetten of die wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd, kan, op zijn verzoek, van de directeur-generaal human resources, in functie van de kaderbehoeften, de toestemming krijgen om gereclasseerd te worden in dezelfde hoedanigheid, in voorkomend geval, in een andere specifieke vormingscyclus, of, indien hij kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier is, gereclasseerd te worden als respectievelijk kandidaat-reserveonderofficier of kandidaat-reservevrijwilliger. Hij ondertekent in voorkomend geval een nieuwe dienstnemingakte in deze nieuwe hoedanigheid. De reclassering is slechts één maal mogelijk en is niet mogelijk in geval van onvoldoende beoordeling voor het geheel van de militaire initiatiefase.
   De kandidaat-reservemilitair, die het vereiste diploma voor de personeelscategorie waarvoor hij gevormd is, niet behaald heeft, kan op zijn verzoek, van de directeur-generaal human resources de toestemming krijgen om, indien hij kandidaat-reserveofficier of kandidaatreserveonderofficier is, gereclasseerd te worden als respectievelijk kandidaat-reserveonderofficier of kandidaat-reservevrijwilliger. Hij ondertekent in voorkomend geval een nieuwe dienstnemingakte in deze nieuwe hoedanigheid.]23

Artikel 27 De vorming van de kandidaat-reservemilitair neemt een einde in de volgende gevallen :
  1° door het slagen in de (voorziene) vorming; <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26735>
  2° door het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, verliest de kandidaat-reservemilitair de graad waarin hij is aangesteld.

Artikel 28 De hoedanigheid van kandidaat-reservemilitair is van [24 rechtswege ontnomen, door de overheid die de Koning aanwijst]24 :
  1° wanneer de kandidaat-reservemilitair als definitief mislukt beschouwd wordt volgens de regels bedoeld in [24 artikel 21]24 :
  a) omdat hij niet de vereiste professionele hoedanigheden bezit, of, hetzij niet kan, hetzij niet wenst [24 gereclasseerd te worden]24;
  b) omdat hij niet de vereiste karakteriële hoedanigheden bezit;
  c) omdat hij niet de vereiste fysieke hoedanigheden inzake de fysieke conditie bezit;
  2° wanneer de kandidaat-reservemilitair niet meer voldoet aan de eisen die op medisch gebied gesteld worden en zijn vorming niet meer kan voortzetten volgens de voorwaarden die de Koning bepaalt;
  3° wanneer de kandidaat-reservemilitair de vereiste morele hoedanigheden niet meer bezit volgens de regels bedoeld in [24 artikel 21]24;
  4° wanneer de kandidaat-reservemilitair op zijn verzoek de verbreking van zijn dienstneming verkrijgt;
  5° [24 wanneer de kandidaat wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd en hetzij niet kan, hetzij niet wenst gereclasseerd te worden;]24
  6° [24 wanneer de kandidaat-reservemilitair niet in de voorziene vorming slaagt binnen de termijnen bepaald in artikel 22;]24
  7° wanneer de dienstneming [24 of de wederdienstneming]24 van ambtswege wordt verbroken.

Hoofdstuk 5. De graad

Artikel 29 De graad vormt de staat van reserveofficier, reserveonderofficier of reservevrijwilliger van de krijgsmacht.
  De graden van de reserveofficieren worden door de Koning verleend. Deze graden zijn dezelfde als die van de beroepsofficieren.
  De graden van de reserveonderofficieren en de reservevrijwilligers worden door de Minister van Landsverdediging verleend. Deze graden zijn dezelfde als die van de beroepsonderofficieren en beroepsvrijwilligers.

Artikel 30 [25 Om in één van de volgende graden van reservemilitair benoemd te worden, moet men, op 31 december van het benoemingsjaar :
   1° a) voor de graad van onderluitenant, ten minste negentien jaar oud zijn en de leeftijd van eenenveertig jaar niet overschreden hebben;
   b) voor de graad van majoor van de reservemilitair van de laterale bijzondere werving, ten minste vierendertig jaar oud zijn en de leeftijd van vijfenvijftig jaar niet overschreden hebben;
   c) voor de graad van sergeant, de leeftijd van eenenveertig jaar niet overschreden hebben;
   d) voor de graad van eerste soldaat, de leeftijd van dertig jaar niet overschreden hebben;
   2° de gevolgde vormingscyclus met succes beëindigd hebben;
   3° voldoen aan de geschiktheidsvoorwaarden die de Koning per personeelscategorie kan vaststellen;
   4° bovendien, voor de officieren van de laterale bijzondere werving, geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of over de grondige kennis van de taal beschikken in de zin van artikel 7 van dezelfde wet.
   De benoeming in de graden van onderluitenant, majoor, sergeant of eerste soldaat, naargelang het geval, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de wederdienstnemingsakte in de hoedanigheid van reserveofficier, van reserveonderofficier of van reservevrijwilliger bedoeld in artikel 15 ondertekend wordt.]25

Artikel 31 De bij het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie voorgeschreven eed wordt afgelegd in de handen van zijn korpscommandant door de reserveofficier die de graad van onderluitenant bekomt [26 , door de reserveofficier van de laterale bijzondere werving die de graad van majoor bekomt]26, door de reserveonderofficier die de graad van sergeant, bekomt, door de reservevrijwilliger die de graad van eerste soldaat bekomt.

Artikel 32 § 1. De reservemilitair kan van ambtswege ontslagen worden :
  1° indien hij zich aan ernstige, met zijn staat niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt;
  2° indien tijdens zijn prestaties beroepsongeschiktheid gebleken is.
  § 2. Voor de reserveofficieren, wordt de maatregel door de Koning genomen op het gemotiveerde verslag van de Minister van Landsverdediging.
  Voor de reserveonderofficieren en de reservevrijwilligers wordt de maatregel uitgesproken door de Minister van Landsverdediging bij een gemotiveerde beslissing.
  § 3. In het geval bepaald in § 1, eerste lid, 1°, wordt de maatregel genomen na raadpleging van een onderzoeksraad.
  De onderzoeksraad gaat na of de feiten vaststaan en brengt advies uit over de ernst ervan.
  De regels inzake de samenstelling van de onderzoeksraad en de procedure voor deze raad toepasselijk op de militairen van het actief kader zijn toepasselijk, desgevallend per personeelscategorie, op de reservemilitairen.
  In het geval bepaald in § 1, eerste lid, 2°, wordt de maatregel genomen op voorstel van de hiërarchische meerderen.

Artikel 32BIS <Ingevoegd bij W 2003-03-27/49, Art. 158; En vigueur : 01-11-2003> De reservemilitair wordt van ambtswege uit zijn ambt ontzet zonder de tussenkomst van een onderzoeksraad indien hij zonder uitstel veroordeeld wordt tot de, zelfs tijdelijke, ontzetting uit één van de rechten bedoeld in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek.

Artikel 33 § 1. De reservemilitair kan schriftelijk zijn ontslag aanbieden. Dit ontslag heeft eerst uitwerking wanneer de Koning of de overheid die Hij aanduidt het heeft aanvaard.
  De Koning of de overheid die Hij aanduidt, kan het ontslag weigeren indien Hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.
  § 2. De voormalige reservemilitair wiens wederdienstneming verbroken werd overeenkomstig de bepalingen van artikel 19, § 1, eerste lid, 2°, (wordt, in het geval van mislukking in zijn vorming als kandidaat,) opnieuw in het kader van de reservemilitairen opgenomen onder de voorwaarden die de Koning bepaalt. Hem wordt de anciënniteit in de graad verleend die hij zou verworven hebben indien hij het reservekader niet had verlaten. <W 2003-03-27/49, Art. 159, 002; En vigueur : 01-11-2003>
  Wanneer de voornoemde voorwaarden niet zijn voldaan wordt de weigering tot wederopneming uitgesproken voor de reserveofficieren door de Koning en voor de reserveonderofficieren en de reservevrijwilligers door de Minister van Landsverdediging.
  § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet toepasselijk op de voormalige reserveofficier wiens wederdienstneming verbroken werd omdat hij een dienstneming aangegaan heeft in de hoedanigheid van :
  1° kandidaat-onderofficer of kandidaat-vrijwilliger van het actief kader;
  2° kandidaat-onderofficier of kandidaat-vrijwilliger korte termijn.
  (3° kandidaat-onderofficier muzikant.) <W 2003-03-27/49, Art. 159, 002; En vigueur : 01-11-2003>
  De bepalingen van § 2 zijn niet toepasselijk op de voormalige reserveonderofficier wiens wederdienstneming verbroken werd omdat hij een dienstneming aangegaan heeft in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger van het (actief kader of) kandidaat-vrijwilliger korte termijn. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>
  § 4. De reserveofficier of de reserveonderofficier komende uit de categorie van de officieren of onderofficieren korte termijn, die ontslag verkrijgt voor het einde van de periode van tien jaar bedoeld in artikel 10 of artikel 11, wordt tot het verstrijken van die termijn overgeplaatst naar de categorie van de reservevrijwilligers met de graad van eerste soldaat.

Hoofdstuk 6. De wederoproepingen en de bijkomende prestaties

Artikel 34 § 1. De reservemilitairen met onbepaald verlof kunnen onderworpen worden aan de volgende wederoproepingen :
  1° gewone wederoproepingen die ten hoogste mogen bedragen :
  a) tien dagen per jaar voor de reserveofficieren en de reserveonderofficieren;
  b) zeven dagen per jaar voor de reservevrijwilligers;
  2° spoedwederoproepingen in crisistoestand;
  3° spoedwederoproepingen in periode van oorlog;
  4° mobilisatiewederoproepingen.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de Minister van Landsverdediging, op voorstel van de [27 chef defensie]27 staf, eenheden, organismen of delen ervan behorend tot de krijgsmacht op vredesvoet, aanduiden waarbij de reservemilitair die er op vrijwillige basis deel van uitmaakt, onderworpen kan worden aan maximum zeven dagen bijkomende gewone wederoproeping per jaar. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 1°, is dit lid niet toepasselijk op de militair die behoort tot de onmiddellijk beschikbare reserve.
  § 2. De gewone wederoproepingen bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, kunnen per twee of drie jaar gegroepeerd worden.

Artikel 35 De spoedwederoproepingen in crisistoestand bepaald in artikel 4, 9°, en vereist in het kader van de nationale of internationale hulpverlening of de operationele inzet, worden door de regering (onmiddellijk) ter kennis gebracht van de Kamer van volksvertegenwoordigers. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>

Artikel 36 De minister van Landsverdediging treft de maatregelen die nodig zijn om de spoedige en regelmatige wederoproeping van de militairen met onbepaald verlof te verzekeren.
  Hij kan wederoproepingsuitstel bij mobilisatie verlenen wanneer hij oordeelt dat de aanwezigheid van de betrokkenen in een dienst of betrekking buiten het leger van belang voor het land wordt geacht.

Artikel 37 De Minister van Landsverdediging of de overheid die hij aanduidt, is er toe bevoegd, bij gemotiveerde beslissing, de militairen met onbepaald verlof te verbieden het land zonder machtiging te verlaten in de volgende omstandigheden :
  1° in crisistoestand;
  2° in periode van oorlog;
  3° in oorlogstijd.
  De reservemilitair die voor een duur van meer dan drie maanden het land verlaat, dient de militaire overheid te verwittigen.

Artikel 38 <W 2005-07-16/31, Art. 75, 004; En vigueur : 10-08-2005> De militair van het reservekader, met uitzondering van de kandidaat-reservemilitair [28 militaire]28 in basisvorming, kan, op verzoek of met het goedvinden van de Koning of de overheid die Hij aanduidt, bijkomende prestaties verrichten. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze prestaties kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 39 Voor specifieke opdrachten waarvoor een of meer militairen van het actief kader niet kunnen gevonden worden die over de specifieke bekwaamheden beschikken, kan de Minister van Landsverdediging beroep doen op reservemilitairen.
  Een dergelijke opdracht mag de twaalf maanden niet overschrijden.

Hoofdstuk 7. De stand

Artikel 40 De Koning bepaalt hoelang de [29 militair van het reservekader]29, in werkelijke dienst, om gezondheidsredenen afwezig mag zijn. Bij het einde van deze periode en voor zover de belanghebbende ondertussen niet op reform werd gesteld, moet de [29 militair van het reservekader]29 met onbepaald verlof gezonden worden indien zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat de dienst ter hervatten.

Artikel 41 De [30 militair van het reservekader]30 in dienst kan slechts in de volgende gevallen tijdelijk uit zijn ambt ontheven worden :
  1° om gezondheidsredenen;
  2° bij tuchtmaatregel;
  3° met toepassing van de artikelen 44, vierde lid, en 45, tweede lid.

Artikel 42 Gedurende de in artikel 40 bedoelde tijd kan de Minister van Landsverdediging de [31 militair van het reservekader]31 die, volgens het advies van een geneeskundige commissie, niet in staat is om de dienst te hervatten, tijdelijk uit zijn ambt ontheffen om gezondheidsredenen.

Artikel 43 De [32 militair van het reservekader]32 in dienst kan door de Minister van Landsverdediging voor een bepaalde tijd bij tuchtmaatregel van zijn ambt ontheven worden.

Artikel 44 Wanneer de Minister van Landsverdediging oordeelt dat de aanwezigheid van een [33 militair van het reservekader]33 in de (krijgsmacht) de tucht of de goede naam van het leger aantast, kan hij, bij ordemaatregel, deze [33 militair van het reservekader]33 voor ten hoogste drie maanden schorsen. Hij kan zo nodig de schorsing met drie maanden verlengen bij een gemotiveerde beslissing. Wanneer een rechtsvordering ingesteld wordt wegens de feiten die aan de schorsing ten grondslag liggen, moet deze laatste uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering een einde nemen; in de andere gevallen mag haar duur twee jaar niet overtreffen. <W 2003-03-27/49, Art. 160, 003; En vigueur : 01-01-2004>
  Indien geen (sanctie, die) het uittreden uit het reservekader tot gevolg heeft, wordt uitgesproken [33 , worden de wederoproepingen of de prestaties gedurende de periode van schorsing omgezet in periodes van werkelijke dienst]33. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>
  Wanneer de ambtsontheffing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken zonder dat ze voor de hele schorsingstijd geldt, [33 , worden de wederoproepingen of de prestaties gedurende de aanvullende periode omgezet in periodes van werkelijke dienst]33.
  Wanneer ontslag van ambtswege of militaire degradatie wordt uitgesproken of wanneer de [33 militair van het reservekader]33 door een zonder uitstel uitgesproken veroordeling (ontzet) is van een van de in artikel 31, 1° of 6°, van het Strafwetboek genoemde rechten, wordt de schorsing omgezet in non-activiteit. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>

Artikel 45 Wanneer een in dienst zijnde [34 militair van het reservekader]34 gescheiden is van het leger, hetzij tengevolge van oorlogsomstandigheden, hetzij door uitzonderlijke omstandigheden die niet aan hem te wijten zijn, wordt elke bepaling betreffende het uittreden uit het reservekader te zijnen opzichte geschorst gedurende zijn afwezigheid.
  Wanneer de periode van afwezigheid ten einde is, wordt ze geheel of ten dele in ambtsontheffing omgezet, indien de aan de afwezigheid ten grondslag liggende feiten of het gedrag van de reservemilitair gedurende de afwezigheid, met zijn staat van reservemilitair niet overeen te brengen zijn. De maatregel wordt genomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 32.
  De datum met ingang waarvan de van het leger gescheiden reservemilitair als met onbepaald verlof moet worden beschouwd, wordt door de Minister van Landsverdediging bepaald.

Artikel 46 De volgende statutaire maatregelen kunnen uitgesproken worden ten opzichte van de [35 militair van het reservekader]35 :
  1° de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel;
  2° het ontslag van ambtswege, bedoeld in [35 de artikelen 32 en 32bis]35.
  Deze statutaire maatregelen kunnen uitgesproken worden voor dezelfde feiten waarvoor reeds een tuchtstraf zoals bepaald in artikel 22 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht, werd opgelegd.

Hoofdstuk 8. De korpsen en de specialiteiten

Artikel 47 De aanwijzing van de reservemilitairen wordt geregeld door de minister van Landsverdediging of door de door hem aangewezen overheid, volgens de kaderbehoeften van de krijgsmacht.

Artikel 48 De reserveofficieren en reserveonderofficieren worden ingedeeld in één van de door de Koning bepaalde korpsen.
  Bovendien, in sommige korpsen, worden de reserveofficieren en reserveonderofficieren ingedeeld in één van de door de Koning bepaalde specialiteiten.

Artikel 49 De artikelen 27bis, 28, 29, eerste lid, 30, 31 en 32 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de krijgsmacht, zijn van toepassing op de reserveofficieren.

Artikel 50 In uitzonderingsgevallen, waarover verslag moet uitgebracht worden, kan de Koning, ten voorlopige titel, een reserveofficier aanstellen om het ambt van een hogere graad uit te oefenen.
  Het besluit van aanstelling en het verslag aan de Koning worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  De gevolgen van de aanstelling worden door de Koning bepaald. Nochtans komt, voor de toepassing van deze wet, alleen de graad waarin de reserveofficier benoemd is, in aanmerking.

Artikel 51 De artikelen 3bis, 4, 5, 6 en 7 van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, zijn toepasselijk op de reserveonderofficieren.

Artikel 52 Wanneer de kaderbehoeften het vereisen, kan de minister van Landsverdediging een reserveonderofficier, ten voorlopige titel, aanstellen om het ambt van een hogere graad uit te oefenen. De gevolgen van de aanstelling worden door de Koning bepaald. Nochtans komt, voor de toepassing van deze wet, alleen de graad waarin de reserveonderofficier benoemd is, in aanmerking.

Artikel 53 De reservemilitairen die deelnemen aan de luchtdienst, maken deel uit van één van de categorieën van het varend personeel van hun krijgsmachtdeel die de Koning bepaalt, onder de voorwaarden en volgens de procedure die Hij bepaalt.
  De reservemilitairen worden uit deze categorieën geschorst of geschrapt volgens de regels en de procedure die geldig zijn voor de militairen van het actief kader.

Hoofdstuk 9. De anciënniteit voor de bevordering in graad en de bevordering in graad

Artikel 54 De anciënniteit van de reservemilitair voor de bevordering in graad wordt vastgesteld volgens de regels die geldig zijn voor de militairen van het actief kader.

Artikel 55 De Koning regelt de bevordering van de reservemilitairen overeenkomstig de in dit hoofdstuk neergelegde beginselen.

Artikel 56In de krijgsmacht heeft de bevordering van de reserveofficieren en -onderofficieren plaats in het korps of, in voorkomend geval, in de specialiteit waarvoor zij zijn aangewezen.
  [36 ...]36

Artikel 57 De bevordering van de reservemilitairen is onderscheiden van de bevordering van de militairen van het actief kader. De reservemilitair moet de gewone wederoproepingen verricht hebben en, desgevallend, de bijkomende gewone wederoproepingen bedoeld in artikel 34, § 1, tweede lid, of 71, eerste lid, 1°, voorzien voor zijn personeelscategorie.
  Hij moet eveneens de bijkomende prestaties verricht hebben die de bevordering betreffen, die de Koning bepaalt voor zijn personeelscategorie, zonder dat de gezamenlijke duur ervan meer dan zestig dagen mag bedragen per promotie.

Artikel 58 § 1. De graden van lager reserveofficier, van lager reserveonderofficier [37 , van adjudant en van reservevrijwilliger, met uitzondering van die van korporaal-chef,]37 worden naar anciënniteit verleend aan de reservemilitairen die aan de in deze wet bepaalde voorwaarden voldoen.
  Evenwel kan de reservemilitair, wiens wijze van dienen onvoldoende geacht wordt of die niet geschikt bevonden wordt voor de uitoefening van de functies van de hogere graad, voorbijgegaan worden in de bevordering.
  De geschiktheid en de wijze van dienen worden beoordeeld door de Minister van Landsverdediging na gemotiveerd advies van de hiërarchische meerderen.
  Geen enkel ongunstig advies mag aan de minister van Landsverdediging worden toegezonden zonder dat de reservemilitair binnen een termijn van tien werkdagen, zijn verweer heeft kunnen doen gelden. Evenwel wordt voor het eerste ongunstig advies deze termijn op dertig werkdagen gebracht indien de reservemilitair, overeenkomstig de bepalingen van artikel 37, tweede lid, de militaire overheid van zijn verblijf in het buitenland heeft verwittigd.
  § 2. De kandidatuur van de reservemilitair die voorbijgegaan werd in de bevordering wordt opnieuw onderzocht binnen een termijn van vijf jaar sinds het eerste onderzoek. De reservemilitair die niet bevorderd werd na dit tweede onderzoek neemt niet meer deel aan de bevordering.

Artikel 59In de reserve worden de graden [38 ...]38 van hoofdofficier naar keuze van de Koning verleend, volgens de regels toepasselijk op de beroepsofficieren, op basis van het advies van een bevorderingscomité dat rekening houdt met de titels en de verdiensten van de kandidaten.

Artikel 60Om in de reserve tot de graden van kapitein, majoor, [39 luitenant-kolonel en kolonel]39 te kunnen worden bevorderd, moet de reserveofficier voor beroepsproeven slagen. De Koning of de overheid die
  [40 De reserveofficieren van de laterale bijzondere werving worden evenwel vrijgesteld van de beroepsproeven voor de graden van kapitein en majoor.]40
  Hij aanduidt, bepaalt het programma van deze proeven.
  Reserveofficieren die uit het kader van de beroepsofficieren komen zijn vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot de graad van majoor waaraan zij voldaan hebben of waarvan zij vrijgesteld waren als kandidaat-beroepsmajoor. Hetzelfde geldt voor wat betreft de taalexamens.
  [39 De officier bekleed met de graden van respectievelijk luitenant, majoor of luitenant-kolonel die met deze graad in de reserve toegelaten wordt met toepassing van artikel 10, wordt geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot de graden van respectievelijk kapitein, luitenant-kolonel of kolonel.]39
  De hoofdofficier bekleed met de graad van respectievelijk majoor, luitenant-kolonel of kolonel die met deze graad in de reserve toegelaten wordt met toepassing van artikel 10, 1°, wordt geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot de graden van respectievelijk luitenant-kolonel, kolonel of generaal-majoor.
  [41 De reserveofficier die houder is van het hogere stafbrevet of van het brevet van militair administrateur of van het hogere brevet van militair administrateur wordt volledig vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot de graden van luitenant-kolonel, kolonel en generaal-majoor.]41

Artikel 61 Om in de reserve tot de graad van eerste sergeant-majoor te kunnen worden bevorderd, moet de reserveonderofficier voor beroepsproeven slagen. De Koning of de overheid die Hij aanduidt, bepaalt het programma van deze proeven.
  De reserveonderofficier die uit het kader van de beroepsonderofficieren komt, kan van deze proeven vrijgesteld worden indien hij reeds met succes een gelijkwaardige vorming heeft gevolgd. [42 De Koning bepaalt de gelijkwaardige vormingen.]42

Artikel 62 Niemand kan tot de graad van adjudant-chef in het reservekader worden benoemd indien hij niet geslaagd is voor [43 de beroepsproeven]43, volgens de regels toepasselijk op de beroepsonderofficieren. [43 De Koning of de overheid die Hij aanduidt, bepaalt het programma van deze proeven.]43
  De reserveonderofficier die uit het kader van de beroepsonderofficieren komt en geslaagd is voor het kwalificatie-examen bedoeld in artikel 39 van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, kan onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden in het reservekader worden bevorderd tot de graad van adjudant-chef.

Artikel 63 In de reserve worden de graden van (hoofdonderofficier) naar keuze van de Minister van Landsverdediging verleend, volgens de regels toepasselijk op de beroepsonderofficieren, op basis van het advies van een bevorderingscomité dat rekening houdt met de titels en de verdiensten van de kandidaten. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>

Artikel 63BIS
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, Art. 338, 009; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, Art. 1, 1°>

Artikel 64 De reservemilitair kan niet bevorderd worden tot een hogere graad wanneer hij hetzij in non-activiteit, hetzij geschorst bij ordemaatregel, hetzij gescheiden van het leger is.
  De reservemilitair bedoeld in het eerste lid kan, op het ogenblik dat hij terug in werkelijke dienst of met onbepaald verlof geplaatst wordt, met terugwerkende kracht bevorderd worden onder de voorwaarden die gelden voor de militairen van het actief kader.

Artikel 65 De reservemilitair kan niet tot de hogere graad benoemd worden indien hij wegens zijn leeftijd niet gedurende ten minste één jaar in zijn nieuwe graad kan dienen.

Artikel 65BIS [44 Elk reservemilitair kan op elk ogenblik van bevordering afzien. Deze verzaking is onherroepelijk.]44

Hoofdstuk IX/1. [45 De voortgezette vorming]45
Artikel 65TER [46 De reservemilitair kan zich kandidaat stellen voor de bevorderingsprestaties ter voorbereiding van de beroepsproeven bedoeld, naargelang het geval, in de artikelen 60, 61, 62 en 63bis.
   De Koning bepaalt de deelnemings-, uitstel- en uitsluitingsvoorwaarden voor deze bevorderingsprestaties.
   De reservemilitair kan op ieder moment, zelfs nadat hij werd aanvaard, verzaken om bevorderingsprestaties aan te vangen of verder te zetten. Deze verzaking is onherroepelijk.]46

Artikel 65QUATER [47 De reserveofficier die voldoet aan de toekenningsvoorwaarden bepaald door de Koning, kan het hogere stafbrevet of het hogere brevet van militair administrateur behalen.]47

Hoofdstuk 10. Het krijgstuchtelijk stelsel

Artikel 66 [48Wanneer hij in dienst is, is de militair van het reservekader onderworpen aan het krijgstuchtelijk stelsel van de beroepsmilitairen. Wanneer hij in onbepaald verlof is, wordt de militair van het reservekader onderworpen aan het krijgstuchtelijk stelsel van de beroepsmilitairen wanneer er een verband met zijn hoedanigheid van militair van het reservekader kan vastgesteld worden. De tuchtrechtspleging wordt schriftelijk gevoerd voor de militair van het reservekader met onbepaald verlof.]48

Artikel 67 De [49 militair van het reservekader]49 in dienst is onderworpen aan de militaire strafwetten. De reservemilitair met onbepaald verlof is slechts onderworpen aan de bepalingen van de militaire strafwetten die gelden voor de militairen met onbepaald verlof.

Artikel 68 Onder de omstandigheden die de Koning bepaalt, mag de [50 militair van het reservekader]50 zonder machtiging vanwege de minister van Landsverdediging geen melding van zijn hoedanigheid maken.

Artikel 68/1 [51 Onder voorbehoud van de toepassing van andere wetten die de uitoefening van politieke activiteiten en mandaten beheersen, zijn de militairen van het reservekader gerechtigd alle politieke activiteiten en mandaten uit te oefenen, voor zover de dienst het toelaat en dat zij plaats hebben buiten de perioden waarin prestaties in de schoot van de Krijgsmacht worden geleverd.]51

Hoofdstuk 11. De onmiddellijk beschikbare reserve

Artikel 69 De Minister van Landsverdediging bepaalt op voorstel van de (chef defensie), overeenkomstig de regels bepaald door de Koning, het aantal reservemilitairen die jaarlijks kunnen worden aanvaard om een aanvullende speciale dienstneming voor de onmiddellijk beschikbare reserve te ondertekenen. <W 2003-03-27/49, Art. 161, 003; En vigueur : 01-01-2004>

Artikel 70 Om een aanvullende speciale dienstneming te kunnen ondertekenen, moet de reservemilitair voldoen aan de specifieke voorwaarden inzake gevolgde vorming, training en beschikbaarheid.
  De speciale dienstneming wordt aangegaan voor een duur van een jaar en kan worden hernieuwd voor opeenvolgende periodes van een jaar. Deze dienstneming schorst de lopende dienstneming niet. Tijdens de duur van deze dienstneming en van de eventuele verlenging ervan bedoeld in artikel 71, tweede lid, is het de reservemilitair niet toegestaan een dienstneming (aan te gaan) bedoeld in artikel 16. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>

Artikel 71 Naast de wederoproepingen bepaald in artikel 34, § 1, eerste lid, kan de reservemilitair behorende tot de onmiddellijk beschikbare reserve onderworpen worden aan :
  1° maximum zeven dagen bijkomende gewone wederoproeping per jaar;
  2° de speciale wederoproeping die ten hoogste negen ononderbroken maanden mag bedragen en per speciale dienstneming slechts (éénmaal) kan worden opgelegd. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>
  De duur van de speciale wederoproeping bedoeld in het eerste lid, 2°, mag de termijn van de speciale dienstneming overschrijden. Deze dienstneming is in dit geval van rechtswege verlengd tot op het einde van de speciale wederoproeping. De hernieuwing bedoeld in artikel 70, tweede lid, gebeurt slechts na afloop van deze verlenging.

Hoofdstuk 12. Het uittreden uit het reservekader

Artikel 72De reservemilitair houdt op tot het reservekader te behoren :
  1° door ontslag van ambtswege of door ontslag op zijn verzoek bij toepassing van de artikelen 32 [52 , 32bis]52 en 33;
  2° door het bereiken van de leeftijdsgrens;
  3° door het vroegtijdig met definitief verlof zenden wanneer er teveel reservemilitairen zijn;
  4° door reform;
  5° (door het verlies van de nationaliteit dat voor gevolg heeft dat de militair geen burger meer is van een lidstaat van de Europese Unie, of de beslissing tot verwijdering van het grondgebied, tot uitzetting of tot terugwijzing, in toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.) <W 2005-07-16/31, Art. 76, 004; En vigueur : 10-08-2005>
  [53 6° door het verstrijken van zijn dienstneming of wederdienstneming, indien hij geen nieuwe wederdienstneming aangaat en geen geschorste wederdienstneming heeft.]53
  De reservemilitair die het reservekader verlaten heeft bij toepassing van het eerste lid, 2°, 3° en 4°, behoudt zijn graad eershalve.
  De minister van Landsverdediging kan hem deze eregraad ontnemen indien hij zich onwaardig getoond heeft hem te behouden.

Artikel 73De reservemilitairen houden op tot het reservekader te behoren op 31 december van het jaar waarvan zij de leeftijd van zestig jaar bereikt hebben.
  [54 Wanneer de kaderbehoeften het vereisen, kan de minister van Landsverdediging evenwel een reservemilitair toelaten in het reservekader te blijven of er opnieuw in opgenomen te worden boven de in het eerste lid bepaalde leeftijd, met het oog op het verrichten van wederoproepingen bedoeld in artikel 4, 7° tot 11°, of prestaties bedoeld in artikel 38, voor zover de duur ervan op jaarbasis minder dan twee maanden bedraagt. Deze reservemilitair kan niet meer bevorderd worden tot een hogere graad. Deze reservemilitair ondertekent hiertoe een speciale wederdienstneming. De speciale wederdienstneming wordt aangegaan ofwel voor een duur van een jaar, die kan worden hernieuwd voor opeenvolgende periodes van een jaar, ofwel voor het uitoefenen van een mandaat waarmee de reservemilitair belast wordt door de minister van Landsverdediging.]54
  [55 Elke wederdienstneming eindigt van rechtswege op 31 december van het jaar waarin de reservemilitair de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, tenzij de kaderbehoeften of bepaalde omstandigheden een overschrijding van deze leeftijdsgrens vereisen en voor zover de reservemilitair akkoord gaat met een verlenging van de wederdienstneming.]55
  [55 Desgevallend, op aanvraag van de militair, wordt de lopende dienstneming of wederdienstneming verlengd, of kan een nieuwe dienst- of wederdienstneming worden aangegaan.]55

Artikel 74 De Koning stelt de reserveofficier, en de Minister van Landsverdediging de reserveonderofficier of reservevrijwilliger, op reform die, naar het advies van een geneeskundige commissie, definitief buiten staat zijn om te dienen.

Hoofdstuk 13. Diverse bepalingen

Artikel 75 Het artikel 12bis van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de krijgsmacht is van toepassing op de reserveofficieren.
  Het artikel 15bis van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht is van toepassing op de reserveonderofficieren.
  Het artikel 9bis van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut der vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht is van toepassing op de reservevrijwilligers.

Artikel 76 Wanneer het leger gemobiliseerd is, kan de Koning afwijken van de bepalingen van de artikelen 7, [56 10, 11 en 12]56, 58 en 65.

Artikel 77 [57 De besturen en de regies van de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten alsook de concessiehouders van openbare diensten en de door deze besturen gesubsidieerde instellingen of die er van afhangen, moeten aan hun personeelsleden die militairen van het reservekader zijn de voor het verrichten van militaire prestaties vereiste verloven toestaan, zowel met het oog op hun opleiding als met het oog op hun bevordering. Die verloven worden niet in mindering gebracht van de verloven die belanghebbenden normaal kunnen genieten.
   De Koning kan voor sommige personeelsleden het aantal toegestane verlofdagen beperken, zonder echter te mogen gaan onder het aantal dagen, noodzakelijk om aan de reservemilitair toe te laten om zich in de getrainde reserve te kunnen handhaven.]57

Hoofdstuk 14. Wijzigingsen opheffingsbepalingen

Artikel 77BIS <Ingevoegd bij W 2003-03-27/49, Art. 162; En vigueur : 01-11-2003> De wet van 26 maart 1937 waarbij de onderscheidene besturen van den Staat, van de provinciën, gemeenten en verenigingen van gemeenten verplicht worden aan hun beambten, reserve-officieren, faciliteiten toe te staan om hun de gelegenheid te geven de prestaties te volbrengen welke hun, als reserve-officier, worden opgelegd, wordt opgeheven.

Artikel 78 Het opschrift van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren en de reserveofficieren van de krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 27 december 1973, 13 juli 1976 en 22 maart 2001, wordt vervangen door het volgende opschrift :
  " Wet betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht ".

Artikel 79 De artikelen 54 tot 95 van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1960, 18 februari 1987, 22 december 1989, 21 december 1990, 20 mei 1994 en 22 maart 2001, worden opgeheven.

Artikel 80 In artikel 97 van dezelfde wet worden de woorden " , 54, 5° en 7°, 77, 80 en 92, lid 2 " geschrapt.

Artikel 81 De wet van 18 februari 1987 betreffende het statuut van de reserveonderofficieren van de krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 21 december 1990, 20 mei 1994 en 22 maart 2001, wordt opgeheven.

Artikel 82 Hoofdstuk VII van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, dat het artikel 31 bevat, wordt opgeheven.

Artikel 83 In de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden, wordt een artikel 3ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 3ter. De reservemilitair kan zich in crisistoestand in periode van vrede bevinden.
  De crisistoestand begint en eindigt op de tijdstippen die worden vastgelegd bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wanneer de krijgsmacht enkel samengesteld uit de militairen van het actief kader en de reservemilitairen behorende tot de onmiddellijk beschikbare reserve, er niet meer in slaagt om zijn opdrachten in het kader van operationele inzet of hulpverlening uit te voeren. ".

Artikel 84 Artikel 21, 3°, van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn wordt opgeheven.

Artikel 85 Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 22. De militair korte termijn die met onbepaald verlof gezonden wordt, gaat over naar het reservekader, in zijn personeelscategorie.
  Hij wordt benoemd in de laatste graad die hij bij wege van aanstelling verkregen heeft en verkrijgt in die graad de anciënniteit bepaald door de Koning. ".

Artikel 86 Artikel 23 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 23. De met onbepaald verlof gezonden militair korte termijn wordt gedurende tien jaar onderworpen aan de wederoproepingen bepaald in artikel 34 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht. ".

Artikel 86BIS <Ingevoegd bij W 2003-03-27/49, Art. 163; En vigueur : 01-11-2003> Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, wordt vervangen als volgt :
  " 4° die behoren tot het reservekader van de krijgsmacht en die een periode van vorming, een wederoproeping, een vrijwillige prestatie of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, verrichten. ".

Artikel 86TER <Ingevoegd bij W 2003-03-27/49, Art. 164; En vigueur : 01-11-2003> In artikel 3 van dezelfde wet wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
  " § 1bis. De militair van het reservekader van de krijgsmacht die een periode van vorming, een wederoproeping, een vrijwillige prestatie of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, verricht, heeft recht op een wedde ten laste van de begroting van (Landsverdediging) op grond van zijn graad en stand. <Erratum, zie B.S. 04-07-2003, p. 36015>
  Wanneer hij een statutair agent is wiens bezoldiging, krachtens zijn statuut, door de rechtspersoon van publiek recht die zijn werkgever is, niet of slechts na verkoop van tijd mag geschorst worden, kan evenwel deze agent, wanneer hij een periode van vorming, wederoproeping, vrijwillige prestatie of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, uitvoert en zijn normale bezoldiging van statutair agent geniet, enkel aanspraak maken op een weddecomplement ten laste van de begroting van Landsverdediging. Dit complement is, in voorkomend geval, gelijk aan het verschil tussen de wedde van militair waarop hij op grond van zijn graad en stand recht heeft enerzijds, en zijn wedde als statutair agent anderzijds, op voorwaarde dat de wedde van militair hoger is. ".

Hoofdstuk 15. Overgangsen slotbepalingen

Artikel 87 De reserveofficier aangeworven bij toepassing van artikel 54 of 55 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de krijgsmacht, de reserveonderofficier aangeworven bij toepassing van artikel 1 of 3 van de wet van 18 februari 1987 betreffende het statuut van de onderofficieren van het reservekader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, de vrijwilliger korte termijn overgegaan naar het reservekader met toepassing van de artikelen 20 en 23 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn en de dienstplichtige met onbepaald verlof onderworpen aan de militaire verplichtingen met toepassing van artikel 3 van de dienstplichtwetten gecoördineerd op 30 april 1962 worden volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning opgenomen in het reservekader, met behoud van hun graad en met hun anciënniteit in deze graad, voor de overblijvende duur van hun militaire verplichtingen zoals bepaald in hun statuut van oorsprong.

Artikel 88 Binnen zes maanden die voorafgaan aan het einde van zijn militaire verplichtingen kan de militair bedoeld in artikel 87, een wederdienstneming van vijf jaar aangaan, zonder de leeftijdslimiet bepaald in artikel 73 te overschrijden. Deze wederdienstneming vangt aan bij het verstrijken van voormelde militaire verplichtingen.

Artikel 89 Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet kan de reservemilitair met definitief verlof, op zijn aanvraag en naar gelang van de kaderbehoeften van zijn oorspronkelijk krijgsmachtdeel en van een beoordeling van zijn militair verleden, van de chef van het krijgsmachtdeel de toestemming krijgen heropgenomen te worden in het reservekader. Deze reservemilitair die voldoet al naargelang het geval aan de voor de staat van officier, onderofficier of vrijwilliger onontbeerlijke morele en fysieke hoedanigheden kan wederdienstnemingen van vijf jaar aangaan, zonder de leeftijdslimiet bepaald in artikel 73 te overschrijden. Bij de ondertekening van de wederdienstnemingsakte wordt verklaard dat hij onderworpen is aan de militaire wetten en door die verklaring de hoedanigheid van militair verkrijgt. Deze formaliteit wordt vastgesteld zoals bepaald in artikel 14, tweede en derde lid.

Artikel 90 Binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet kan de reservemilitair bedoeld in artikel 87, die niet definitief mislukt is in de proeven voor bevordering tot de hogere graad, en die voldoet aan de in deze wet bepaalde voorwaarden voor de bevordering in de graad, vragen om opnieuw deel te nemen aan de bevordering.

Artikel 91 De reserveofficier aangeworven bij toepassing van artikel 54 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de krijgsmacht en de reserveonderofficier aangeworven bij toepassing van artikel 1 van de wet van 18 februari 1987 betreffende het statuut van de onderofficieren van het reservekader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, van wie het ontslag aanvaard werd binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de bepalingen van artikel 33, § 1, behoudt zijn graad eershalve.
  De bepalingen van artikel 72, derde lid, zijn op hem van toepassing.

Artikel 92 Zolang de beroepsofficieren en -onderofficieren niet ingedeeld worden in korpsen en, in voorkomend geval, specialiteiten kunnen de reserveofficieren (en -onderofficieren) respectievelijk worden ingedeeld in één van de door de Koning bepaalde korpsen of ambtengroepen. <Erratum, zie B.St. 04.08.2001, p. 26736>
  De artikelen 28, 29, eerste lid, en 30 tot 32 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht zijn dan van toepassing op de reserveofficieren en de artikelen 4 tot 7 van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht zijn dan toepasselijk op de reserveonderofficieren. De bevordering van de reserveofficieren en de reserveonderofficieren heeft plaats, naargelang het geval, in het korps of in de ambtengroep waarvoor zij zijn aangewezen.

Artikel 92BIS [58 De volgende voorwaarden zijn enkel toepasselijk op de kandidaat-reservemilitairen die een dienstnemingsakte getekend hebben na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, met uitzondering van die bedoeld in artikel 92quater :
   1° de studievoorwaarde om de hoedanigheid van reservemilitair te verwerven bedoeld in artikel 15;
   2° de leeftijdsvoorwaarde, bedoeld in artikel 30, eerste lid, 1°, d.]58

Artikel 92TER [59 Artikel 22, eerste lid, is enkel toepasselijk op de kandidaat-reservemilitairen die een dienstnemingsakte getekend hebben na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, met uitzondering van die bedoeld in artikel 92quater.]59

Artikel 92QUATER [60 In de twaalf maanden die volgen op de datum van inwerkingtreding van dit artikel, worden de kandidaat-reservemilitairen evenals de reservevrijwilligers die hun vorming nog niet beëindigd hebben, uitgenodigd om een nieuwe dienstnemingsakte met een duur van vijf jaar te ondertekenen.
   Deze nieuwe dienstnemingsakte doet elke vroegere, zelfs geschorste, dienstnemings- of wederdienstnemingsakte van rechtswege en op zijn datum eindigen. Als er binnen deze termijn geen nieuwe dienstnemingsakte is ondertekend, wordt betrokkene in definitief verlof geplaatst.]60

Artikel 93 De Koning kan de nadere overgangsmaatregelen vaststellen voor de toepassing van deze wet.

Artikel 94 Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-11-2003 door KB 2003-05-03/60, Art. 133)