Ministerieel besluit houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen

Date :
21-04-2009
Language :
Dutch
Size :
6 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 2009202022
Author :
Vlaamse Overheid

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, gewijzigd bij de decreten van 2 juni 2006 en 22 december 2006;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, artikel 10, § 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2008, artikel 10, § 3, artikel 18, 1° bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2008 en artikel 21, § 4, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2008;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang, artikel 15, § 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, artikel 49/1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2009;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, artikel 3 en 4;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004, 23 december 2005, 19 mei 2006, 30 juni 2006, 1 september 2006, 15 juni 2007, 28 juni 2007,10 oktober 2007, 14 november 2007, 5 september 2008, 22 september 2008 en 6 januari 2009;
Gelet op het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, aan de opvangvoorzieningen die erkend zijn of onder toezicht staan van Kind en Gezin, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 maart 2002;
Gelet op het advies van het Raadgevend Comité van Kind en Gezin, gegeven op 26 november 2008;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 16 januari 2009;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat de regelgeving met betrekking tot kinderopvang dringend aangepast moet worden aan Beter Bestuurlijk Beleid, en dat de procedures voor het krijgen van financiële ondersteuning dringend vereenvoudigd moeten worden;
Overwegende dat er budgettaire middelen zijn vrijgemaakt voor uitbreiding van de kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte, en dat de toekenning van die middelen dringend opgenomen moet worden in dit besluit,
Besluit :
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° Kind en Gezin : het intern verzelfstandigd agentschap Kind en Gezin, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° inclusieve opvang : opvang van een kind of van een aantal kinderen met een specifieke zorgbehoefte samen met kinderen zonder specifieke zorgbehoefte;
3° kinderen met een specifieke zorgbehoefte : kinderen die door medische of psychosociale problemen meer intensieve zorgen nodig hebben;
4° kinderdagverblijf : kinderdagverblijf, erkend door Kind en Gezin;
5° dienst : dienst voor onthaalouders, erkend door Kind en Gezin;
6° initiatief : initiatief voor buitenschoolse opvang, erkend door Kind en Gezin;
7° buitenschoolse opvang in aparte lokalen : buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven, waarvoor toestemming verleend is door Kind en Gezin;
8° lokale dienst : lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang, waarvoor toestemming verleend is door Kind en Gezin;
9° zelfstandige voorziening : zelfstandig kinderdagverblijf, zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening of zelfstandig onthaalouder met een attest van toezicht van Kind en Gezin;
10° voorziening : kinderdagverblijf, dienst, initiatief, buitenschoolse opvang in aparte lokalen, lokale dienst of zelfstandige voorziening;
11° organiserend bestuur : de rechtspersoon die geen winstoogmerk heeft en onder wiens verantwoordelijkheid een dienst, een kinderdagverblijf of een initiatief functioneert;
12° groep van voorzieningen : meerdere voorzieningen die onder de verantwoordelijkheid van een organiserend bestuur functioneren, die binnen eenzelfde provincie of binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gesitueerd zijn en die hetzij voorschoolse opvang, hetzij buitenschoolse opvang organiseren;
13° voorschoolse opvang : opvang van kinderen die niet voltijds naar de basisschool gaan;
14° buitenschoolse opvang : opvang van kinderen die voltijds naar de basisschool gaan.
Art. 2. Organiserende besturen kunnen van Kind en Gezin een financiële ondersteuning krijgen voor de structurele uitbouw van inclusieve opvang in een of meer voorzieningen en/of binnen een of meer aangeduide groepen van voorzieningen, volgens de bepalingen van dit besluit.
Art. 3. Organiserende besturen of voorzieningen kunnen van Kind en Gezin een financiële ondersteuning krijgen voor individuele vragen van inclusieve opvang in een of meer voorzieningen volgens de bepalingen van dit besluit.
Om in aanmerking te komen mag een voorziening niet al financiële ondersteuning krijgen in het kader van structurele uitbouw van inclusieve opvang of geen deel uitmaken van een groep van voorzieningen als vermeld in artikel 2.
HOOFDSTUK II. - Structurele uitbouw van inclusieve opvang
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 4. De inclusieve opvang wordt door het organiserend bestuur expliciet gedefinieerd en uitgewerkt in het kwaliteitsbeleid van de voorziening of voorzieningen conform de bepalingen in het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen.
Art. 5. Het organiserend bestuur toont aan dat de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte een grotere zorg of inzet van middelen vereist en zorgt voor een aangepaste infrastructurele, personele en pedagogische opvang van de kinderen met een specifieke zorgbehoefte.
Art. 6. Het organiserend bestuur zorgt ervoor dat de voorziening die instaat voor inclusieve opvang is ingeschakeld in een netwerk. Onder netwerk wordt verstaan, een geheel van beschikbare instellingen of zorgverleners met een specifieke knowhow of expertise in verband met kinderen met een specifieke zorgbehoefte waarop een beroep kan worden gedaan voor samenwerking.
Art. 7. Het organiserend bestuur zorgt ervoor dat minstens per voorziening die instaat voor inclusieve opvang één personeelslid dat rechtstreeks betrokken is bij de inclusieve opvang jaarlijks een vorming of bijscholing volgt die onmiddellijk verband houdt met die specifieke opvang.
Afdeling 2. - De financiële ondersteuning
Art. 8. De financiële ondersteuning wordt toegekend voor een door Kind en Gezin bepaald aantal plaatsen.
Het minimumaantal toe te kennen plaatsen is drie per organiserend bestuur. Per organiserend bestuur komt maximaal een derde van de capaciteit die erkend is en/of waarvoor toestemming is verleend, in aanmerking voor de structureel uitgebouwde inclusieve opvang.
Art. 9. Het organiserend bestuur van een dienst ontvangt een basisbedrag van 2714,33 euro per structurele plaats per jaar.
Onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst met structurele plaatsen, krijgen voor elke aanwezigheid van een kind met een specifieke zorgbehoefte, tot maximaal één per dag per kind en ongeacht de aanwezigheidsduur, een forfaitaire kostenvergoeding van 8,95 euro per dag krijgen. Kind en Gezin betaalt deze kostenvergoeding aan de dienst die deze doorbetaalt aan de betrokken onthaalouder.
Het organiserend bestuur van een kinderdagverblijf of initiatief ontvangt een basisbedrag van 3.895,73 euro per structurele plaats per jaar.
De basisbedragen, vermeld in het eerste en derde lid, worden verhoudingsgewijs verminderd indien de inclusieve opvang geen volledig kalenderjaar wordt aangeboden.
Afdeling 3. - Aanvraag en uitkering
Art. 10. Het organiserend bestuur doet een aanvraag voor een aantal plaatsen op basis van een dossier, samengesteld volgens de richtlijnen van Kind en Gezin.
Indien de aanvraag een groep van voorzieningen betreft, duidt het organiserend bestuur indicatief aan voor welke voorzieningen en in welke provincie of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de structurele uitbouw gerealiseerd zou worden. Het organiserend bestuur vermeldt tevens of de aanvraag voorschoolse opvang dan wel buitenschoolse opvang betreft.
Art. 11. Als er voor de toekenning van structurele plaatsen keuzes moeten worden gemaakt tussen verschillende aanvraagdossiers, geeft Kind en Gezin voorrang aan organiserende besturen :
1° die het onmiddellijke en effectieve gebruik van de toegekende structurele plaatsen kunnen garanderen;
2° die van meet af aan aan alle voorwaarden kunnen voldoen;
3° die al een inclusief opvangaanbod hebben waarvoor Kind en Gezin plaatsen heeft toegekend, en dat kwalitatief gunstig beoordeeld werd;
4° die lokale noden aantonen zoals bijvoorbeeld blijkt uit het lokaal beleidsplan kinderopvang, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 houdende het lokaal beleid kinderopvang;
5° waarvan de aanvraag tot een meer evenwichtige spreiding van de structurele plaatsen over de vijf provincies en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad resulteert;
6° waarvan de aanvraag tot een meer evenwichtige spreiding van de structurele plaatsen over diensten, kinderdagverblijven, initiatieven, buitenschoolse opvang in aparte lokalen en lokale diensten resulteert.
Art. 12. Kind en Gezin beslist over het toe te kennen aantal plaatsen uiterlijk negentig kalenderdagen na ontvangst van het aanvraagdossier en onder meer rekening houdend met het advies van het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Art. 13. Kind en Gezin brengt het organiserend bestuur schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing uiterlijk dertig kalenderdagen na de beslissing. Kind en Gezin brengt het betrokken lokaal bestuur en het betrokken Lokaal Overleg Kinderopvang op de hoogte van de genomen beslissing.
Indien een groep van voorzieningen was opgegeven, beslist het organiserend bestuur welke voorzieningen effectief deel zullen uitmaken van de groep van voorzieningen, als vermeld in hun aanvraag en houdt daarbij rekening met de lokale noden in de gemeenten van de betrokken voorzieningen. Het organiserend bestuur deelt deze gemotiveerde beslissing mee aan Kind en Gezin voor akkoord.
Art. 14. Organiserende besturen waaraan een aantal structurele plaatsen voor inclusieve opvang zijn toegekend, en die dat aantal willen uitbreiden, of organiserende besturen die een aanpassing van de groep van voorzieningen willen realiseren, kunnen daarvoor een aanvraagdossier indienen, samengesteld volgens de richtlijnen van Kind en Gezin.
Art. 15. De financiële ondersteuning wordt toegekend vanaf het kwartaal van de aanvraag en voor onbepaalde duur.
Art. 16. Het organiserend bestuur houdt voor elk kind met een specifieke zorgbehoefte dat van het inclusieve opvangaanbod gebruikmaakt een beperkte informatiefiche bij volgens de richtlijnen van Kind en Gezin. Die informatiefiches zijn toegankelijk voor het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Art. 17. Het organiserend bestuur bezorgt na ieder kwartaal een overzicht van het aantal ingeschreven kinderen met een specifieke zorgbehoefte en van het aantal verblijfsdagen per kind met een specifieke zorgbehoefte in de voorziening of in de groep van voorzieningen aan Kind en Gezin.
Kind en Gezin voert per organiserend bestuur een jaarlijkse bezettingsevaluatie van de structurele plaatsen voor inclusieve opvang uit op basis van het aantal verblijfsdagen van ingeschreven kinderen met specifieke zorgbehoeften tijdens het afgelopen kalenderjaar. Elke aanwezigheid per dag van een kind met een specifieke zorgbehoefte geldt, ongeacht de aanwezigheidsduur, als één verblijfsdag.
Als voor een kalenderjaar blijkt dat de gemiddelde bezettingsgraad van die plaatsen lager is dan 60 %, wordt vanaf het volgende kalenderjaar de financiële ondersteuning van de structureel uitgebouwde plaatsen inclusieve opvang verminderd tot het aantal plaatsen waarvoor die bezettingsgraad wel gerealiseerd wordt.
Als blijkt dat de gemiddelde bezettingsgraad van die plaatsen minstens 60 % is, blijft de financiële ondersteuning behouden voor het aantal structurele plaatsen dat toegekend is.
Als blijkt dat de gemiddelde bezettingsgraad van die plaatsen hoger is dan 60 %, kan het aantal plaatsen waarvoor de financiële ondersteuning van de structureel uitgebouwde inclusieve opvang is voorzien worden verhoogd tot het aantal plaatsen waarvoor de bezettingsgraad gerealiseerd wordt, volgens de bepalingen, vermeld in artikel 14.
Art. 18. Kind en Gezin verleent elk kwartaal een voorschot van maximaal 95 % van een vierde van het geraamde bedrag dat voor een kalenderjaar verschuldigd is. Het voorschot kan verhoudingsgewijs worden teruggevorderd wanneer het organiserend bestuur zijn activiteiten staakt of als niet meer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1.
De financiële ondersteuning wordt jaarlijks door Kind en Gezin vereffend, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar.
Art. 19. De financiële ondersteuning kan op elk moment worden stopgezet door Kind en Gezin als blijkt dat het organiserend bestuur niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1.
HOOFDSTUK III. - Inclusieve opvang gekoppeld aan individuele vragen
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 20. De opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte wordt door de voorziening expliciet gedefinieerd en uitgewerkt in het kwaliteitsbeleid van de voorziening conform de bepalingen in het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen.
Art. 21. De voorziening toont aan dat de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte een grotere zorg of inzet van middelen vereist en zorgt voor een aangepaste infrastructurele en pedagogische opvang van het kind met een specifieke zorgbehoefte.
Art. 22. Voorzieningen die niet van meet af aan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 kunnen voldoen, voegen bij de aanvraag, vermeld in artikel 24, een voorstel in met een zo concreet mogelijke en trefzekere planning waaruit blijkt op welke wijze en binnen welke termijn ze de geldende voorwaarden zullen vervullen.
Afdeling 2. - De financiële ondersteuning
Art. 23. De financiële ondersteuning wordt toegekend voor elke aanwezigheid van het kind met een specifieke zorgbehoefte, tot maximaal één vergoeding per dag en ongeacht de aanwezigheidsduur, en bedraagt 8,95 euro per dag.
Kind en Gezin betaalt deze kostenvergoeding aan de dienst, die deze doorbetaalt aan de betrokken onthaalouder.
Afdeling 3. - Aanvraag en uitkering
Art. 24. De financiële ondersteuning wordt voor elk individueel kind met een specifieke zorgbehoefte schriftelijk aangevraagd volgens de richtlijnen van Kind en Gezin.
Uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag beslist Kind en Gezin over de toekenning van de financiële ondersteuning.
De financiële ondersteuning wordt toegekend vanaf de eerste dag dat het kind met een specifieke zorgbehoefte in de voorziening opgevangen wordt en met een maximale terugwerking van zes maanden ten opzichte van de datum van de aanvraag, en voor onbepaalde duur, tot het kind niet meer in de voorziening opgevangen wordt of tot de inclusieve opvang voor dat kind niet meer nodig is.
Art. 25. Kind en Gezin brengt de voorziening schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing uiterlijk dertig kalenderdagen na de beslissing.
Art. 26. De financiële ondersteuning wordt jaarlijks door Kind en Gezin vereffend, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar.
Art. 27. De financiële ondersteuning kan op elk moment worden stopgezet door Kind en Gezin als blijkt dat de voorziening niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk III, afdeling 1.
HOOFDSTUK IV. - Specifieke bepalingen
Art. 28. Het organiserend bestuur of de voorziening kan per aangetekende brief beroep aantekenen tegen de beslissing, vermeld in artikel 12 en artikel 24, tweede lid en tegen de stopzetting, vermeld in artikel 19 en artikel 27, en dit binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de beslissing.
Het ingediende beroep schorst de beslissing niet.
Kind en Gezin beschikt over een termijn van vijfenveertig kalenderdagen nadat het beroep is ingediend, om een beslissing over het beroep te nemen.
Kind en Gezin brengt het organiserend bestuur of de voorziening schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing over het beroep uiterlijk dertig kalenderdagen na deze beslissing.
Art. 29. De financiële ondersteuning is mogelijk binnen de perken van de begroting.
Art. 30. De bedragen, vermeld in dit besluit, worden elk jaar op 1 januari verhoogd met de procentuele stijging van het gezondheidsindexcijfer tussen 1 november van het vorige kalenderjaar en 1 november van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en dit voor het eerst op 1 januari 2010. Onder gezondheidsindexcijfer wordt verstaan, het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
Art. 31. Voor voorzieningen die reeds structurele plaatsen inclusieve opvang toegekend kregen op basis van het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, aan de opvangvoorzieningen die erkend zijn door of onder toezicht staan van Kind en Gezin, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 maart 2002, geldt dat deze structurele plaatsen automatisch aan hun organiserend bestuur worden toegekend voor onbepaalde duur.
Art. 32. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, aan de opvangvoorzieningen die erkend zijn door of onder toezicht staan van Kind en Gezin, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 maart 2002, wordt opgeheven.
Art. 33. Dit besluit treedt in werking op de dag van publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Brussel, 21 april 2009.
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
Mevr. V. HEEREN