05.10.2006 - Zaak C-275/04 - Arrest van het Europees Hof van Justitie
- Section :
- Régulation
- Type :
- European justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Douane - Eigen middelen - Boekhouding A en boekhouding B
Texte original :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > 05.10.2006 - Zaak C-275/04 - Arrest van het Europees Hof van Justitie
05.10.2006 - Zaak C-275/04 - Arrest van het Europees Hof van Justitie
Document
Search in text:
Properties
Document type : European justice Title : 05.10.2006 - Zaak C-275/04 - Arrest van het Europees Hof van Justitie Document date : 05/10/2006 Keywords : C-275/04 / eigen middelen / boekhouding A / boekhouding B Document language : NL Name : 05.10.2006 - Zaak C-275/04 - Arrest van het Europees Hof van Justitie Version : 1 Court : european/All_european
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 5 oktober 2006 (*)
„Niet-nakoming – Extern communautair douanevervoer – Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 en 2454/93 – Eigen middelen van Gemeenschappen – Terbeschikkingstelling – Termijnen – Vertragingsrente – Geen bewaring en verstrekking van bewijsstukken betreffende vaststelling en terbeschikkingstelling van eigen middelen”
In zaak C-275/04,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 29 juni 2004, Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. G. en G. W. als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, verzoekster, tegen Koninkrijk België, vertegenwoordigd door E. D. en M. W. als gemachtigden, verweerder, ondersteund door Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door C. J. als gemachtigde, bijgestaan door M. A. en R. A., barristers, interveniënt,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), K. Lenaerts, E. Juhász en M. Ilešic, rechters, advocaat-generaal: C. Stix-Hackl, griffier: K. Sztranc-Slawiczek, administrateur, gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 april 2006, gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten, het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, – door de vastgestelde rechten niet binnen de gestelde termijnen te boeken in de boekhouding bedoeld in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), en – door niet na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hebben voorgedaan door een te late boeking in de in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding, door de archieven met betrekking tot deze periode te vernietigen en door deze vertragingen niet aan de Commissie mede te delen teneinde haar in staat te stellen de vertragingsrente te berekenen die overeenkomstig artikel 11 van deze verordening wegens het te laat ter beschikking stellen van eigen middelen is verschuldigd, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3, 6, 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), met hetzelfde voorwerp, met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen, en krachtens artikel 10 EG.
Rechtskader
Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen
2 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89, dat is opgenomen in titel I, „Algemene bepalingen”, luidt: „1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend. [...]” 3 Deze bepaling is per 14 juli 1996 gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3) en de inhoud ervan is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 1150/2000, dat bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 94/728/EG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige. 2. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften. [...]” 4 Artikel 3, eerste alinea, van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000, dat ook in titel I is opgenomen, luidt: „De lidstaten nemen alle dienstige maatregelen teneinde te verzekeren dat de bewijsstukken betreffende de vaststelling en de terbeschikkingstelling van de eigen middelen gedurende ten minste drie kalenderjaren, te rekenen vanaf het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben, worden bewaard.” 5 Artikel 3, tweede alinea, van verordening nr. 1552/89 bepaalt: „Indien bij een door de nationale overheidsdienst alleen of in samenwerking met de Commissie verricht onderzoek van de bewijsstukken een rectificatie van de op grond daarvan verrichte vaststelling noodzakelijk mocht blijken, worden zij zolang na het verstrijken van de in de eerste alinea genoemde termijn bewaard als nodig voor het aanbrengen van de rectificatie en van de controle daarop.” 6 Artikel 3, derde alinea, van verordening nr. 1150/2000 luidt: „Indien bij een overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van deze verordening of artikel 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 verricht onderzoek van de in de eerste en tweede alinea bedoelde bewijsstukken een rectificatie noodzakelijk mocht blijken, worden deze bewijsstukken zolang na het verstrijken van de in de eerste alinea genoemde termijn bewaard als nodig is voor het aanbrengen van de rectificatie en voor de controle daarop.” 7 Artikel 6, leden 1 en 2, sub a en b, van verordening nr. 1552/89, dat is opgenomen in titel II, „Boekhouding van de eigen middelen” [thans artikel 6, leden 1 en 3, sub a en b, van verordening nr. 1150/2000], bepaalt: „1. Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen. 2. a) De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde sub b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding [gewoonlijk ‚boekhouding A’ genaamd] opgenomen. b) Vastgestelde rechten die niet in de sub a bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen de sub a vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding [gewoonlijk ‚boekhouding B’ genaamd] opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.” 8 Artikel 9 van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000, dat is opgenomen in titel III, „Terbeschikkingstelling van de eigen middelen”, luidt: „1. Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend. Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden. 2. De geboekte bedragen worden door de Commissie omgerekend en in haar boekhouding opgenomen [...]” 9 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1552/89 respectievelijk verordening nr. 1150/2000, dat ook in titel III is opgenomen, bepaalt: „Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van [besluit 88/376 respectievelijk besluit 94/728], geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van [deze besluiten], uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van deze verordening is vastgesteld. Voor de volgens artikel 6, lid 2, sub b [respectievelijk artikel 6, lid 3, sub b] in [...] boekhouding [B] opgenomen rechten moet de boeking echter uiterlijk geschieden op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de inning van de rechten.” 10 Artikel 11 van verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000, dat eveneens in titel III staat, luidt: „Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.” 11 Artikel 18 van verordening nr. 1552/89 [thans artikel 18 van verordening nr. 1150/2000], dat staat in titel VII, „Bepalingen betreffende de controle”, bepaalt: „1. De lidstaten verrichten de verificaties en onderzoeken betreffende het vaststellen en ter beschikking stellen van de eigen middelen als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van [besluit 88/376 respectievelijk besluit 94/728]. De Commissie oefent haar bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. 2. In dit kader: – zijn de lidstaten verplicht op verzoek van de Commissie aanvullende controles te verrichten; in haar verzoek moet de Commissie aangeven waarom een aanvullende controle gerechtvaardigd is; – betrekken de lidstaten de Commissie, op haar verzoek, bij de door hen verrichte controles. De lidstaten nemen alle maatregelen waardoor deze controles kunnen worden vergemakkelijkt. Wanneer de Commissie bij deze controles wordt betrokken, houden de lidstaten de in artikel 3 bedoelde bewijsstukken te harer beschikking. [...]”
De communautaire douanewetgeving
12 Artikel 217, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), bepaalt: „Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking). [...]” 13 Artikel 218, lid 3, van dit wetboek luidt: „Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan die bedoeld in lid 1, dient het overeenkomstige bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn: a) het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen, en b) de schuldenaar aan te wijzen.” 14 Artikel 219 van dit wetboek bepaalt: „1. De in artikel 218 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd: a) hetzij om redenen die met de administratieve organisatie van de lidstaten verband houden, met name in geval van een gecentraliseerde comptabiliteit; b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven. De aldus verlengde termijnen mogen niet meer dan veertien dagen bedragen. 2. De in lid 1 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.” 15 Artikel 220, lid 1, van het douanewetboek bepaalt: „Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.” 16 Artikel 221, lid 1, van dit wetboek luidt: „Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.” 17 Artikel 243 van het wetboek bepaalt: „1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. De persoon die de douaneautoriteiten om een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving heeft verzocht, doch binnen de in artikel 6, lid 2, bedoelde termijn van deze autoriteiten geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen. Het beroep moet worden ingesteld in de lidstaat waar de beschikking is genomen of waar om een beschikking is verzocht. 2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend: a) in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit; b) in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn.” 18 Artikel 245 van het douanewetboek bepaalt: „De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten.” 19 Artikel 246 van dit wetboek luidt: „Deze titel is niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de intrekking met terugwerkende kracht of de wijziging van een op grond van het strafrecht door de douaneautoriteiten genomen beschikking.” 20 Artikel 378, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”), bepaalt: „1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het [douane]wetboek, geacht te zijn begaan: – in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of – in de lidstaat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven, tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. 2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat van vertrek of in de lidstaat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.” 21 Artikel 379 van de uitvoeringsverordening luidt: „1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer. 2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”
Precontentieuze procedure
22 Bij een controle van de traditionele eigen middelen die van 1 tot 5 december 1997 heeft plaatsgevonden, hebben ambtenaren van de Commissie in het douanekantoor van Antwerpen onder andere vastgesteld dat in drie dossiers inzake niet-zuivering van aangiften voor extern communautair douanevervoer (aangiften T1 van respectievelijk 10 juni 1996, 20 december 1995 en 17 januari 1996) de gedwongen inning van de desbetreffende eigen middelen bedragen betrof waarvoor volgens de Commissie een zekerheid was gesteld en die volgens de Commissie niet waren betwist, terwijl zij bij de vaststelling ervan in boekhouding B waren opgenomen en pas bij de daadwerkelijke inning ervan in boekhouding A. De betrokken douanerechten bedroegen respectievelijk 1 800 BEF (44,62 EUR), 8 292 BEF (205,55 EUR) en 4 509 BEF (111,78 EUR). 23 Bij schrijven van 28 april 1998 heeft de Commissie de Belgische autoriteiten verslag nr. 97-0-1 met betrekking tot de controle van december 1997 toegezonden en deze verzocht om de nodige maatregelen te nemen teneinde te verzekeren dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen ter zake van de boekhoudkundige inschrijving worden nageleefd en om de bedragen van de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld en die niet worden betwist, ambtshalve in boekhouding A op te nemen, aangezien de niet-zuivering ervan binnen de gestelde termijnen was vastgesteld. De Commissie heeft deze autoriteiten ook verzocht om na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hebben voorgedaan door een te late boeking in boekhouding A. Tot slot heeft de Commissie de aandacht van deze autoriteiten gevestigd op artikel 11 van verordening nr. 1552/89, dat betrekking heeft op de betaling van vertragingsrente. 24 In hun antwoord van 8 oktober 1998 hebben de Belgische autoriteiten verklaard dat zij de communautaire regels naleven en dat aan het verzoek om een onderzoek van alle kantoren van de Belgische douane vanaf 1 januari 1995 daarom de grond is ontvallen. 25 In haar brief van 2 februari 2000 heeft de Commissie benadrukt dat het de taak van de lidstaten is om de eigen middelen doeltreffend te innen, in het bijzonder de bedragen waarvoor een zekerheid is gesteld in het kader van de procedure van de regeling extern douanevervoer (aangifte T1, carnet TIR, carnet ATA, enzovoort). Daarom kunnen die bedragen slechts in boekhouding B worden opgenomen indien zij naar behoren worden betwist, hetgeen met name betekent dat de dienaangaande gestelde termijnen moeten zijn nageleefd en dat schriftelijk beroep moet zijn ingesteld. Bijgevolg heeft de Commissie de Belgische autoriteiten nogmaals verzocht om hun praktijk in overeenstemming te brengen met de communautaire regelgeving dienaangaande. 26 Bij brief van 31 mei 2000 hebben deze autoriteiten opnieuw bevestigd dat hun standpunt inzake de behandeling van niet-gezuiverde aangiften T1 en carnets TIR in overeenstemming is met de communautaire regelgeving. 27 De Commissie heeft wederom bezwaar gemaakt tegen dit betoog en het Koninkrijk België op 13 november 2001 een aanmaningsbrief gestuurd, waarin zij haar grieven heeft herhaald en de argumenten van de autoriteiten van deze lidstaat heeft afgewezen door hen opnieuw te verzoeken om een overzicht van alle niet binnen de termijnen gezuiverde aangiften voor extern douanevervoer sinds 1 januari 1995, met een nauwkeurige aanduiding van de boekhoudkundige follow-up ervan. Zij heeft deze autoriteiten tevens herinnerd aan de verplichting krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89 om vertragingsrente te betalen. 28 Aangezien het Koninkrijk België in zijn antwoordbrief van 12 maart 2002 zijn standpunt heeft gehandhaafd, heeft de Commissie deze lidstaat op 28 oktober 2002 een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij deze heeft verzocht om de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst ervan, aan dit met redenen omklede advies te voldoen. 29 Op 19 december 2002 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie verzocht om een verlenging van de termijn om op het met redenen omklede advies te antwoorden, tot 28 januari 2003. Bij brief van 30 januari 2003 hebben zij erop gewezen dat er een soortgelijke zaak met betrekking tot de Bondsrepubliek Duitsland bij het Hof aanhangig was (zaak C-105/02), zodat de beslissing van het Hof diende te worden afgewacht alvorens uitspraak te doen in de onderhavige zaak. 30 In deze omstandigheden heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen. 31 Bij beschikking van de president van het Hof van 30 november 2004 is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie aan de zijde van het Koninkrijk België.
Het beroep
Ontvankelijkheid van het beroep
32 De Belgische regering merkt op dat op het moment van ontstaan van de rechten betreffende de eigen middelen van de Gemeenschappen die in de onderhavige procedure aan de orde zijn, verordening nr. 1552/89 de relevante regelgeving was. 33 De Commissie verklaart op dit punt dat de voorwaarden voor de totstandkoming van een recht van de Gemeenschappen op een douaneschuld niet zijn gewijzigd als gevolg van de codificatie door verordening nr. 1150/2000. 34 Volgens de rechtspraak van het Hof moet in het kader van een beroep krachtens artikel 226 EG het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld tegen de achtergrond van de gemeenschapsregeling die van kracht was aan het einde van de termijn die de Commissie de betrokken lidstaat heeft gesteld om aan het met redenen omklede advies te voldoen (zie onder meer arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C-61/94, Jurispr. blz. I-3989, punt 42, en 9 november 1999, Commissie/Italië, C-365/97, Jurispr. blz. I-7773, punt 32). 35 Ofschoon het petitum van het verzoekschrift in beginsel niet meer mag omvatten dan de in het dispositief van het met redenen omklede advies en in de aanmaningsbrief gestelde niet-nakomingen, kan de Commissie het Hof verzoeken om de niet-nakoming vast te stellen van verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke versie van een later gewijzigde of afgeschafte gemeenschapshandeling, die in nieuwe bepalingen zijn gehandhaafd. Daarentegen mag het voorwerp van het geding niet worden uitgebreid tot verplichtingen die voortvloeien uit nieuwe bepalingen en die niet hun tegenhanger vinden in de oorspronkelijke versie van de betrokken handeling, daar dit een schending zou opleveren van de wezenlijke vormvoorschriften waaraan de niet-nakomingsprocedure dient te voldoen (zie in die zin arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië, C-363/00, Jurispr. blz. I-5767, punt 22). 36 Vaststaat dat de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3, 6, leden 1 en 3, sub a en b, 9, lid 1, 10, lid 1, en 11 van verordening nr. 1150/2000 reeds van toepassing waren op grond van de artikelen 3, 6, leden 1 en 2, sub a en b, 9, lid 1, 10, lid 1, en 11 van verordening nr. 1552/89 (zie wat de artikelen 9, lid 1, en 11 betreft, arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 23). 37 Wat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen in de zin van deze bepaling wordt vastgesteld „zodra” de belastingschuldige door de bevoegde autoriteiten in kennis is gesteld van het verschuldigde bedrag, welke kennisgeving moet plaatsvinden zodra de belastingschuldige bekend is, en het bedrag van het recht door de bevoegde administratieve autoriteiten kan worden berekend met inachtneming van de ter zake toepasselijke communautaire bepalingen (zie met name arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, C-460/01, Jurispr. blz. I-2613, punt 85). Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat artikel 2 van verordening nr. 1552/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96 en overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 1150/2000, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen, zodra hun douaneautoriteiten in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en zij de belastingschuldige kunnen aanwijzen (arrest van 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C-392/02, Jurispr. blz. I-9811, punt 61). 38 Onder deze omstandigheden waren de uit artikel 2 van verordening nr. 1150/2000 voortvloeiende verplichtingen ter zake van de vaststelling van een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen, zoals de Belgische regering overigens erkent, reeds van toepassing op grond van artikel 2 van verordening nr. 1552/89. 39 Bijgevolg kan de Commissie het Hof verzoeken vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 3, 6, 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Ten gronde
De eerste grief, inzake de te late boeking van de vastgestelde rechten in boekhouding A
– Argumenten van partijen 40 De Commissie betoogt dat ingevolge artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000 rechten die zijn vastgesteld, maar niet geïnd en waarvoor geen zekerheid is gesteld, in boekhouding B kunnen worden opgenomen. Dit geldt ook voor de vastgestelde, maar niet geïnde rechten waarvoor wel een zekerheid is gesteld, indien deze rechten binnen de daartoe gestelde termijn worden betwist en op voorwaarde dat deze betwisting schriftelijk plaatsvindt. De vastgestelde bedragen waarvoor een zekerheid is gesteld en die niet zijn betwist, dienen in boekhouding A te worden opgenomen, en wel binnen de gestelde termijnen, zonder dat de daadwerkelijke inning ervan wordt afgewacht. 41 Het is overigens vaste rechtspraak (arrest van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C-96/89, Jurispr. blz. I-2461, punt 38) dat er geen verband bestaat tussen de verplichting om de bedragen in boekhouding A op te nemen en de inning van de rechten door de lidstaat. Anders dan ook de regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, bestaat deze verplichting zodra het recht is vastgesteld, daarvoor een zekerheid is gesteld en het niet is betwist, zelfs indien de betrokken fondsen niet zijn geïnd. 42 Aangezien de in de artikelen 6, lid 3, sub a, en 10 van verordening nr. 1150/2000 gestelde dwingende termijn voor de boeking en de terbeschikkingstelling van de eigen middelen anders elk nuttig effect zou worden ontnomen, zijn de lidstaten verplicht om deze termijn na te leven voor de boeking en de terbeschikkingstelling van de betrokken bedragen, ook al bestaat er een nationale regeling op grond waarvan de belastingplichtige de douaneschuld na het verstrijken van deze termijn kan betwisten. Deze verplichting belet de belastingplichtige niet om buiten deze termijn een beroep in te stellen, dat kan leiden tot kwijtschelding of correctie van de schuld (artikelen 2, lid 4, en 8 van verordening nr. 1150/2000). 43 Volgens de Commissie heeft de term „betwisting” in de eerste plaats betrekking op de in de artikelen 243 en 245 van het douanewetboek neergelegde beroepsprocedure en pas in de tweede plaats op de nationale wetgeving, die in overeenstemming moet zijn met de communautaire regelgeving. Ook al regelt deze de beroepen in douanezaken niet volledig, de betwisting van de rechten dient, zoals artikel 243 van het douanewetboek bepaalt, in ieder geval te worden „ingesteld”, waarvoor, anders dan ook de regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, een uitdrukkelijke en zichtbare handeling van de belastingplichtige tegen de vaststelling van de schuld, namelijk een schriftelijke betwisting, nodig is. Louter het uitblijven van betaling volstaat in dat opzicht niet. Zo worden het parallellisme van vormvoorschriften gewaarborgd, aangezien de schuld ook schriftelijk wordt vastgesteld, de mogelijkheid om te bewijzen dat niet wordt ingestemd met de vaststelling van de schuld, alsmede het vereiste dat de eigen middelen snel en eenvormig ter beschikking worden gesteld (zie met name arrest van 14 november 2002, SPKR, C-112/01, Jurispr. blz. I-10655, punten 34 e.v.). 44 Voorts betekent de weigering van het orgaan dat zich garant heeft gesteld, om de douaneschuld van de belastingschuldige te dekken, in beginsel niet dat het de juistheid van de basisschuld betwist, maar veeleer de verplichting om deze schuld te betalen wanneer eenmaal wordt overgegaan tot de gedwongen inning ervan. Ook al zou de betwisting door degene die zekerheid heeft gesteld, worden beschouwd als een betwisting in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000, deze heeft hoe dan ook geen enkel gevolg voor de in deze bepaling vastgelegde verplichting tot boeking, aangezien de Belgische autoriteiten zelf hebben erkend dat de betwisting door het verantwoordelijke orgaan dat zich garant heeft gesteld, in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de dwingende, voor de boeking van de eigen middelen beslissende termijn. 45 Daar komt bij dat het Koninkrijk België heeft gesteld noch bewezen dat de betrokken rechten zijn betwist door degene die zekerheid heeft gesteld. 46 De Belgische autoriteiten kunnen zich ook niet beroepen op de omstandigheid dat zij, omdat het een doorlopende zekerheid betreft, niet kunnen weten of deze een aangifte T1 effectief dekt, aangezien artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000 geen enkel onderscheid maakt naar de soort zekerheid. De verantwoordelijkheid van degene die zekerheid heeft gesteld, is overigens accessoir. De lidstaten kunnen vrij bepalen welke soort zekerheid zij verlangen ter dekking van de douaneschuld, waarbij de enige voorwaarde is dat deze effectief en toereikend moet zijn, bij gebreke waarvan zij daar de gevolgen van zullen moeten dragen. De tegenovergestelde uitlegging, die mede wordt verdedigd door de regering van het Verenigd Koninkrijk, vindt geen enkele steun in de tekst van artikel 6 van verordening nr. 1150/2000. 47 Volgens de Commissie volgt uit artikel 195 van het douanewetboek duidelijk dat de douaneautoriteiten kunnen weigeren een zekerheid te erkennen, indien deze naar hun mening niet alle waarborgen biedt dat de douaneschuld zal worden betaald. Ten aanzien van een doorlopende zekerheid bepaalt artikel 192, lid 1, laatste alinea, van het douanewetboek dat deze zekerheid op een zodanig niveau dient te worden vastgesteld dat het bedrag van de betrokken douaneschulden steeds is gedekt. Deze bepalingen tonen duidelijk aan dat het feit dat de zekerheid niet op de douaneschuld is afgestemd, geen invloed heeft op het bestaan van de verplichting om ervoor te zorgen dat die schuld door een zekerheid wordt gedekt. De stelling van de Belgische autoriteiten dat in boekhouding A nooit een bedrag kan worden opgenomen dat hoger is dan de waarde waarvoor zekerheid is gesteld, vindt geen enkele steun in verordening nr. 1150/2000 en kan dus niet worden aanvaard. 48 De Belgische regering merkt op dat artikel 2 van verordening nr. 1552/89 in geval van niet-zuivering of frauduleuze zuivering van een aangifte T1 vier voorwaarden stelt voor de vaststelling van een recht van de Gemeenschappen op het bedrag van een douaneschuld: de douaneautoriteiten moeten de niet-zuivering hebben vastgesteld en zij moeten in staat zijn geweest het wettelijk verschuldigde bedrag te berekenen, de belastingschuldige aan te wijzen en hem van de douaneschuld op de hoogte te brengen. 49 Tevens herinnert deze regering eraan dat wanneer een aangifte niet is gezuiverd en de aangever niet binnen drie maanden na de kennisgeving van de niet-zuivering – die moet plaatsvinden binnen elf maanden na de geldigmaking van de aangifte – het bewijs levert van de regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan, de lidstaat van vertrek op grond van de artikelen 378 en 379 van de uitvoeringsverordening moet overgaan tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten. 50 Na de vaststelling ervan moeten de rechten worden opgenomen in de boekhouding van de eigen middelen (het betreft dezelfde boeking als die bedoeld in de artikelen 217 en 220 van het douanewetboek), die ingevolge artikel 6, leden 1 en 2, van verordening nr. 1552/89 door elke lidstaat wordt gevoerd. Wanneer voor een nog niet geïnd bedrag een zekerheid is gesteld, zal het worden opgenomen in boekhouding A, waarbij het opgenomen bedrag niet hoger is dan de waarde waarvoor zekerheid is gesteld. Wanneer de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is, wordt het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, opgenomen in boekhouding B. 51 Wanneer de vaststelling eenmaal heeft plaatsgevonden, moeten de eigen middelen tevens ter beschikking van de Commissie worden gesteld (artikel 10 van verordening nr. 1552/89), behalve ingeval er sprake is van overmacht of de inning om redenen onafhankelijk van de wil van de lidstaat onmogelijk is (artikel 17 van deze verordening). Elke te late boeking leidt tot de betaling van vertragingsrente (artikel 11 van deze verordening). 52 Volgens de Belgische regering volgt uit de artikelen 10 en 17 van verordening nr. 1552/89 dat boekhouding B in het leven is geroepen teneinde de lidstaten in staat te stellen om over te gaan tot de terbeschikkingstelling van de bedragen zodra zij zijn geïnd, en aldus tot doel heeft te voorkomen dat de bedragen die niet binnen de in artikel 6, lid 2, sub a, van verordening nr. 1552/89 gestelde termijn kunnen worden geïnd, ten laste van de lidstaat zelf komen. 53 Bovendien vooronderstelt het in artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 1552/89 bedoelde geval van betwisting van de rechten dat de schuldenaar in kennis is gesteld van de vastgestelde rechten (dus na de kennisgeving, dat wil zeggen na de boeking ervan), met als gevolg dat de lidstaten in geval van de vaststelling van nog niet geïnde rechten het bedrag van de rechten altijd in boekhouding B moeten kunnen opnemen, omdat zij op dat moment niet kunnen weten of deze later door de schuldenaar zullen worden betwist. 54 In verordening nr. 1552/89 wordt geen enkel verband gelegd tussen de in de artikelen 243 en 245 van het douanewetboek neergelegde beroepsprocedure en het begrip „betwisting” in artikel 6, lid 2, sub b, van deze verordening, en er is geen nadere aanduiding van de vorm waarin dergelijke betwistingen moeten plaatsvinden. Overigens bevat het gemeenschapsrecht geen enkel voorschrift met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen een schuld moet worden betwist. Op dit gebied dient derhalve te worden gekeken naar de in de lidstaat geldende nationale wetgeving of administratieve praktijken. 55 In het jaar 1997, in de loop waarvan de formele betwistingen volgens de Commissie hadden moeten plaatsvinden, stond in België geen enkele administratieve beroepsprocedure open voor de belastingplichtigen en de niet-zuivering of frauduleuze zuivering van de documenten voor extern communautair douanevervoer werd bovendien bestraft als een strafrechtelijke inbreuk. Volgens de Belgische regering belette dit de belastingplichtige echter niet om de rechten op informele wijze te betwisten (zonder enig vormvoorschrift of termijn). In dat opzicht wordt het feit dat de aangever geen gevolg geeft aan het verzoek om betaling, door de autoriteiten op basis van vermoedens en hun lange ervaring met onregelmatigheden in het communautaire douanevervoer als zodanig als een betwisting van de rechten opgevat. 56 Deze regering stelt bovendien dat in de meeste gevallen de zekerheid doorlopend is en is gesteld ter dekking van verscheidene aangiften. Het douanekantoor van vertrek kan bij de geldigmaking van de aangifte T1 weliswaar aan de hand van het certificaat en die aangifte controleren of er een zekerheid is en of deze geldig is, maar het is niet bevoegd om na te gaan of de doorlopende zekerheid reeds in andere bureaus is gebruikt ter dekking van andere aangiften T1, of de doorlopende zekerheid niet reeds volledig is uitgeput, dan wel of het document niet vervalst is. Bij het verstrijken van de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening gestelde termijn kan het kantoor van vertrek derhalve geen gewisheid hebben omtrent de effectiviteit van deze zekerheid, hetgeen rechtvaardigt dat de betrokken bedragen in boekhouding B worden opgenomen. Daar komt bij dat degene die zekerheid heeft gesteld, eveneens het recht heeft om de beslissing van de douaneautoriteiten te betwisten, aangezien deze ongunstige gevolgen heeft voor hem. Bijgevolg heeft de Commissie niet aangetoond dat het Koninkrijk België in de concrete gevallen die het voorwerp van de onderhavige procedure vormen, de gemeenschapsregeling schendt. 57 Het Verenigd Koninkrijk betoogt in wezen dat wanneer voor een recht volledig zekerheid is gesteld door middel van een afzonderlijke zekerheid (waarin artikel 373 van de uitvoeringsregeling voorziet), in welk geval de lidstaat zich ervan kan verzekeren dat deze effectief en toereikend is, en vrij kan vaststellen welke soort zekerheid hij verlangt, deze staat verplicht is om dit bedrag na het verstrijken van de relevante termijn op te nemen in boekhouding A (overeenkomstig artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000), tenzij de aangever, degene die zekerheid heeft gesteld of een andere persoon op grond van het nationale recht vóór het verstrijken van voornoemde termijn de betrokken rechten heeft betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan. Wanneer voor een recht geheel of gedeeltelijk geen zekerheid is gesteld en de douaneautoriteiten op correcte wijze gebruik hebben gemaakt van hun door het gemeenschapsrecht omkaderde bevoegdheid om een vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling te verlenen of krachtens artikel 361 van de uitvoeringsverordening het bedrag van de zekerheid op een lager niveau vast te stellen, dan moet er voor de toepassing van de regeling van worden uitgegaan dat voor de schuld geen zekerheid is gesteld en dat deze moet worden opgenomen in boekhouding B. Wanneer voor een recht slechts gedeeltelijk zekerheid is gesteld, moet de lidstaat slechts het gedeelte waarvoor daadwerkelijk zekerheid is gesteld, in boekhouding A kunnen opnemen. Wanneer een recht wordt gedekt door een doorlopende zekerheid, moet er voorts echter van worden uitgegaan dat geen zekerheid is gesteld totdat de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de dekking toereikend is en dat voor het recht dus werkelijk een effectieve en toereikende zekerheid is gesteld. – Beoordeling door het Hof 58 In de onderhavige zaak wordt noch het bestaan van de douaneschuld noch het bedrag van de litigieuze rechten, te weten respectievelijk 44,62 EUR, 205,55 EUR en 111,78 EUR, betwist. De Belgische regering verzet zich echter tegen het verwijt van de Commissie dat zij de litigieuze bedragen te laat in boekhouding A heeft opgenomen, namelijk pas na de daadwerkelijke inning ervan aan het einde van 1997. 59 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 bepaalt dat de lidstaten een boekhouding van de eigen middelen moeten voeren bij de schatkist of bij het orgaan dat zij aanwijzen. Ingevolge lid 3, sub a en b, van deze bepaling zijn de lidstaten verplicht de „overeenkomstig artikel 2 [van deze verordening] vastgestelde” rechten uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, hetzij in boekhouding A, hetzij – wanneer bepaalde voorwaarden zijn vervuld – in boekhouding B op te nemen. 60 Volgens artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 1150/2000 geldt een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen als vastgesteld, „zodra” is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften wat de „boeking” van het bedrag van het recht en de „kennisgeving” daarvan aan de belastingschuldige betreft. Het tijdstip dat voor de in dit lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking moet worden genomen, is het tijdstip van de boeking bedoeld in de douanevoorschriften. 61 Wat de „boeking” en de „kennisgeving” van het bedrag van het recht aan de belastingplichtige betreft, verwijst artikel 2 van verordening nr. 1150/2000 naar de douanevoorschriften, in casu het douanewetboek en de uitvoeringsverordening. 62 Zoals het Hof heeft opgemerkt in punt 59 van voormeld arrest Commissie/Denemarken, blijkt uit de artikelen 217, 218 en 221 van het douanewetboek dat aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan wanneer de douaneautoriteiten over de noodzakelijke gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen (zie in die zin arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 71, en Commissie/Duitsland, C-104/02, Jurispr. blz. I-2689, punt 80). De lidstaten mogen de vaststelling van schuldvorderingen niet achterwege laten, zelfs niet indien zij deze betwisten, omdat anders het financiële evenwicht van de Gemeenschappen wordt verstoord door het gedrag van een lidstaat (arrest Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, punt 60). 63 De lidstaten zijn derhalve verplicht een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen, zodra hun douaneautoriteiten in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en zij de belastingschuldige kunnen aanwijzen (arrest Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, punt 61), en dienen deze rechten dan ook overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 1150/2000 op te nemen in de boekhouding. 64 In casu wordt de Belgische autoriteiten niet verweten dat zij het betrokken recht op de eigen middelen te laat hebben vastgesteld, noch dat zij hebben nagelaten de vastgestelde rechten onmiddellijk na deze vaststelling in de boekhouding op te nemen, maar dat zij de litigieuze bedragen, die in overeenstemming met de voorschriften van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening zijn vastgesteld en waarvan de hoofdschuldenaar kennis is gegeven, binnen de in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000 gestelde termijn in boekhouding B hebben opgenomen in plaats van in boekhouding A. 65 Met betrekking tot de boeking van de eigen middelen bepaalt artikel 6, lid 3, sub a en b, van verordening nr. 1150/2000 dat de lidstaten verplicht zijn de overeenkomstig artikel 2 van die verordening vastgestelde rechten uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in boekhouding A op te nemen, onverminderd de mogelijkheid die zij hebben om binnen dezelfde termijn in boekhouding B de vastgestelde rechten op te nemen die „nog niet zijn geïnd en [waarvoor] geen zekerheid is gesteld”, evenals de vastgestelde rechten „waarvoor een zekerheid is gesteld, [...] indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is”. 66 Voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen bepaalt artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 dat elke lidstaat op de in artikel 10 van deze verordening aangegeven wijze de eigen middelen boekt op het credit van de rekening die daartoe op naam van de Commissie is geopend. Overeenkomstig lid 1 van laatstgenoemde bepaling geschiedt de boeking van de eigen middelen, na aftrek van de inningskosten, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van deze verordening is vastgesteld, met uitzondering van de krachtens artikel 6, lid 3, sub b, van de verordening in boekhouding B opgenomen rechten, waarvoor de boeking uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de „inning” van de rechten, dient te geschieden. 67 De Belgische regering betoogt ten eerste dat de rechten die in de onderhavige procedure aan de orde zijn, werden „betwist” in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000, zodat de betrokken bedragen op goede gronden in boekhouding B konden worden opgenomen totdat zij daadwerkelijk waren geïnd. Een betwisting in de zin van deze bepaling blijkt haars inziens reeds uit de weigering van betaling, zonder dat er sprake is van een formeel beroep. Zij kan evengoed uitgaan van degene die zekerheid heeft gesteld, als van de hoofdschuldenaar. 68 Louter het uitblijven van betaling van de litigieuze bedragen kan niet worden geacht neer te komen op een betwisting van de rechten in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000. Artikel 243, lid 1, derde alinea, van het douanewetboek bepaalt uitdrukkelijk dat het voor iedere persoon openstaande beroep tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken, moet worden „ingesteld” in de lidstaat waar de beschikking is genomen of waar om een beschikking is verzocht. Lid 2 van dit artikel bepaalt nader dat het recht op beroep in eerste instantie kan worden uitgeoefend „bij de [...] douaneautoriteit” en vervolgens „bij een onafhankelijke instantie”. Het in artikel 243 aldus geformuleerde vereiste van een formeel beroep is nodig om redenen van rechtszekerheid en maakt het mogelijk te verzekeren dat de bepalingen op douanegebied snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen (zie met name arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 60). 69 Onder deze omstandigheden en bij gebreke van bewijs van een betwisting van de litigieuze rechten door de hoofdschuldenaar binnen de in artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000 gestelde termijn moet worden geconcludeerd dat de Belgische regering niet bewijst dat het gedrag van de hoofdschuldenaar heeft kunnen rechtvaardigen dat deze rechten in boekhouding B werden opgenomen. 70 Wat het argument betreft dat een betwisting in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000 ook kan uitgaan van degene die zekerheid heeft gesteld, volstaat de opmerking dat de Belgische regering in het onderhavige geval niet heeft aangetoond of zelfs maar beweerd dat de betrokken rechten vóór het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn zijn betwist door degene die zekerheid heeft gesteld, of dat de waarde van de litigieuze rechten wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is. 71 De Belgische regering betoogt ten tweede dat de betrokken niet-geïnde rechten terecht in boekhouding B konden worden opgenomen, omdat daarvoor niet werkelijk zekerheid was gesteld in de zin van dit artikel 6, lid 3, sub b, bij het verstrijken van de termijn die is gesteld voor het in de boekhouding opnemen van de litigieuze rechten. 72 Dienaangaande volstaat de opmerking dat deze regering, die erkent dat voor de litigieuze rechten een zekerheid was gesteld, in ieder geval niet aantoont dat deze zekerheid niet toereikend was om de betaling van deze bedragen bij het verstrijken van de bedoelde termijn te waarborgen. 73 De onjuiste boeking van de rechten in boekhouding B heeft tot gevolg gehad dat de desbetreffende eigen middelen te laat op de rekening van de Commissie zijn geboekt, hetgeen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van verordening nr. 1150/2000 moet geschieden binnen dezelfde termijn als die welke krachtens artikel 6, lid 3, sub a, van deze verordening geldt voor het opnemen van deze rechten in boekhouding A. 74 Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van die verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden waarom de boeking op de rekening van de Commissie te laat is geschied (zie met name arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 91). 75 Bijgevolg geven de vastgestelde te late boekingen van de eigen middelen op de rekening van de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 recht op vertragingsrente. Het Koninkrijk België betwist niet dat het deze rente niet heeft betaald. 76 De eerste grief van de Commissie, inzake schending van de artikelen 6, 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, is derhalve gegrond.
De tweede grief, inzake de weigering informatie te verstrekken aan de Commissie
– Argumenten van partijen 77 Met betrekking tot de grief inzake de weigering van de Belgische autoriteiten om de Commissie een overzicht te verstrekken van de niet-gezuiverde aangiften voor communautair douanevervoer sinds 1995 en van andere verrichtingen waarvan de boeking op haar rekening te laat heeft plaatsgevonden, stelt de Commissie dat deze autoriteiten er volledig van op de hoogte waren dat zij bezig was te onderzoeken of in meer dan enkele afzonderlijke gevallen een rectificatie nodig was. Daarom hadden deze autoriteiten niet alleen de tijdens het controlebezoek geverifieerde documenten, maar ook alle documenten die eenzelfde boekhoudkundige behandeling hadden ondergaan, langer dan drie kalenderjaren, te rekenen vanaf het einde van het jaar waarop deze bewijsstukken betrekking hebben, moeten bewaren. Door deze documenten te vernietigen hebben zij artikel 3 van verordening nr. 1150/2000 geschonden. Bovendien rust op het Koninkrijk België de samenwerkingsverplichting die uit artikel 10 EG voortvloeit, en had het deze informatie dus aan de Commissie moeten verstrekken (zie arrest van 7 maart 2002, Commissie/Italië, C-10/00, Jurispr. blz. I-2357, punten 88 en 89). Uit het feitenverloop blijkt duidelijk dat de Belgische regering, anders dan deze beweert, er niet van had mogen uitgaan dat de Commissie genoegen had genomen met de antwoorden die haar in de loop van de precontentieuze fase van de procedure waren verstrekt. 78 De Belgische regering merkt op dat de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de controles van de eigen middelen formeel en specifiek zijn vastgelegd in artikel 18 van verordening nr. 1552/89. 79 Het Koninkrijk België heeft op goede gronden kunnen aannemen dat het de communautaire regeling juist had toegepast. 80 Zoals het door de Commissie was geformuleerd, was het verzoek om alle in een Belgisch douanekantoor geldig gemaakte aangiften voor extern communautair douanevervoer die in de 14e maand na de geldigmaking niet waren gezuiverd, dat wil zeggen ongeveer 10 000 aangiften per jaar, te controleren en de boekhoudkundige gegevens voor een periode van meer dan drie jaar te verstrekken, volgens de Belgische regering te onnauwkeurig, wat het bedoelde geval betrof, en stond het niet in verhouding met de vaststellingen van de ambtenaren van de Commissie die de controle hadden uitgevoerd (drie niet-gezuiverde aangiften T1 die respectievelijk betrekking hadden op een bedrag aan rechten van 44,62 EUR, 205,55 EUR en 111,78 EUR). Bovendien was het absoluut onmogelijk om ongeveer 30 000 dossiers te openen, gelet op de beschikbare middelen en het beschikbare personeel en omdat de archieven niet (langer dan de verplichte termijn van drie jaar) waren bewaard. Het was voor de Belgische regering onmogelijk om, onder redelijke voorwaarden en zonder haar diensten en haar organisatie te destabiliseren, de documenten te vinden of de gevraagde verificatie uit te voeren (zie naar analogie arrest van 7 maart 2002, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 91). 81 Het bewaren van de documenten zou alleen al voor de jaren 1995 tot en met 1997 betrekking hebben gehad op ongeveer 12 miljoen aangiften met de bijbehorende bewijsstukken, zonder de aangiften voor het lopende jaar mee te rekenen. De bewaring en de opslag zouden materieel en financieel veel middelen opeisen. Het zou materieel en financieel onmogelijk zijn om de bewaringsduur van deze stukken met verscheidene jaren te verlengen. – Beoordeling door het Hof 82 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 10 EG dat de lidstaten te goeder trouw moeten meewerken aan ieder door de Commissie krachtens artikel 226 EG verricht onderzoek en haar daartoe alle gevraagde informatie moeten verstrekken (zie met name arrest van 6 maart 2003, Commissie/Luxemburg, C-478/01, Jurispr. blz. I-2351, punt 24). 83 Wat de verplichting van de lidstaten betreft om in loyale samenwerking met de Commissie de maatregelen te treffen die de toepassing verzekeren van de bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende de vaststelling van eventuele eigen middelen, heeft het Hof verklaard dat uit deze verplichting, die inzake verificatie meer specifiek is vastgelegd in artikel 18 van verordening nr. 1552/89, in het bijzonder voortvloeit dat wanneer de Commissie grotendeels op de door de betrokken lidstaat verstrekte gegevens is aangewezen, deze lidstaat alle bewijsstukken en andere nuttige documenten onder redelijke voorwaarden ter beschikking van de Commissie moet stellen, zodat zij kan verifiëren of, en zo ja, in welke mate de betrokken bedragen eigen middelen van de Gemeenschappen vormen (arrest van 7 maart 2002, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punten 89-91). 84 Bij de door de ambtenaren van de Commissie in december 1997 in België uitgevoerde controles is gebleken van een aantal gevallen van definitief vastgestelde rechten in verband met verrichtingen onder geleide van documenten T1 die in boekhouding B waren opgenomen, ofschoon zij volgens de Commissie in boekhouding A hadden moeten worden opgenomen. Als gevolg daarvan heeft zij de Belgische autoriteiten sinds april 1998 herhaaldelijk verzocht om na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hadden voorgedaan door een te late boeking in boekhouding A en haar in voorkomend geval over deze gevallen in te lichten, zodat zij de vertragingsrente kon berekenen die overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 wegens het te laat ter beschikking stellen van de eigen middelen was verschuldigd. 85 Door niet aan dit verzoek te voldoen, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die krachtens artikel 10 EG op hem rusten. 86 Zoals in punt 84 van dit arrest is opgemerkt, berustte het verzoek van de Commissie immers op de vaststelling, bij de in december 1997 uitgevoerde controle, van een aantal gevallen waaruit volgens haar een schending van verordening nr. 1552/89 bleek. De Commissie had derhalve het volste recht om het Koninkrijk België te verzoeken haar inlichtingen te verschaffen over andere, vergelijkbare gevallen vanaf 1 januari 1995, en de lidstaten moeten op grond van artikel 3, eerste alinea, van deze verordening juist alle dienstige maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat de bewijsstukken betreffende de vaststelling en de terbeschikkingstelling van de eigen middelen gedurende ten minste drie kalenderjaren, te rekenen vanaf het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben, worden bewaard. 87 Met de omvang en de complexiteit van de aan de douaneadministratie opgedragen taken kan geen rekening worden gehouden, alleen al omdat de Belgische autoriteiten hun standpunt motiveren met een uitlegging van de communautaire regeling die door het Hof niet is aanvaard (zie de punten 67 en 68 van dit arrest). 88 Door de archieven met betrekking tot de desbetreffende periode te vernietigen, met inbegrip van de drie dossiers die het voorwerp van de onderhavige procedure vormen, heeft de Belgische regering duidelijk gehandeld in strijd met haar verplichtingen op grond van artikel 3 van verordening nr. 1150/2000, waarvan de derde alinea bepaalt dat indien bij een door de nationale overheidsdienst alleen of in samenwerking met de Commissie verricht onderzoek van de bewijsstukken een rectificatie van de op grond daarvan verrichte vaststelling noodzakelijk mocht blijken, zij zolang na het verstrijken van de in de eerste alinea van dit artikel genoemde termijn worden bewaard als nodig is voor het aanbrengen van de rectificatie en voor de controle daarop. 89 Onder deze omstandigheden is de tweede grief, inzake schending van artikel 10 EG en artikel 3 van verordening nr. 1150/2000, eveneens gegrond. 90 Gelet op het voorgaande, dient te worden geconcludeerd dat het Koninkrijk België, – door de vastgestelde rechten niet binnen de gestelde termijnen te boeken in de boekhouding bedoeld in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000, en – door niet na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hebben voorgedaan door een te late boeking in de in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding, door de archieven met betrekking tot deze periode te vernietigen en door deze vertragingen niet aan de Commissie mede te delen teneinde haar in staat te stellen de vertragingsrente te berekenen die overeenkomstig artikel 11 van deze verordening wegens het te laat ter beschikking stellen van eigen middelen is verschuldigd, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3, 6, 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, waarbij verordening nr. 1552/89, met hetzelfde voorwerp, met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen, en krachtens artikel 10 EG.
Kosten
91 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, draagt het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) Door de vastgestelde rechten niet binnen de gestelde termijnen te boeken in de boekhouding bedoeld in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, en door niet na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hebben voorgedaan door een te late boeking in de in artikel 6, lid 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding, door de archieven met betrekking tot deze periode te vernietigen en door deze vertragingen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen mede te delen teneinde haar in staat te stellen de vertragingsrente te berekenen die overeenkomstig artikel 11 van deze verordening wegens het te laat ter beschikking stellen van eigen middelen is verschuldigd, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3, 6, 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, met hetzelfde voorwerp, met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen, en krachtens artikel 10 EG. 2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten. 3) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans. |
|||||||