Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.02.1998

Date :
10-02-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Akkoord,Omzet,BTW,Belastingsupplementen

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.02.1998
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.02.1998
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.02.1998
Tax year : 2005
Document date : 10/02/1998
Keywords : Akkoord / Omzet / BTW / Belastingsupplementen
Document language : NL
Name : A 98/2
Version : 1
Court : appeal

ARREST A 98/2


Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.02.1998



Akkoord - Omzet - BTW - Belastingsupplementen

    Ingevolge een akkoord met de BTW-administratie werd een omzetverhoging vastgesteld, waaronder de BTW, die niet in mindering kan worden gebracht van de belastbare winst vermits aan te nemen is dat het bedrag aan BTW bij de verkoop of dienstverstrekking in rekening werd gebracht aan de klanten via de prijs van de producten en diensten, zoals trouwens voorgeschreven is.



6e Kamer

Voorzitter: M. Bertrand
Raadsheren: R. Thys, J.M. Wetsels
Advocaten: mr. Y. Mertens loco mr. L. Obbels, mr. A. Dumez

Gelet op de aanslag in de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting, gemeente Zandhoven, aanslagjaar 1991, inkomsten 1990, artikel 2723714, supplement aan artikel 2715381, toegezonden aan de belastingplichtigen op 11.12.1992;


Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 11 januari 1993;


Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 5 april 1994, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldigen, waardoor het bezwaarschrift werd afgewezen;


Gelet op het verzoekschrift tot voorziening tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 13 mei 1994, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving van dezelfde datum;


Overwegende dat eisers onder code 600 aangifte deden van een brutowinst van hun eigenlijke exploitatie van 956.060 Fr. op basis van een omzet van 29.657.920 Fr.; dat na aftrek van 423.443 Fr. beroepskosten ingevuld onder code 606 eisers een nettoresultaat onder code 607 aangaven van 532.617 Fr.;


Dat een aanvankelijke aanslag werd gevestigd waarbij in code 607 een bedrag van 562.617 Fr. werd opgenomen (zonder voorafgaand bericht van wijziging);


Overwegende dat met het akkoord van de gevolmachtigde van eisers d.d. 15.02.1992 een bedrag van 30.000 Fr. uit de forfaitaire beroepskosten werd verworpen, zodat het nettoresultaat in code 607 werd gewijzigd tot 591.381 Fr. en de toekenning in code 616 werd gebracht op 169.000 Fr.;


Overwegende dat de B.T.W.-administratie bij toepassing van artikel 59 § 1, van het B.T.W.-Wetboek voor het inkomstenjaar 1990 de met de B.T.W. belastbare omzet exclusief B.T.W. volgens de forfaitaire berekening in de balans berekende op 29.930.139 Fr., wat een verschil geeft ten opzichte van de aangegeven omzet van 272.219 Fr. en een supplementaire B.T.W. van 35.933 Fr.;


Dat de administratie der directe belastingen op 31.08.1992 een bericht van wijziging van aangifte verzond waarbij zij haar voornemen te kannen gaf de gegevens van de aangifte te willen wijzigen op grond dat naar aanleiding van de controle, verricht door de B.T.W.-administratie te Malle, het bedrag van de omzet met het akkoord van eisers werd verhoogd wat betreft de inkomsten van het jaar 1990 (volgens forfaitaire berekening), dat die vaststelling te beschouwen is als een bewijskrachtig gegeven dat uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven en dat een supplementaire aanslag zal worden geheven op basis van een netto-winst van 1.029.593 Fr.;


Dat eisers op 3.09.1992 niet akkoord gingen met de voorgenomen wijziging op grond dat: - de omzetverhoging van 272.219 Fr. forfaitair werd berekend; - de toevoeging van 35.933 Fr. B.T.W. bij de omzet niet als belastbare inkomsten kan aanzien worden; - de toekenning medewerkende echtgenote op 30% van de nettowinst moet worden gebracht, overeenkomstig de aangifte; - de toevoeging van 130.000 Fr. omzet voor verkoop van de personenwagen Toyota Carina onterecht is;

Dat de bestreden supplementaire aanslag werd gevestigd rekening houdend met een nettoresultaat in code 607 van 899.593 Fr., dus na verwerping van het bedrag van 130.000 Fr. met betrekking tot die Toyota uit de omzetberekening;


Dat eisers tijdig bezwaar instelden tegen deze aanslag op dezelfde gronden als aangegeven in hun brief d.d. 3.09.1992 en hun gevolmachtigde op 18.03.1994 aan de betrokken inspecteur schreef "... voor het jaar 1990 - aj. 1991 kunnen wij ons akkoord verklaren met een belastbare winst van 759.600 Fr., zijnde 591.381 aangegeven + 168.219 = verschil tussen 272.219 en 104.000 (auto);


Overwegende dat het bezwaar van eisers bij de bestreden beslissing werd afgewezen op grond dat: - de met het akkoord van eisers vastgestelde omzet 29.930.139 Fr. niet de 104.000 Fr. in verband met de auto bevatte; - de B.T.W. ten bedrage van 39.993 Fr. in verband met voormelde omzetverhoging terecht als belastbaar inkomen werd aangemerkt, nu moet aangenomen worden dat de belastingplichtige boven het bedrag van de niet aangegeven omzet, eveneens de daarop verschuldigde B.T.W. aan zijn klanten heeft aangerekend en hij die B.T.W. kan aftrekken als beroepskost in het jaar van de effectieve betaling, dit is 1992;

Overwegende dat eisers in voorziening de bestreden aanslag willen zien vernietigen op grond dat aan hun beroepsinkomsten ten onrechte 272.993 Fr. omzetverhoging, 35.993 Fr. B.T.W. en de prijs van de Toyota werd toegevoegd en de toekenning aan de meewerkende echtgenote werd bepaald op basis van 30% in plaats van 50%; dat zij in hun verzoekschrift tot voorziening tevergeefs aanvoeren dat de omzet ten onrechte werd verhoogd omwille van de verkoop van een personenwagen Toyota Carina, aangezien het bedrag van de verkoopprijs van dat voertuig (104.000 Fr.) geen bestanddeel uitmaakt van de door de B.T.W.-administratie vastgestelde omzet en evenmin door de taxatieambtenaar in de belastbare grondslag werd behouden; dat zij voor het eerst in datzelfde verzoekschrift als nieuwe feitelijke en bijgevolg onontvankelijke grief aanvoeren dat de toekenning aan de medewerkende echtgenote op 50% van de netto-winst moet worden gebracht in plaats van op 30%;


Overwegende dat moet worden vastgesteld dat eisers in hun aangifte opgave deden van een netto-winst die onjuist is bevonden en als zodanig door eisers werd erkend, wat blijkt uit de akkoordverklaring van hun gevolmachtigde met de verwerping van zekere forfaitaire beroepskosten en uit het akkoord omtrent een belastbare winst van 759.600 Fr.; dat eisers daarbij zijn uitgegaan van een omzet die onjuist was; dat de administratie bijgevolg gerechtigd is om vertrekkend van dat bekend en vaststaand gegeven de aangegeven belastbare inkomsten te vervangen door de werkelijke belastbare inkomsten die zij op regelmatige wijze aantoont;


Dat de taxatieambtenaar de bestreden aanslag steunt op de forfaitaire omzetberekening inzake B.T.W., waarmee eisers zich akkoord verklaarden;


Dat nergens uit blijkt of af te leiden is dat de omzet forfaitair zou zijn berekend zonder een doorgedreven en nauwgezette controle door de B.T.W.administratie en eisers akkoord zou zijn ingegeven geweest door andere beweegredenen dan dat de forfaitaire omzetberekening naar hun mening de werkelijke omzet geenszins overtrof;


Dat eisers bijgevolg ten opzichte van de administratie der B.T.W. hebben erkend minstens een zodanige omzet te hebben gehad en niet aan te nemen is dat hun ontvangsten uit eenzelfde beroepsactiviteit zouden verschillen naargelang de betrokken administratie;


Overwegende dat weliswaar de verhoging van de omzet met een forfaitair bepaald bedrag niet noodzakelijk een verhoging van het belastbaar nettoresultaat tot gevolg heeft, laat staan een verhoging met eenzelfde bedrag; dat in deze zaak echter aan te nemen is dat de beperkte omzetverhoging met 272.219 Fr. en met 35.993 Fr. B.T.W. voor het betrokken inkomstenjaar geen bijkomende aftrekbare bedrijfslasten heeft veroorzaakt en de administratie kon vermoeden dat die bewezen verhoging gepaard ging met een verhoging van het netto-resultaat met eenzelfde bedrag; dat eisers dat vermoeden geenszins weerleggen;


Overwegende dat eisers ten onrechte het bedrag van hun belastbare winst willen verminderd zien met 35.993 Fr. B.T.W.; dat immers aan te nemen is dat zij dat bedrag aan B.T.W. bij de verkoop of dienstverstrekking in rekening hebben gebracht aan de klanten via de prijs van hun producten en diensten, zoals trouwens voorgeschreven is; dat bij het vaststellen van de omzet het totale bedrag van de ontvangsten in aanmerking moeten worden genomen ten einde de belastbare grondslag te bepalen; dat eisers gebeurlijk die B.T.W. als beroepskosten in mindering kunnen brengen voor het inkomstenjaar waarin die B.T.W. effectief door hen zal worden betaald; dat die B.T.W. niet door eisers werd betaald in het betrokken inkomstenjaar;


Overwegende dat eisers in hun aangifte onder code 616 een bedrag van 159.785 Fr. als toekenning aan de medehelpende echtgenoot opgaven en die toekenning werd verhoogd tot 169.000 Fr. in de akkoordverklaring d.d. 15.02.1992; dat eisers niet aantonen dat zij zich daaromtrent in feite of in rechte zouden hebben vergist en er te dezen geen grond bestaat om dat bedrag te verhogen;


Overwegende dat de bestreden beslissing op juiste gronden het bezwaar van eisers heeft afgewezen en voor geen kritiek vatbaar is, zodat ze in al haar beschikkingen dient behouden te worden; dat de bestreden aanslag overeenkomstig de wet werd gevestigd;


Overwegende dat, op grond van de bepalingen van artikel 293 WIB (artikel 392 WIB/92) de kosten worden geregeld als in strafzaken zodat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is;


OM DIE REDENEN,


HET HOF, na beraad,


Recht doende op tegenspraak,


Gelet op artikel 24 bis van de wet van 15 juni 1935,


Gehoord in openbare terechtzitting, het rapport van Raadsheer J.M. Wetsels,


Verklaart de nieuwe feitelijke grief van eisers dat de toekenning aan de medewerkende echtgenoot 50% dient te bedragen in plaats van 30% onontvankelijk;


Verklaart voor het overige de voorziening toelaatbaar doch ongegrond,


Bevestigt de bestreden beslissing,


Verwijst eisers in de kosten, tot op heden aan de zijde van verweerder begroot op nihil.