Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 12.06.1995
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Verlaagd tarief,Deelneming in een andere vennootschap,Geldbelegging
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
||||||||||||||||||||||||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 12.06.1995
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 12.06.1995 Tax year : 2005 Document date : 12/06/1995 Document language : NL Modification date : 17/11/2006 15:50:25 Name : A 95/35 Version : 1 Court : appeal
ARREST A 95/35 Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 12.06.1995 FJF 95/184 Verlaagd tarief - Deelneming in een andere vennootschap - Geldbelegging Naar de klassieke leer van het Hof van Cassatie, die nog altijd door de rechtspraak wordt aangehouden, zijn de principes van het gemeen recht ook in het fiscaal recht toepasselijk, zolang dit laatste er niet van afwijkt. De definitie van het begrip 'deelneming' vermeld in artikel 113, § 2 WIB dient bijgevolg in het gemeen recht, en meer bepaald in het boekhoudrecht, gezocht daar de fiscale wetgeving er geen omschrijving van geeft. In casu mogen de aandelen die zijn verworven als geldbelegging (en als dusdanig werden geboekt) zonder enige vorm van duurzame band met deze vennootschap te creëren of enige medezeggingschap in deze vennootschap te verkrijgen, niet in aanmerking worden genomen om na te gaan of het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting al dan niet toepasselijk is. Voorzitter: dhr. van Gelder Raadsheren: dhr. Thys en mevr. Vanstraelen Advocaten: mr. Wauman loco mr. Dubois, mr. van Dessel loco mr. van Lidth de Jeude B.V.B.A. L. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gelet op de aanslag in de vennootschapsbelasting, Gemeente A.: Aanslagjaar 1990, artikel 0940868, supplement aan artikel 0876528, toegezonden aan de belastingschuldige op 10 december 1990, een belasting vorderend van 92.872 fr., op een grondslag van 714.401 fr.; Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 5 februari 1991; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 01/04/91/91072 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen I op 24 juli 1992, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor, wat het a.j. 1990 betreft, het bezwaarschrift werd afgewezen als ongegrond; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 21 augustus 1992, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 21 augustus 1992; Overwegende dat aanvankelijk de betwisting over de aanslagjaren 1989 en 1990 ging maar door de beslissing de aanslag a.j. 1989 volledig werd ontheven; Overwegende dat appellante haar aangifte in de vennootschapsbelasting indiende, waarna een niet bestreden aanslag art. 0876528 (stuk 16) werd gevestigd; Overwegende dat op 19 september 1990 een bericht van wijziging werd gezonden waarin werd gezegd: - art. 126 WIB bepaalt, dat het tarief van de vennootschapsbelasting is vastgesteld op 43 pct, o.a. voor de in art. 113 par. 2 WIB bedoelde vennootschappen; - art. 113 par. 2 betreft de vennootschappen die deelnemingen bezitten, waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 %, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal, eventueel gerevaloriseerd overeenkomstig art. 119 WIB, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden; - de waarde van de deelnemingen en het bedrag van het maatschappelijk kapitaal, de reserves en de meerwaarde moeten worden genomen, de dag waarop de vennootschap, die de deelnemingen bezit, haar balans heeft afgesloten; - voor de vennootschap B.V.B.A. L.:
Overwegende dat appellante tijdig antwoordde dat zij niet akkoord ging en dat zij niet onder de toepassing van art. 113 par. 2 WIB kwam; (stuk tussen 18 en 19); Overwegende dat de bestreden aanslag werd gevestigd (stuk 23); Overwegende dat appellante een met redenen omkleed bezwaarschrift indiende (stuk 24); Overwegende dat de bestreden beslissing o.m. zegt dat de vennootschap niet van het verlaagd tarief van art. 126, 2e alinea WIB kon genieten en verder: '... Overwegende dat reklamant, bij gebrek aan een duidelijke interpretatie van het begrip deelnemingen, zich hiervoor beroept op de boekhoudwetgeving (nl. KB 8/10/1976, bijlage; Hoofdstuk III, deel 1, IV); dat de Administratie nochtans in haar kommentaar (110/47) voorschrijft dat geen onderscheid mag gemaakt worden tussen effekten die op boekhoudkundig vlak in te delen zijn bij de 'Financiële Vaste Aktiva' en deze die voorkomen onder 'Geldbeleggingen'; Overwegende dat het woord 'Deelneming' in artikel 113 par. 2 WIB werd opgenomen door de Wet van 23/6/1973 en het bijgevolg niet passend is dit begrip te omschrijven aan de hand van een wettekst welke pas later, i.c. 12/9/83, in voege trad; temeer dat de regering in de memorie van toelichting van deze boekhoudwet van 17/7/75 uitdrukkelijk verklaarde dat 'zij de effektieve draagwijdte van de fiskale wetgeving niet onrechtstreeks wil wijzigen'; dat de Minister in zijn antwoord op een parlementaire vraag bevestigde dat voor het begrip 'Financiële Vennootschappen' (deze bedoeld in artikel 126, 3 o alinea, a en verwijzend naar artikel 113 par. 2) niet alleen die deelnemingen moeten in aanmerking genomen worden welke geboekt zijn als 'Financiële Vaste Aktiva', maar ook de aandelen welke voorkomen op rekening 51 - Aandelen (vragen en antwoorden, Kamer 4/08/1987, n o 36, p. 3763); Overwegende dat bijgevolg voor de toepassing van art. 126, 3 o lid, a en art. 113 par. 2 WIB aan het begrip 'Deelnemingen' (vóór 236/1973: participaties) de betekenis dient gegeven welke van toepassing is sinds de Wet van 15/7/66, nl. aandelen van kapitaalvennootschappen; Overwegende dat de in aanmerking te nemen deelnemingen voor het aanslagjaar 1989: 892209 bedragen, bedrag welk kleiner is dan 50 % van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de aanslagen reserves en de geboekte meerwaarden (2.683.371 : 2 = 1.341.686); dat bijgevolg het verminderd tarief van toepassing is in tegenstelling met de doorgevoerde taxatie welke bijgevolg onterecht werd gevestigd; Overwegende dat voor het aanslagjaar 1990 de in aanmerking te nemen deelnemingen 2.182.583 bedragen, bedrag welk groter is dan 50 % van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de aangeslagen reserves en de geboekte meerwaarden (3.358.297 : 2 = 1.679.149); dat de vennootschap ingevolge artikel 126, 3 o lid, a uitgesloten is van het verlaagd tarief bedoeld in het 2 o lid van genoemd artikel; dat de taxatie bijgevolg terecht is; ...'; Overwegende dat appellante in haar conclusie verzoekt dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Arbitragehof; Overwegende dat in de oorspronkelijke aanslag het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting werd toegepast; Overwegende dat in de supplementaire aanslag daarentegen het normale tarief van (voor aanslagjaar 1990) 43 % werd toegepast; Overwegende dat de administratie oordeelde dat appellante voor het betrokken aanslagjaar 1990 deelnemingen bezat die 50 % van het nog terug te betalen werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden overschreden, zodat het verlaagd tarief was uitgesloten op basis van art. 126 derde lid, a WIB; Overwegende dat geen betwisting bestaat over de som van het nog terug te betalen werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal, de belaste reserves en de geboekte meerwaarden om het betwiste aanslagjaar op BEF 3.358.297 te bepalen; Overwegende dat hieruit volgt dat 50 % van dit bedrag (BEF 1.679.149) de parameter vormt om het bedrag aan deelnemingen aan te toetsen; Overwegende dat de betwisting daarentegen betreft de draagwijdte van het begrip 'deelneming'; Overwegende dat appellante meent, dat onder de term 'deelneming', enkel de onder financiële vaste activa geboekte aandelen kunnen behoren (in casu BEF 180.800), zodat het verlaagd tarief toepasselijk is; Overwegende dat de administratie daarentegen van oordeel is dat ook de aandelen die in de balans zijn opgenomen onder de rubriek 'geldbeleggingen' moeten meegerekend worden om na te gaan of hogervermelde 50 % - grens van BEF 1.679.149 is overschreden; Overwegende dat dit in casu het geval zou zijn volgens onderstaande berekening:
A. Het begrip 'deelneming'Overwegende dat artikel 126, 3e lid a. WIB stelt, dat het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting niet van toepassing is voor de in artikel 113 par. 2 WIB bedoelde vennootschappen;Overwegende dat in artikel 113 par. 2 WIB de ondernemingen worden bedoeld, die deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 % (...) van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de aangeslagen reserves en de geboekte meerwaarden; Overwegende dat naar de klassieke leer van het Hof van Cassatie, die nog altijd door de rechtspraak wordt aangehouden, de principes van het gemeen recht ook in het fiscaal recht toepasselijk zijn, zolang dit laatste er niet van afwijkt (Cass., 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218; R.v.St., 21 december 1983, F.J.F., 1984, nr. 84/117); Overwegende dat de definitie van het begrip 'deelneming' bijgevolg in het gemeenrecht dient gezocht, daar de fiscale wet er geen omschrijving van geeft; 1. periode voor de boekhoudwetgevingOverwegende dat het begrip 'deelneming' in het WIB is ingevoerd met de wet van 25 juni 1973 in het raam van de D.B.I. - aftrek; dat voorheen van 'participatie' werd gesproken;Overwegende dat de historiek van beide begrippen in het WIB schematisch als volgt kan geschetst worden: - de Wet houdende hervorming van de inkomstenbelasting van 20 november 1962 bepaalde in art. 34 § 3 lid 3 dat de DBI-aftrek van 85 % werd verhoogd tot 95 % voor industriële vennootschappen op voorwaarde dat ze geen participaties bezaten waarvan de beleggingswaarde 50 % overschreed van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de aangeslagen reserves en de geboekte meerwaarden; - ingevolge het K.B. van 26 februari 1964 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de inkomstenbelastingen werd hogervermelde bepaling artikel 113 § 2 WIB; - met de wet van 15 juli 1966 werd het basistarief van de D.B.I.-aftrek op 95% gebracht, doch verlaagd tot 90% voor de ondernemingen die participaties bezaten waarvan de beleggingswaarde meer bedroeg dan hogervermelde 50% grens; er werd evenwel aan toegevoegd, dat de actieve en bestendige participaties die minstens 75% vertegenwoodigden van het maatschappelijk kapitaal van de emitterende vennootschap, niet in aanmerking werden genomen om de 50%-grens te berekenen; - met de wet van 25 juni 1973 werden de begrippen 'participatie' en 'bestendig' vervangen door respectievelijk 'deelneming' en 'vast'; bovendien werd de toepassing van de D.B.I.-aftrek zelf afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de ontvangen inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen op vaste deelnemingen moesten betrekking hebben; Overwegende dat de voorbereidende werkzaamheden van geen van voornoemde wetten enige verklaring geeft van wat onder deze termen 'participatie' of 'deelneming' dient te verstaan; Overwegende dat de directoriale beslissing ten onrechte voorhoudt dat voormelde begrippen sedert de wet van 15 juli 1966 als 'aandelen van kapitaalvennootschappen' zouden moeten begrepen worden; 2. sedert de invoering van de boekhoudwetgevinga) Overwegende dat er algemeen wordt aanvaard, dat de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en het daaruit voortgevloeide Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976, sedert de inwerkingtreding ervan, het gemeen recht uitmaakt dat, met de daarin bepaalde basisbegrippen, criteria en algemeen geldende regels, als referentie dient voor de toepassing van het fiscaal recht, behoudens specifieke afwijkende bepalingen van de fiscale wet (Gelders, G., Boekhoudrecht en fiscaliteit, Bull. Bel., 1984, nr. 628, 1313-1314 Antwerpen, 15 september 1987, T.R.V., 1988, 154);Overwegende dat in de boekhoudwetgeving het begrip 'deelneming' wel blijkt omschreven; Overwegende dat de bijlage bij hierboven vermeld boekhoudbesluit (K.B. van 8 oktober 1976) het begrip 'deelneming' duidelijk situeert binnen de balansrubriek 'financiële vaste activa' en omschrijft een deelneming als: 'de maatschappelijke rechten die in andere vennootschappen worden aangehouden om met deze laatste een duurzame band te scheppen, wanneer de bezitter medezeggingschap verkrijgt in die andere vennootschap'; Overwegende dat een 'deelneming' tot bewijs van het tegendeel wordt vermoed te zijn: '1 o. het bezit van maatschappelijke rechten die één tiende vertegenwoordigen van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van een vennootschap; 2 o het bezit van maatschappelijke rechten die een quotum van minder dan tien procent vertegenwoordigen: a) wanneer ze, samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde vennootschap worden aangehouden door de filialen en sub-filialen van de onderneming, één tiende bereiken van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van een vennootschap; b) wanneer de daden van beschikking over deze aandelen of deelbewijzen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die de onderneming heeft aangegaan'; Overwegende dat een deelneming volgens het (in fiscale zaken gemeenrechtelijk) boekhoudrecht niet kan voorkomen onder de balansrubriek geldbeleggingen, gelet op de boekhoudrechtelijke definitie van dit laatste begrip: 'Deze rubriek omvat de vorderingen die op termijnrekeningen op meer dan één maand bij financiële instellingen worden aangehouden, evenals de effecten die als belegging werden verworven en niet de aard hebben van financiële vaste activa'. b) Overwegende dat in de directoriale beslissing wordt gesteld, dat het niet passend is het begrip 'deelneming', ingevoerd in het WIB bij wet van 23 juni 1973, te omschrijven aan de hand van de pas later ingevoerde boekhoudwetgeving; Overwegende dat ter staving van deze betwiste stelling verwezen wordt naar de memorie van toelichting bij de boekhoudwet van 17 juli 1975, waarbij de toenmalige regering verklaarde dat zij door de invoering van de boekhoudwetgeving 'de effectieve draagwijdte van de fiscale wetgeving niet onrechtstreeks wil wijzigen'; Overwegende dat de rechtsleer het er echter over eens is dat het bij deze zogenaamde fiscale neutraliteit van het boekhoudrecht om een politiek en niet om een juridisch beginsel gaat; Overwegende dat de fiscale neutraliteit niet automatisch werkt; dat het enkel een politiek engagement van de regering is om te vermijden dat de principiële gelding van het boekhoudrecht in fiscale aangelegenheden aanleiding zou geven tot een verhoging van de belastingdruk (Van Den Stockt, A., Fiscale neutraliteit van het boekhoudrecht: politiek of juridisch beginsel?, in: Gentse Geschriften - Raakpunten tussen fiscaal recht en boekhoudrecht, Van Crombrugge, S. (ed.), Kalmthout, Biblo, 1990, 20); Overwegende dat deze politieke doelstelling een dubbele taak met zich meebracht; dat enerzijds, men in het boekhoudrecht bepalingen moest opnemen die ingegeven waren door fiscale overwegingen en anderzijds moest men sommige wettelijke of bestuursrechtelijke fiscale bepalingen aanpassen of invoeren, rekening houdend met het boekhoudrecht (Gelders, G., o.c. 1314, met voorbeelden); Overwegende dat in ieder geval een wijziging noodzakelijk was, hetzij van de boekhoudwetgeving, hetzij van de fiscale wetgeving voor de gevallen waarin de invoering van de boekhoudwet (met haar uitvoeringsbesluiten) tot een verstoring van de voorgenomen fiscale neutraliteit zou leiden; Overwegende dat enkel kan vastgesteld worden dat sedert de invoering van de boekhoudwetgeving, het begrip 'deelneming' geen aparte wettelijke fiscale omschrijving heeft gekregen, waaruit dient afgeleid dat de betekenis van het begrip 'deelneming', zoals het sedert de invoering van de boekhoudwetgeving is omschreven, eveneens in fiscale zaken toepasselijk is; c) Overwegende dat de administratie aan de implimentatie van de boekhoudwetgeving in het fiscaal recht een circulaire heeft gewijd; dat met betrekking tot de portefeuillewaarden de fiscus hierin bevestigt dat het K.B. van 8 oktober 1976 een belangrijk onderscheid maakt tussen: '- eendeels de waarden die in de rubriek 'Financiële vaste activa' van de balans moet worden ingedeeld; - en anderzijds de waarden die in de rubriek 'Thesauriebeleggingen' moeten worden ingedeeld'.; Overwegende dat de circulaire vervolgt: 'Wat de regelen betreft die bepalend zijn voor de bedoelde indeling, wordt verwezen naar de bijlage bij het K.B. 8.10.1976, Hoofdstuk II - Omschrijving van de Rubrieken, Deel 1, Balans, rubrieken IV en VIII' (Circ. 31.3.1978 nr. Ci. RH. 421/290.379 Bull. Bel., 1978, nr. 562, 750-751); Overwegende dat de circulaire terzake aldus expliciet de boekhoudwetgeving overneemt, wat tot het besluit noopt dat zelfs in de visie van de fiscus 'deelnemingen' als subcategorie van de financiële vaste activa, nooit onder de balansrubriek 'geldbeleggingen' kunnen voorkomen; d) Overwegende dat het zo is dat bij twijfel omtrent een juiste interpretatie het adagium 'in dubio contra fiscum' dient toegepast; e) Overwegende dat in tegenstelling tot wat de directoriale beslissing laat uitschijnen, het vanzelf spreekt dat het antwoord op een parlementaire vraag, volgens hetwelk een 'deelneming' behalve de aandelen geboekt onder financiële vaste activa ook die geboekt onder geldbeleggingen omvat, onmogelijk kan ingaan tegen een duidelijke begripsomschrijving uit de boekhoudwetgeving (zie voor het principe: Antwerpen, 14 december 1978, R.W., 1979-1980, 1644); Overwegende dat bijgevolg, de aandelen die appellante heeft verworven als geldbelegging (en als dusdanig werden geboekt) mogen zonder enige vorm van duurzame band met deze vennootschap te creëren of enige medezeggingschap in deze vennootschap te verkrijgen, niet in aanmerking genomen worden om na te gaan of het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting al dan niet toepasselijk is; f) Overwegende dat het standpunt van de fiscus slechts kan gevolgd worden in de mate dat het zou betekenen dat het voor een vennootschap niet volstaat om een deelneming in de zin van de boekhoudwetgeving opzettelijk verkeerd te boeken onder de geldbeleggingen in plaats van onder financiële vaste activa om aldus het verlaagd belastingtarief te genieten; Overwegende dat het volstaat om de lijst te overlopen van de aandelen die door appellante onder de balansrubriek 'geldbeleggingen' werden geboekt (B 26/2), om te besluiten dat er in casu onmogelijk kan gesproken worden van verdoken deelnemingen; Overwegende dat het zeer bescheiden aantal aandelen dat appellante heeft belegd in beursgenoteerde vennootschappen uiteraard niet van aard is om enige duurzame band met deze vennootschappen te verwerven, laat staan appellante toe te laten enige medezeggenschap in deze vennootschappen te verkrijgen; B. De 'ratio legis' van de uitzonderingen op het verlaagd tariefOverwegende dat een analyse van de ratio legis van het art. 126, 3e lid a WIB eveneens tot het besluit noopt dat appellante niet van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting kan verstoken worden;Overwegende dat art. 39 van de Wet van 25 juni 1973 met ingang van aanslagjaar 1974 een nieuw art. 126 WIB invoerde, waarbij in de vennootschapsbelasting enerzijds een basistarief werd ingesteld en anderzijds een verlaagd tarief voor de vennootschappen waarvan de winst een bepaald plafond niet overschreed; Overwegende dat, zoals uit de voorbereidende werken bij de wet van 25.6.1973 blijkt, het van meet af aan de bedoeling was om de 'portefeuillevennootschappen en de financiële vennootschappen' van dit verlaagd tarief uit te sluiten; Overwegende dat deze doelstelling technisch werd gerealiseerd door in art. 126 WIB een verwijzing op te nemen naar de in art. 113 par. 2 WIB bedoelde vennootschappen, voor dewelke het verlaagd tarief niet van toepassing is; Overwegende dat het verslag van de commissie voor de financiën van de Senaat een omschrijving geeft van wat onder portefeuillevennootschappen en financiële vennootschappen dient te worden verstaan en tracht meteen de uitsluiting van het verlaagd tarief voor deze vennootschappen te verantwoorden: '(...) de portefeuillevennootschappen en de financiële vennootschappen - waarvan de belastbare winst voor een goed deel bestaat uit dividenden en inkomsten van belegde kapitalen, maar waarvan het belastbaar inkomen zeer laag kan zijn ingevolge de toepassing van het beginsel 'non bis in idem' (wanneer dividenden of inkomsten van belegde kapitalen als 'definitief belaste inkomsten' worden afgetrokken) - moeten wegens hun maatschappelijk doel worden uitgesloten van het genot van de bij het ontwerp bepaalde verminderde tarieven' (Ontwerp van wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, Gedr. St., Senaat, 1972-73, nr. 278, 50). ...'; Overwegende dat aldus duidelijk blijkt: a) dat de wetgever enkel de vennootschappen wier inkomen grotendeels uit dividenden bestaat en wier belastbaar inkomen bovendien door aftrek van definitief belaste inkomsten zeer beperkt wordt gehouden, wou uitsluiten van het verlaagd tarief; Overwegende dat de bedrijfswinst van appellante (BEF 518.745) daarentegen substantiëel is te noemen tegenover het veel bescheidener financiëel resultaat (BEF 171.965); dat dan nog grotendeels (BEF 100.914) voortkomt van gerealiseerde meerwaarden op thesauriebeleggingen, eerder dan van eigenlijk dividendinkomen (B 9/2); Overwegende dat appellante bovendien geen definitief belaste inkomsten van haar belastbaar resultaat in mindering heeft gebracht (B 8/3 - 4), wat ten overvloede aantoont dat appellante niet valt onder het begrip 'portefeuille- of financiële vennootschap' en derhalve niet kan uitgesloten zijn van het verlaagd tarief, nu blijkt dat de wetgever de uitsluiting van dit verlaagd tarief wou beperken tot voormelde vennootschappen; b) dat de wetgever enkel de vennootschappen wier maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het aanhouden van deelnemingen in andere vennootschappen wou uitsluiten van het verlaagd vennootschapstarief; Overwegende dat het maatschappelijk doel van appellante daarentegen de uitoefening van een gewone economische activiteit (boekhouding, advies, controle, expertisen, ...) betreft; Overwegende dat voor het reserveren van de winst in de vennootschap, mede gelet op het feit dat de activiteit van appellante geen grote investeringen vergt, aanzienlijke liquiditeiten ontstaan, die uiteraard worden belegd, gezien het winstoogmerk van elke vennootschap; Overwegende dat het waarschijnlijk niet de bedoeling van de wetgever was om de vennootschappen die hun overschot aan liquiditeiten beleggen (balansrubriek Activa - VIII geldbeleggingen) in plaats van deze als kasmiddelen of tegoeden op zicht bij kredietinstellingen aan te houden (balansrubriek Activa - IX Liquide middelen), uit te sluiten van het verlaagd tarief; Overwegende dat het Hof antwoordt op de conclusies van de Belgische Staat; Overwegende dat appellante op basis van de uitdrukkelijke definitie die in de boekhoudwet voorkomt, meent dat onder de term 'deelneming' enkel de onder financiële vaste activa geboekte aandelen kunnen behoren; Overwegende dat geïntimeerde daarentegen van oordeel is, dat alle aandelen die een vennootschap bezit als 'deelnemingen' moeten beschouwd worden, dus ook de aandelen die in de balans zijn opgenomen onder de rubriek 'geldbeleggingen'; Overwegende dat geïntimeerde in conclusie wenst aan te houden, dat het begrip 'deelneming' voormelde, van de boekhoudwet afwijkende, eigen fiscale betekenis zou hebben; A) Geïntimeerde verwijst daartoe vooreerst naar de DBI-regeling en vervolgens naar het meerwaardenstelsel;1) DBI-regeling (Definitief Belaste Inkomsten)Overwegende dat dient vastgesteld, dat in art. 111 1 o WIB niet enkel gesproken wordt over 'aandelen', zoals geïntimeerde voorhoudt, doch eveneens de term 'deelneming' voorkomt;Overwegende dat indien het inderdaad zo zou zijn, dat beide termen een identieke betekenis hadden, dan was er uiteraard geen reden om beide begrippen door elkaar te gebruiken; Overwegende dat bovendien in de visie van geïntimeerde de vervanging in (oud) artikel 112 WIB van het begrip 'deelnemingen' door 'aandelen of delen' door art. 276 3 o van de Wet van 22 december 1989 eveneens overbodig zou geweest zijn indien de term 'deelneming' toch de eigen fiscale betekenis van 'aandelen' had; Overwegende dat in werkelijkheid laatstvermelde vervanging in (oud) art. 112 WIB (toepasselijk voor de verrichtingen vanaf 1.1.1990) evenwel strikt noodzakelijk was ten einde de fiscale praktijk die er in bestond om ook voor de inkomsten van andere aandelen dan die deeluitmakend van deelnemingen de DBI-aftrek toe te staan, juridisch te funderen; Overwegende dat voormeld art. 112 WIB daarenboven niet dienstig is om het begrip deelneming te interpreteren, nu appellante samen met geïntimeerde vaststelt dat gezegd art. dat handelt over de 'vaste deelneming', enkel het aspect 'vast' verduidelijkt, wat in het raam van het verlaagd tarief niet ter sprake komt; 2) MeerwaardenstelselOverwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat in het raam van de (oude) art. 34 par. 1 3 o en 36 WIB enkel een vrijstellingsregime voor meerwaarden op 'deelnemingen' was ingesteld, terwijl krachtens de uitdrukkelijke bewoordingen van voormelde artikelen in werkelijkheid de meerwaarden op 'deelnemingen en portefeuillewaarden' zijn bedoeld;Overwegende dat in die omstandigheden, uiteraard alle aandelen werden bedoeld: enerzijds de aandelen die onder de financiële vaste activa werden aangehouden (deelnemingen), en anderzijds de aandelen die als geldbelegging werden verworven (portefeuillewaarden); Overwegende dat het door art. 260 van de Wet van 22.12.1989 gewijzigd art. 36 een inkrimping beoogde van het toepassingsgebied door de term 'deelnemingen en portefeuillewaarden' te vervangen door 'aandelen of delen', waardoor de vrijstelling van meerwaarden op portefeuillewaarden andere dan aandelen (vb. kasbons, obligaties, ...) verviel; Overwegende dat, gezien de beoogde inkrimping van het toepassingsgebied van voormeld art. 36 WIB het logisch is dat de parlementaire bescheiden in dit verband vermelden dat: dit artikel tot doel heeft om aandelen of deelbewijzen betreffende de bepalingen van art. 36 WIB te behouden (vrij vertaald van de tekst: 'Le présent article a pour but de maintenir en ce qui concerne les actions ou parts les dispositions de l'article 36 C.I.R.'); Overwegende dat uit deze verklaring evenwel niet kan afgeleid worden dat de voorheen gehanteerde term 'deelnemingen' identiek zou zijn aan de aangepaste term 'aandelen', wat nochtans de stelling is van geïntimeerde; B) Overwegende dat het verlaagd tarief is uitgesloten voor vennootschappen die deelnemingen bezitten die 50 % overschrijden van hun nog terug te betalen werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden;Overwegende dat het feit dat deelnemingen van minstens 75 % krachtens (oud) art. 113 par. 2 lid 2 WIB niet worden- meegerekend om voormelde 50 % grens te berekenen, de stelling van geïntimeerde niet kan ondersteunen;Overwegende dat met geïntimeerde kan beaamd worden dat dergelijke participaties van meer dan 75 % 'deelnemingen' zijn in de boekhoudkundige betekenis; dat de wetgever het evenwel opportuun geacht heeft om deze kwalificerende deelnemingen uit te sluiten, wat een expliciete tekst noodzakelijk maakte; C) Overwegende dat aangehaald arrest van het Hof van beroep te Bergen niet kan gevolgd worden, aangezien het miskent dat de term 'deelneming' wel degelijk is gedefinieerd door de wetgever in het kader van de boekhoudwetgeving, die sedert de invoering ervan het gemeen recht heeft uitgemaakt in fiscale zaken;Overwegende dat het Hof van mening is dat het afdoende redengevingen uiteengezet heeft die de stelling van geïntimeerde niet volgt;Overwegende dat derhalve het niet nodig acht om in te gaan op de subsidiaire stelling van appelante, om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; Om die redenen, Het Hof, Recht doende op tegenspraak: Gelet op art. 24 bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van voorzitter A. van Gelder; Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond; Wijzigt de bestreden beslissing; Verklaart het bezwaar gegrond; Doet de aanslag te niet; Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle op grond van de vernietigde aanslag ten onrechte geinde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 WIB 92; Verwijst geïntimeerde in de kosten. Noot: Zie Fiscale Koerier, 1995, p. 437. |
||||||||||||||||||||||||||||