Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 15.09.1994
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Dubbelbelastingverdrag
Texte original :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 15.09.1994
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 15.09.1994 Tax year : 2005 Document date : 15/09/1994 Document language : NL Name : A 94/41 Version : 1 Court : appeal
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 15.09.1994 8e Kamer Gelet op de aanslagen in de personenbelasting, gemeente Edegem a) aanslagjaar 1985, inkomsten 1984,artikel 727021, toegezonden aan de belastingschuldigen op30 maart 1987, een belasting vorderend van 84.265 F, opgrond van een belast inkomen van 560.643 F; b) aanslagjaar 1986, inkomsten 1985,artikel 7711114, toegezonden aan de belastingschuldigen op23 juni 1987, een belasting vorderend van 88.937 F, opgrond van een belast inkomen van 579.952 F;
Gelet op de bezwaarschriften, tijdig toegekomen bij debevoegde directeur respectievelijk op 15 april 1987 en26 juni 1987; Gelet op de beslissing waartegen voorziening genomen ondernummer 02018744179 door de gedelegeerde ambtenaar van dedirecteur van de directe belastingen van de gewestelijke directieAntwerpen II op 8 juli 1991, dezelfde datum aangetekendverzonden aan de belastingschuldigen, waardoor de bezwaarschriftenwerden afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediendter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 6 augustus1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d.5 augustus 1991; Overwegende dat appellanten voor het aanslagjaar 1985 en 1986tijdig hun aangiften in de personenbelasting indienden; Overwegende dat zij in vak V, D "pensioenen"aangaven:
Overwegende dat zij in vak V, J "inkomsten of uitgavenvan buitenlandse oorsprong" volgende bedragen aangaven metvermelding dat die in Nederland belastbaar waren:
Overwegende dat voor het aanslagjaar 1985, zonder voorafgaandbericht van wijziging, een aanslag werd gevestigd(artikel 6702185) waarin één bedrag i.v.m. de pensioenen werdvermeld: 583.662 (n.b.: zijnde 2 x 291.831); Overwegende dat appellanten een bezwaarschrift indienden(stuk 10); dat daarop een beslissing d.d. 18 november1985 (ook als stuk 10 genummerd) kwam, waardoor die aanslagnietig werd verklaard wegens schending van artikel 251WIB; Overwegende dat dan op grond van artikel 260 WIB, naverzending van een bericht van wijziging, de thans betwiste aanslagaj. 1985 werd gevestigd; Overwegende dat, wat het aj. 1986 betreft, een bericht vanwijziging werd verzonden op 10 april 1987 (stuk 27)waarop, zoals voor het vorige bericht (aj. 1985), tijdig werdgeantwoord; Overwegende dat de aanslag aj. 1986 werd gevestigd: Overwegende dat na de bezwaarschriften (stukken 2 en 3),de bestreden beslissing als volgt luidde: Overwegende dat reclamant niet akkoord gaat met bericht vanwijziging d.d. 19 november 1986 en 10 april 1987,inhoudende dat het pensioen enkel op naam van de man belast wordti.p.v. gesplitst tussen de echtgenoten; Overwegende dat volgens reclamant het inkomen uit Nederlandgeen pensioen is, maar een niet te belasten uitkering ingevolge eenvroeger vrijwillig betaalde verzekering waarvoor de premie nooitwerd afgetrokken; Overwegende dat reclamant beroep wil doen op de fiscalecommissie of comité van advies; Overwegende dat reclamant niet akkoord gaat met de toegepastewisselkoers; Overwegende dat reclamant sinds 1980 geen beroep meeruitoefent maar een gezinspensioen ontvangt uitbetaald door R.R.O.P.te Brussel en gesteld op naam van de 2 echtgenoten; Overwegende dat de splitsing zoals aangegeven in de aangifte,door reclamant zelf werd berekend en niet steunt op een afgeleverdbewijs; Overwegende dat met ingang van het aanslagjaar 1985 bijtoepassing van artikel 32quater van het Wetboek derinkomstenbelastingen de pensioenen die aan beide echtgenoten samenworden uitbetaald of toegekend, aangemerkt worden als inkomen vande echtgenoot wiens beroepswerkzaamheid aan de oorsprong ligt vanhet pensioen; Overwegende dat de man het ontvangen gezinspensioen op zijnnaam dient aan te geven gezien hij vanaf 1954 in België werkzaamwas als bediende onder sociaal statuut; Overwegende dat reclamant en zijn echtgenote sinds 1960 inBelgië wonen, maar nog steeds de Nederlandse nationaliteitbezitten; Overwegende dat door de Heer N.L. (reclamant), ten behoeve vaneen vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomwet(A.O.W.) en de Algemene Weduwen en Wezenwet (A.W.W.), een premiewerd betaald in de periode 1 januari 1957 - 25 januari1980; Overwegende dat op grond van deze premie de echtgenote vanreclamant medeverzekerd is; Overwegende dat vanaf 1980 reclamant een Nederlandsvervangingsinkomen geniet; Overwegende dat de uitkering van het Nederlandse pensioen alsgevolg van de betaalde premie, op naam staat van en dientaangegeven te worden door de persoon die de verzekering heeftafgesloten; Overwegende aldus dat het Nederlandse pensioen door de manmoet worden aangegeven en niet gesplitst tussen deechtgenoten; Overwegende dat door reclamant nooit de aftrek vanhogergenoemde premie werd gevraagd alhoewel deze aftrekbaar is voorinwoners van België die de Nederlandse nationaliteit bezitten en inBelgië in een dienstbetrekking werkzaam zijn; Overwegende dat de A.O.W. en/of A.W.W. uitkeringen van deSociale Verzekeringskas te Amsterdam, aan inwoners van Belgiëuitbetaald, uitsluitend in België mogen belast worden en inNederland vrijgesteld zijn, in gevolge artikels 18 en 22 vande Belgische-Nederlandse dubbel belastingsovereenkomst; Overwegende dat de A.O.W./A.W.W. uitkeringen aan te nemen zijnals bedrijfsinkomsten als bedoeld in artikel 20 ten 5de enartikel 32bis van het Wetboek der inkomstenbelastingen, daardeze uitkeringen rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben(of worden geacht betrekking te hebben) op een in artikel 20,1 tot 3, van het WIB bedoelde beroepswerkzaamheid; Overwegende dat de premie betaald werd op vrijwillige basisteneinde de in het buitenland (België) wonende reclamant(Nederlander) de kans te geven op een latere A.O.W. uitkering (inNederland is het een verplichte bijdrage). Overwegende dat reclamant, na inzage en bespreking van zijndossier op 30 mei 1991 geen duidelijk attest kan voorleggenwaaruit blijkt dat er op deA.O.W./A.W.W. uitkeringen effectiefNederlandse loonbelasting werd ingehouden; Overwegende dat uit een brief, afkomstig van de SocialeVerzekeringskas te Amsterdam blijkt dat de ontvangen bedragen 1. Nederlands pensioen betreft 2. uitbetaald zijn via de Postcheque teBrusselen dat in dit laatste geval er geen Nederlandse loonbelastingwordt ingehouden; Overwegende dat de vraag naar fiscale commissie niet duidelijkwerd uitgedrukt en dat de raadpleging hiervan niet verplichtis; Overwegende dat het hier over een princiepskwestie handeltwaarvoor de fiscale commissie niet bevoegd is; Overwegende dat de omzetting van het Nederlandse pensioen inBelgische F werd berekend volgens de gemiddelde koers in 1985 vande beurs van Brussel, nl. 17,89- Overwegende dat kosten met betrekking tot het innen ofoverschrijven van bedragen niet aftrekbaar zijn; Overwegende al het voorgaande zijn de aanslagen onderartikel 727021 voor het aanslagjaar 1985 en onderartikel 7711114 voor het aanslagjaar 1986 dan ook juistgevestigd en dienen zij behouden te blijven. ..." Overwegende dat hic et nunc kan worden vastgesteld dat devraag, wat de fiscale commissie betreft, niet door de Administratiemoest ingewilligd worden, nu de Administratie het recht heeft omniet in te gaan op het verzoek van de belastingplichtige(art. 252 WIB; Com. I.B. 252/51,R. 112.54); Overwegende dat tevens kan worden vastgesteld dat deAdministratie terecht de bedragen, in gulden bepaald, omzet inBelgische munt, berekend volgens de gemiddelde koers van de Beursvan Brussel van het relevante jaar; Overwegende dat de splitsing, door eerste appellant in deaangiften gedaan, in strijd was met de tekst vanartikel 32quater WIB (van toepassing vanaf aj. 1985), luidendals volgt: "De in artikel 20, 5°, bedoelde inkomsten dieaan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, wordenaangemerkt als inkomsten van de echtgenoot in wiensberoepswerkzaamheid zij voor het geheel of voor het grootstegedeelte hun oorsprong vinden"; Overwegende dat artikel 20, 5° WIB als bedrijfsinkomsteno.a. bepaalt: "pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten,zomede de als zodanig geldende toelagen, met uitsluiting van de inartikel 11, 6° bedoelde lijfrenten of tijdelijke renten en vande in artikel 67, 3°, bedoelde uitkeringen totonderhoud"; dat wat deze grief betreft, de beslissing wordt beaamd enovergenomen evenals de aanvullende conclusie van de BelgischeStaat; * * * Overwegende dat appellanten, binnen de in artikel 282 WIBbepaalde termijn, stukken indienden waarop het hof acht magslaan; Overwegende dat appellanten in hun eerste conclusie meermaalsverwijzen naar vroegere aanslagjaren, wat niet relevant is in debetwisting betreffende de aanslagjaren 1985 en 1986; Overwegende dat relevant is, artikel 18 van het D.B.V.Nederland - België, dat als volgt luidt: "Pensioenen. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19,§ 1, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaaldaan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegeredienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar"(artikel 19 is hier niet relevant); Overwegende dat, indien inwoners van België A.O.W.- of A.W.W.-uitkeringen van de Sociale Verzekeringskas te Amsterdam, ofparticuliere pensioenen ter uitvoering van eengroepsverzekeringscontract van een Nederlandse verzekeringskasontvangen, deze inkomsten in Nederland vrijgesteld zijn enuitsluitend in België mogen worden belast ingevolge artikel 18en 22 van het D.B.V. Nederland - België; Overwegende dat voor de taxatie van die uitkeringen enpensioenen zijn: de A.O.W.- en A.W.W.- uitkeringen aan te merkenals bedrijfsinkomsten bedoeld in artikel 20, 5°, enartikel 32bis WIB, daar de uitkeringen rechtstreeks ofonrechtstreeks betrekking hebben (of worden geacht betrekking tehebben) op een in artikel 20, 1° tot 3° WIB bedoeldeberoepswerkzaamheid; Overwegende dat de onderstreepte woorden het door het hofaanvaarde principe beklemtonen; Overwegende dat dit principe klaarblijkelijk in casu vantoepassing is; dat derhalve geen verder onderzoek nodig is i.v.m.de grieven en of middelen van appellanten; Overwegende dat het hof de bestreden beslissing beaamt,overneemt en tot de zijne maakt; OM DIE REDENEN; HET HOF; Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni1935; Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van de heervoorzitter A. van Gelder; Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beslissing; Verwijst appellanten in de kosten, tot op heden aan de zijdevan geïntimeerde, begroot op nihil. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||