Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 19.10.1993
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Individueel akkoord.,Behoorlijk bestuur.
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 19.10.1993
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 19.10.1993 Tax year : 2005 Document date : 19/10/1993 Document language : NL Modification date : 16/11/2006 15:11:21 Name : A 93/9 Version : 1 Court : appeal
ARREST A 93/9 Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 19.10.1993 FJF 94/127 Individueel akkoord. - Behoorlijk bestuur. Gedurende een tiental jaren aanvaardde de Administratie de door de belastingplichtige toegepaste verdeelsleutel tussen het privaat- en bedrijfsmatig gedeelte van de elektriciteits- en verwarmingskosten. Plots en zonder voorafgaande verwittiging past de Administratie een andere verdeelsleutel toe. De belastingplichtige werpt, terecht volgens het Hof van Beroep, op dat aldus zijn rechtmatig vertrouwen dat de fiscale Administratie de gehanteerde verdeelsleutel aanvaardde, werd geschonden. Het Hof voegt hieraan toe dat de rechten van verdediging van de belastingplichtige - meer bepaald de bewijsvoering inzake het bedrijfsmatig karakter van de kosten - werden geschonden. Raadsheer wd. voorzitter: dhr. Hulpiau Raadsheren: dhr. Wetsels, dhr. Peeters Advocaten: mr. Marck, mr. Van Dessel loco mr. Van Lidth de Jeude H.V., en zijn echtgenote L.M. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Bij arrest van 5 april 1993 heeft dit Hof de voeging bij het dossier van rechtspleging bevolen van de schriftelijke klacht, vermeld in stuk 7, 3de blad van het administratief dossier. Geïntimeerde legde voormeld stuk neer ter griffie van dit Hof op 30 april 1993. Het blijkt dat dit stuk een brief betreft van 17 mei 1980 waarin melding gemaakt werd van beweerde aankopen van appellanten zonder factuur en van een reis van appellanten en hun gezin naar de VSA. De beweerde feiten zouden zich voorgedaan hebben vóór de belastbare periode waarover thans betwisting wordt gevoerd. Partijen hebben, na heropening der debatten, volhard in hun aanvankelijke conclusies. I. Aanslagjaren 1982 en 1983 I.1. Elektriciteits- en verwarmingskosten Overwegende dat appellanten tijdens de jaren 1981 en 1982 voor hun elektriciteitsverbruik in het totaal respectievelijk 42.665 fr en 61.361 fr, en voor hun huisverwarming 39.824 fr en 32.162 fr hebben uitgegeven waarvan zij de helft als bedrijfslast hebben aangegeven; Dat de taxatieambtenaar op 6 december 1983 berichten van wijziging van aangifte zond waarin het privé-gedeelte van het electriciteitsverbruik werd vastgesteld op 18.000 fr (1981) en 24.000 fr (1982); dat de privé-kosten voor verwarming met mazout hierin werden vastgesteld op 90 % van de bewezen uitgaven; dat aldus 12.597 fr (1981) en 6.184 fr (1982) van de aangegeven aftrekbare bedrijfslasten werden verworpen; Dat appellanten opwerpen dat zij sedert 1970 toepassing maakten van een 50/50 verdeelsleutel tussen het privaat - en het bedrijfsmatig gedeelte van de elektriciteits- en verwarmingskosten; dat de fiscus nooit enige opmerking zou gemaakt hebben; dat zij voorhouden dat de fiscus eenzijdig en zonder verwittiging zijn houding gewijzigd heeft en aldus hun recht om staat te maken op vorige akkoorden, minstens op rechtmatige verwachtingen, heeft geschonden; Dat geïntimeerde de voormelde gedoogde aangiftepraktijk niet betwist; dat hij wel beweert dat hierover met appellanten nooit een individueel akkoord werd gesloten en dat de verificatienota van de aanslagjaren 1980 en 1981 vermeldde dat een grondige verificatie van de aangegeven kosten nodig was; Dat geïntimeerde niet aantoont aan de hand van gewijzigde feitelijke omstandigheden dat er aanleiding bestond om het bedrijfsmatig gedeelte van de electriciteits- en verwarmingskosten anders te evalueren dan de voorgaande jaren; Dat niet betwist is dat de aangegeven verdeelsleutel, voormeld, door geïntimeerde gedurende 10 jaar werd aanvaard; Dat appellanten uit deze jarenlange gedoogde toestand een rechtmatig vertrouwen hebben kunnen putten dat de fiscus de aangegeven verdeelsleutel aanvaardde en dat appellanten in functie daarvan hun bewijsvoering hebben voorbereid; Dat geïntimeerde deze verdeelsleutel niet plots kan verwerpen en vervangen door een andere verdeling zonder dit rechtmatig vertrouwen te schenden en aldus ook de rechten van verdediging van appellanten met voeten te treden; Dat de bewering van geïntimeerde dat het gedogen van de aangegeven verdeelsleutel vóór aanslagjaar 1982 slechts het gevolg was van tijdsgebrek, hieraan geen afbreuk doet; Dat, overigens, de summiere en betwiste beschrijving van de bedrijfsmatige aanwending van uitgaven voor elektriciteit en verwarming, zoals vermeld in de bestreden beslissing, geen bewijs levert van de onjuistheid van de gehanteerde verdeelsleutel noch van de juistheid van de in de plaats gestelde aftrek; Dat de voorziening van appellanten in dit onderdeel gegrond is; I.2. Autokosten Overwegende dat appellanten de kosten van drie voertuigen (V., C. en H.) hebben aangegeven als bedrijfslasten, vermeerderd met 48.000 fr voor privé-gebruik; Dat in de berichten van wijziging d.d. 6 december 1983 de afgetrokken kosten betreffende de auto H. volledig, en betreffende de auto C. voor 2/7 werden verworpen; Dat de fiscus voorhoudt dat eerste appellant in zijn handel slechts werd bijgestaan door tweede appellante, die vooral administratieve taken vervulde doch tijdens drukke perioden ook goederen aanhaalde en leverde; dat de fiscus hieruit afleidt dat één voertuig full-time en een tweede voertuig frequent bedrijfsmatig werden gebruikt; Dat appellanten echter beweren dat zij drie voertuigen nodig hebben om hun handel te kunnen drijven; Dat geïntimeerde door verwijzing naar de aard, de omvang en de organisatie van de handel van appellanten aantoont dat geen economische verantwoording bestond voor het bedrijfsmatig gebruik van drie voertuigen terwijl in het bedrijf slechts twee chauffeurs actief waren; Dat geïntimeerde door het verwerpen van de betwiste uitgaven zich niet heeft ingelaten met de opportuniteit van de aanwending van bedrijfsmiddelen maar hiertoe besloot nadat was aangetoond dat de in aftrek genomen uitgaven op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtroffen; Dat appellanten in dit verband geen vroeger akkoord met de fiscus bewijzen en evenmin aantonen dat zij, gelet op de houding van de fiscus in het verleden, erop mochten vertrouwen dat de aangegeven aftrek zou aanvaard worden; dat immers slechts vanaf het aanslagjaar 1980 drie wagens in aanmerking werden genomen; Dat geïntimeerde terecht volhoudt dat de uitgaven, zoals begroot in de voormelde berichten van wijziging, met toepassing van art. 50 bis 2° (thans 53, 10°) WIB uit de aftrek van de bedrijfslasten moeten worden geweerd; Dat de voorziening in dit onderdeel ongegrond is; I.3. Diverse kosten Overwegende dat appellanten voor het jaar 1981, 21.695 fr kosten voor onderhoud van hun gebouw, 18.868 fr voor bureelbenodigdheden, 21.906 fr voor nieuwjaarsgiften, en voor het jaar 1982, 30.604 fr voor kosten van onderhoud van hun gebouw, 15.228 fr voor bureelbenodigdheden en 15.357 fr voor nieuwjaarsgiften als bedrijfslasten in aftrek hebben aangegeven; Dat de taxatieambtenaar hiervan in het totaal 15.751 fr (1981) en 19.905 fr (1982) heeft verworpen in het raam van de rectificatieprocedure; Overwegende dat, wat betreft de onderhoudskosten van het gebouw voor 1981, de aftrek van 50 % van de kosten van aankoop van elektriciteitsmateriaal werd verworpen; Dat appellanten hebben opgeworpen dat dit materiaal gebruikt werd om ``defecte en gevaarlijke elektriciteitspunten in het magazijn te vervangen''; Dat geïntimeerde zonder andere aanduiding van de redenen de helft hiervan als privé-uitgaven heeft verworpen; dat de onjuistheid van de aangifte van appellanten evenwel niet werd bewezen en deze kosten dan ook volledig als bedrijfslast in aftrek moeten genomen worden; Dat, wat betreft de onderhoudskosten van het gebouw voor 1982, de onjuistheid van de aangifte van appellanten door de fiscus wel werd aangetoond ten aanzien van de aftrek van de facturen M., die geen bedrijfsmatige aankopen betreffen (factuur d.d. 10 februari 1982 en d.d. 22 mei 1982), of die dubbel gebruik uitmaken met de forfaitaire aftrek voor baan- en representatiekosten (factuur d.d. 25 september 1982); dat tevens werd aangetoond dat de aankoop van vast tapijt slechts ten belope van een afschrijving van 20 % in aftrek mocht genomen worden; dat evenwel geen bewijs geleverd werd dat de aankoop van elektriciteitsmateriaal, dienstig voor het magazijn, niet bedrijfsmatig geschiedde, zodat de factuur E. d.d. 26 augustus 1982 ten bedrage van 1.900 fr ten onrechte uit de aftrek werd geweerd; Overwegende dat, wat betreft de bureelbenodigdheden voor 1981, uit de aard van de goederen, aangekocht met facturen M. d.d. 17 oktober 1981 en 21 november 1981, terecht het privé-karakter van deze uitgaven, hetzij het dubbel gebruik met de aftrek voor representatiekosten werd afgeleid; Overwegende dat, wat betreft de nieuwjaarsgiften en geschenken voor 1981, de taxatieambtenaar de helft van de aangegeven uitgaven heeft verworpen als privé-kosten; dat het de aankoop van bloemen betreft die aan de cliënten van appellanten ten geschenke zouden gegeven zijn; Dat geïntimeerde terecht deels het dubbel gebruik met de representatiekosten en het privé-karakter van deze uitgaven heeft opgeworpen en deels het specifiek bedrijfsmatige van de helft van deze aankopen heeft erkend; II. Aanslagjaar 1983 -- bruto-winstmarge (24 %) Overwegende dat de taxatieambtenaar met toepassing van art. 246 (thans 240) WIB de aangegeven brutowinst verhoogde door de bruto-winstmarge van de handel van appellanten vast te stellen op 24 %; dat hij hierbij steunde op een vergelijking met de aangegeven bruto-winstpercentages voor de jaren 1979, 1980 en 1981; Dat uit de aangifte van appellanten een winstmarge van 21,4 % bleek; dat de fiscus uit een verschil (300.000 fr) tussen aangiften van appellanten van het zakencijfer in de BTW en in de personenbelasting afleidde dat appellanten erkenden dat zij niet alle ontvangsten hadden geboekt en dat hun aangifte onjuist was; Dat appellanten evenwel opwerpen dat bij de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting door de externe accountant ontdekt werd dat bij de totalisatie van de trimestriële BTW-aangiften door tweede appellante een telfout werd gemaakt; dat deze vergissing bij aangifte in de personenbelasting zou rechtgezet zijn zodat appellanten beweren dat hun aangifte juist is; Dat de aangifte van appellanten wordt vermoed juist te zijn; Dat de taxatieambtenaar ter weerlegging van dit vermoeden in het wijzigingsbericht van 6 december 1983 de spontane verhoging van de ingeschreven ontvangsten heeft aangeduid; dat hij de vergelijking tussen de ingeschreven en aangegeven ontvangsten kon hanteren als controlemiddel en op grond daarvan de aangifte onjuist kon bevinden; dat hierin geen onredelijk appreciatie wordt gevonden, temeer daar de beweerde telfout onwaarschijnlijk voorkomt; Dat de taxatieambtenaar vervolgens de belastbare grondslag vaststelde; dat hij hierbij steunde op het vermoeden dat gedurende 1982 een bruto-winstmarge van 24 % werd verwezenlijkt van de aangegeven winstmarges van de vorige jaren (1979, 1980 en 1981); Dat dit alleenstaand vermoeden evenwel niet leidt tot het bewijs van de juistheid van de gewijzigde belastbare grondslag; dat de feitelijke, vaststaande elementen van de aangeduide aanslagjaren niet aangevuld worden met andere vaststaande gegevens die samen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen; Dat, integendeel, appellanten erop wijzen dat een lager winstpercentage in 1982 t.o.v. de vorige jaren verantwoord is door het feit dat een bedrijfsactiviteit met hoge winstmarges, nl. het aanmaken van soep in poedervorm, niet meer werd voortgezet; dat appellanten de verscherpte concurrentie en de effecten van de economische teruggang eveneens als oorzaken van een dalende winstmarge aanduiden; dat zij bovendien aantonen dat de fiscus voor de aanslagjaren 1984 en 1985 de aangegeven bruto-winstmarges van 20,62 % en 21,94 % heeft aanvaard; Dat de bewering van geïntimeerde dat de gegevens over de aankopen van appellanten onvolledig zouden zijn, niet relevant is omdat geïntimeerde de aangegeven cijfers bij het bepalen van de gewijzigde belastbare grondslag zelf heeft aangenomen; Dat geïntimeerde aldus op basis van het omschreven vermoeden noch anderszins bewezen heeft dat de gewijzigde belastbare grondslag juist is; dat de aangifte van appellanten in dit onderdeel moet worden aangenomen; Overwegende dat het gerechtsdeurwaardersexploot van de aanzegging van de voorziening als kosten een bedrag vermeldt van 1.693 fr; dat evenwel deze kosten dienen berekend overeenkomstig art. 392 WIB (zoals in strafzaken) en derhalve slechts (origineel + kopie: 261 fr, 1 rol 62 fr, 1 omslag 6 fr) 329 fr mogen bedragen; Om die redenen, Het Hof, Recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 bis Wet 15 juni 1935 Gehoord in openbare zitting het verslag van raadsheer F. Peeters, Verklaart de voorziening ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond; Vernietigt de bestreden aanslagen in zoverre bij de vaststelling van de gewijzigde belastbare grondslag ervan geen rekening werd gehouden met: -- voor het aanslagjaar 1982: -- een som van 12.597 fr aangegeven doch verworpen aftrekbare bedrijfslasten voor elektriciteits- en verwarmingskosten, -- een som van 5.227 fr aangegeven doch verworpen aftrekbare bedrijfslasten voor onderhouds- en herstellingskosten van het bedrijfsgebouw, -- voor het aanslagjaar 1983: -- een som van 6.184 fr, aangegeven doch verworpen aftrekbare bedrijfslasten voor elektriciteits- en verwarmingskosten, -- een som van 1.900 fr, aangegeven doch verworpen aftrekbare bedrijfslasten voor onderhouds- en herstellingskosten van het bedrijfsgebouw -- de aangegeven bruto-winstmarge van 21,4 %, en een marge van 24 % in de plaats werd gesteld; Beveelt de herberekening van de betwiste aanslagen overeenkomstig deze elementen; Wijst de voorziening voor het overige af. Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van de eventueel reeds op grond van de vernietigde aanslagen geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten; Veroordeelt appellanten tot 1/5 en geïntimeerde tot 4/5 van de gedingkosten. |
|||||||