Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 01.03.2001
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Bezoldiging werkend vennoot
Texte original :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 01.03.2001
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 01.03.2001 Tax year : 2005 Document date : 01/03/2001 Document language : NL Name : B 01/22 Version : 1 Court : appeal
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 01.03.2001 Bezoldiging werkend vennoot - Dubbelbelastingverdrag -Nederland Zesde fiscale kamer Gezien de fiscale voorziening, samen met de aanzegging ervanneergelegd ter griffie van het hof op 30 mei 1994. Deze is gericht tegen de directeursbeslissing van 21 april1994, waarbij diens bezwaren werden afgewezen, ingediend tegen deaanslag betreffende de niet-verblijfhouders, gevestigd onderkohiernummer 1.704.866, voor het aanslagjaar 1989 en voor hetbedrag van 349.638 frs. De aanslagprocedure werd gevestigd overeenkomstig art 256WIB/64. Het verhaal is ontvankelijk. Verzoeker betwist de aanslag in de personenbelasting omdat hijals grensarbeider in Nederland belast werd op het door hem genotenloon. Ondergeschikt verdedigt hij de stelling dat ook al zou hijbeschouwd moeten worden werkend vennoot te zijn dan nog zijninkomsten in Nederland dienen belast te worden. Volgens deadministratie daarentegen moet verzoeker als werkend vennoot belastworden in België. Verzoeker is gedomicilieerd in Nederland op de A. teHoensbroek. Sedert 01.02.1985 is hij voltijds tewerkgesteld als werknemerin de hoedanigheid van leurder door de BV C.W.V., W.n.A., 3630,Maasmechelen ingevolge een arbeidsovereenkomst. Op 13 maart 1987 draagt de BV V.C.W. haar handelszaak over aande heren J., F. en verzoeker die zich sterk maken voor de B.V.B.A.V.C.W. in oprichting. Op 23 maart 1987 werd de B.V.B.A. V.C.W. opgericht. De Heer J.heeft 610 van de 750 aandelen en de heren F. en verzoeker elk70. Volgens de statuten wordt de vennootschap bestuurd door eenstatutaire zaakvoerder met de meest uitgebreide bevoegdheden. Destatutaire zaakvoerder, J. kan slechts ontslagen worden meteenparig goedvinden van alle vennoten. Tijdens de kapitaalsverhoging van 1991 met 1.250.000 Fr.schrijft verzoeker in ten belope van 12 5 aandelen van 1000 Fr.Zijn totale deelname in het kapitaal van de vennootschap blijftbeperkt tot 10% Uit het bijkomend stuk neergelegd op 12 januari 2001 blijktdat verzoeker geschrapt werd met ingang van 1 januari 1988 van deverzekeringsplicht voor het Rijksinstituut voor socialeverzekeringen der zelfstandigen. De administratie betwist niet dat tijdens de betrokken periodeop de inkomsten van verzoeker uitgekeerd door de B.V.B.A. socialebijdragen als op loon van werknemers werden ingehouden. Wel is het zo dat de De B.V.B.A. V.C.W., in de voor hetaanslagjaar 1989 ingediende opgave 204 S, de aan verzoekertoegekende sommen aangegeven heeft als bezoldigingen van eenwerkend vennoot. Dit document wordt opgesteld door de Nv E. die in het gedingtussengekomen is als mandataris van verzoeker. De mandataris van verzoeker houdt voor, zonder desbetreffenddoor de administratie te worden tegengesproken, dat dearbeidsovereenkomst die destijds werd onderschreven met de BVC.W.V. in hoofde van verzoeker werd verdergezet; zij legt daartoede arbeidsovereenkomst neer evenals een attest van het sociaalsecretariaat voor werkgevers waaruit blijkt dat verzoeker tijdensde betwiste periode de activiteit heeft uitgeoefend van'bediende vertegenwoordiger'. Verzoeker houdt voor dat hij steeds dezelfde functie isblijven uitoefenen van vertegenwoordiger verbonden aan zijnwerkgever door een bediendecontract uitgevoerd onder gezag entoezicht van deze werkgever zowel in de jaren voor als na hetbetwiste aanslagjaar. De administratie betwist niet dat verzoeker in de jaren dievolgen op het betwiste aanslagjaar en voor dewelke geen onjuiste enverwarrende verklaring 204 S werd neergelegd door de N.V. E. aanverzoeker de hoedanigheid van 'werknemer-vertegenwoordiger'wordt erkend zodat de heffingsbevoegdheid van het KoninkrijkNederland ingevolge artikel 15 § 3 van het dubbelbelastingverdrag,bij eenzelfde feitelijke situatie voor deze jaren niet betwistwordt door de administratie. De administratie is ervan uitgegaan dat verzoeker gelden heeftgeïnvesteerd in de vennootschap waarin hij een werkelijke enduurzame activiteit uitoefent en dat hij dit heeft gedaan met debedoeling het kapitaal dat gedeeltelijk het zijne is te latenrenderen. De administratie kon moeilijk anders wanneer zijgeconfronteerd werd met het formulier 204 S opgesteld door de N.V.E. waarin de bezoldigingen van verzoeker werden omschreven alsinkomsten van een werkende vennoot. Uit de feiten blijkt echter dat deze inschrijving onterechtgebeurde. Verzoeker toont aan dat hij tijdens de belastbare periodezoals tijdens de jaren die daarop volgenden, wat door deadministratie niet wordt betwist, beroepsinkomsten, die voortkomenuit bezoldigingen van werknemers die vallen onder de wetgeving opde arbeidsovereenkomsten, heeft genoten, die worden geviseerd doorartikel 15 van het dubbelbelastingverdrag de overeenkomst tussende Regering van het Koninkrijk België en de Regering van hetKoninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belastingondertekend te Brussel op 19 oktober 1970 en bekrachtigd wat hetKoninkrijk België betreft door de wet van 16 augustus 1971Belgisch Staatsblad 25 september 1974 blz. 11096 Het feit dat hij op zeker ogenblik een aantal aandelen van devennootschap die hem als werknemer tewerkstelt verworven heeftwijzigt ogenschijnlijk niets aan zijn arbeidssituatie vermits hetom een geringe participatie van 10% ten belope van een beperktkapitaal van 200.000 Fr. gaat en hij, zoals blijkt uit de statutenen zijn werkomschrijving, geen enkele leidende functie in devennootschap waarneemt. Deze functie komt volledig toe aan devirtueel onafzetbare statutaire zaakvoerder. Geen enkel element laat toe aan te nemen dat zijn functie, diehij zowel voor als na het betwiste aanslagjaar steeds heeftuitgeoefend onder de leiding en het toezicht van zijn werkgevertijdens het thans betwiste aanslagjaar zou gewijzigd zijn. Verzoeker toont bijgevolg aan dat hij voldoet aan devoorwaarden van de uitzondering op het principe, dat al deinkomsten die door personen verkregen worden in het kader van eenvennootschap waarin zij de hoedanigheid van vennoot hebben alsinkomsten van werkende vennoten moeten worden beschouwd, vermitshij aantoont dat hij na de oprichting van de B.V.B.A. in zijnhoedanigheid van bezoldigde van een werkgever voor de vennootschapis blijven werken zonder enige bestuursfunctie uit te oefenenterwijl hij slechts een geringe participatie in het kapitaal van10% bezit met een nominale waarde van 200.000 Fr. en zijnhoedanigheid van vennoot geen rol heeft gespeeld bij het verwervenvan de inkomsten uit hoofde van het verder uitvoeren van een andercontract dat reeds bestond vooraleer hij de hoedanigheid vanvennoot verwierf en dat door de B.V.B.A. werd overgenomen. In de mate dat verzoeker aantoont dat de inkomsten die hijgenoten heeft geen enkel verband hebben met de aandelen die hij inde vennootschap, die zijn werkgever is, verworven heeft, bewijsthij, tegen de elementen, die door de taxatie-ambtenaar werdenaangenomen, dat zijn inkomsten vreemd zijn aan zijn hoedanigheidvan vennoot en hun oorsprong uitsluitend vinden in de uitvoeringvan een bediendecontract. Verzoeker toont aan dat hij zijn inkomsten uitsluitend genotenheeft in uitvoering van het bediendecontract. Zijn inkomsten zijnbijgevolg bezoldigingen die onder de toepassing vallen van artikel15 § 3, 1° van het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen Belgiëen Nederland en op deze inkomsten is de grensarbeidersregeling vantoepassing. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 op hetgebruik der talen in gerechtszaken; Gehoord in openbare terechtzitting de heer K.Van Herck, voorzitter, in zijn verslag; Verklaart het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond Beveelt de ontheffing van de bestreden aanslag. Beveelt de terugbetaling van de eventueel geïnde bedragenverhoogd met de moratoriumintresten op de terugbetaalde belasting intoepassing van artikel 308 WIB/64 en artikel 418 WIB/92. Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van devoorziening, vereffend zoals in strafzaken op 2.699 frs. |
|||||||