Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2001

Date :
21-06-2001
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Gemiddelde aanslagvoet,Laatste jaar met normale beroepswerkzaamheid,Niet-inwoner

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2001
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2001
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2001
Tax year : 2005
Document date : 21/06/2001
Document language : NL
Modification date : 03/11/2006 10:41:20
Name : B 01/4
Version : 1
Court : appeal

ARREST B 01/4


Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2001



De Fiscale Koerier 2001/305

Gemiddelde aanslagvoet - Laatste jaar met normale beroepswerkzaamheid - Niet-inwoner

    Een belastingplichtige woont en werkt tot het jaar 1980 in het buitenland.

    Tijdens het jaar waarin hij naar België terugkeert, wordt de belastingplichtige het slachtoffer van een zwaar verkeersongeval.

    In de periode 1987 tot 1989 ontvangt de belastingplichtige van een verzekeringsmaatschappij belangrijke schadevergoedingen.

    De Administratie en de belastingplichtige zijn het erover eens dat deze vergoedingen afzonderlijk moeten worden belast tegen de gemiddelde aanslagvoet van de inkomsten van het laatste jaar waarin de betrokkene een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad. (in casu het jaar 1980)

    De Administratie en de belastingplichtige raken het evenwel niet eens over de toepasselijke aanslagvoet. Volgens de belastingplichtige moet de aanslagvoet 0 % zijn vermits hij in 1980 in België niet belastbaar was. De Administratie is van oordeel dat de aanslagvoet 21,2 % is, nl. de aanslagvoet die voor het jaar 1980 zou toegepast zijn indien de belastingplichtige voor dat jaar aan de personenbelasting zou onderworpen zijn geweest (Com.IB 92, nr. 171/330).

    Het Hof is evenwel van oordeel dat zowel de Administratie als de belastingplichtige ten onrechte het jaar 1980 als referentiejaar hebben in aanmerking genomen.

    Voor het jaar waarin een belastingplichtige niet-inwoner was, kan volgens het Hof geen gemiddelde aanslagvoet worden bepaald.

    Voor een niet-inwoner die geen inkomsten heeft genoten die in de personenbelasting werden belast, kan er geen sprake zijn van een "gemiddelde aanslagvoet" en "belastbare inkomsten".

    Het Hof verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie van 12 juni 1992 waarin werd beslist dat in geval van toepassing van artikel 171, 5° van het WIB 92 ernaar moet worden gestreefd om "de aanslagvoet van de aldaar vermelde bedrijfsinkomsten zoveel mogelijk gelijk te maken aan die van het laatste vorige jaar waarin de bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige voortvloeien uit de uitoefening van een normale beroepswerkzaamheid".

    Vermits de Administratie in het voorliggende geval een jaar als referentiejaar heeft weerhouden waarin de betrokkene geen rijksinwoner was en ook geen inkomsten van Belgische oorsprong heeft genoten, besluit het Hof van Beroep de taxaties te vernietigen.



Voorzitter : M. Van Herck
Raadsheer : M. De Ruyver
Plaatsvervangend Raadsheer : M. de Clippel
Advocaten : Mr. Quinet loco Mr. Bours, Mr. Van De Velde loco Mr. Colpaert

G.G., P.W.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Het Hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Betreffende de zaak 1994/FR/113

De fiskale voorziening werd samen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het Hof op 15 maart 1994.
Zij is gericht tegen de directeursbeslissing van 8 februari 1994 waarbij uitspraak wed gedaan over het bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag in de personenbelasting ingekohierd onder artikel 9718719 van het aanslagjaar 1988 voor een bedrag van 1 756 251 F. De directeursbeslissing heeft een ontheffing van 1 228 962 F. verleend.
Het fiscaal verhaal is ontvankelijk.
De aanslagprocedure werd gevestigd overeenkomstig art. WIB/1964.

Betreffende de zaak 1994/FR/218

De fiskale voorziening werd samen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het Hof op 11 mei 1994.
Zij is gericht tegen de directeursbeslissing van 5 april 1994 waarbij uitspraak werd gedaan over het bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag in de personenbelasting ingekohierd onder artikel 1708798 van het aanslagjaar 1990 voor een bedrag van 291 877 F.
Het fiskaal verhaal is ontvankelijk.
De aanslagprocedure werd gevestigd overeenkomstig art. 245 WIB/1964.

Samenvoeging der beide zaken

Gezien de zaken 1994/FR/113 en 1994/FR/218 verknocht zijn omdat zij betrekking hebben op de bepaling in hoofde van verzoekers van de gemiddelde aanslagvoet bedoeld in art. 171, 5º b/ WIB/1992 voor eenzelfde referentiejaar, is het aangewezen deze zaken samen te voegen ten einde tegenstrijdige beslissingen te vermijden.

De feiten

Verzoeker werd, in 1981, 100 % werkonbekwaam tengevolge van een zwaar verkeersongeval.
De schadevergoedingen van 3 055 000 F en 1 881 400 F voor het geleden loonverlies werden door de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke voor het verkeersongeval pas - respectievelijk - in 1987 en 1989 uitbetaald, omwille van het bestaan van een geschil.
De Staat en verzoeker zijn akkoord dat kwestieuze schadevergoedingen afzonderlijk belastbaar zijn tegen de «gemiddelde aanslagvoet overeenstemmend met het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelk belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad» zoals bepaald wordt in artikel 93 § 1, 3º WIB/1964.
Zij zijn ook akkoord dat het inkomstenjaar 1980 als referentiejaar dient genomen te worden.
In 1980 was verzoeker in België niet belastbaar gezien hij in hoedanigheid van niet-verblijfhouder in Zaïre voor rekening van een Zaïrese privé-bedrijf tewerkgesteld was.

Voorwerp van het geschil

De betwisting slaat op de toepasselijke aanslagvoet voor de aanslagjaren 1988 en 1990.
Volgens verzoeker moet de aanslagvoet gelijk zijn aan 0 %, vermits hij in 1980 in België niet belastbaar was.
Volgens de Staat beloopt de aanslagvoet 21,2 % omdat artikel 93 § 1, 3º WIB/1964 impliceert dat «wanneer de belastingplichtige voor een referentiejaar uitsluitend bedrijfsinkomsten heeft behaald waarop de personenbelasting niet van toepassing is, de in aanmerking te nemen aanslagvoet dan diegene is dewelke zou toegepast geweest zijn, zo de betrokkenen voor hetzelfde jaar aan die belasting onderworpen zouden geweest zijn» (Besluiten van de Staat, blz. 4, vierde lid en administratieve commentaar van het WIB/1964 nr. 93/32).

Discussie

Artikel 93 § 1, 3º WIB/1964 bepaalt dat, in afwijking van het gewoon progressief tarief voorzien door art. 77 en 78 WIB/1964, de door dit artikel beoogde inkomsten afzonderlijk belastbaar zijn tegen de gemiddelde aanslagvoet in de personenbelasting overeenstemmend met het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelk belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad.
M.a.w. bepalen art. 77, 78 en 93 § 1, 3º dat de door dit laatste artikel beoogde inkomsten belastbaar zijn tegen het gewoon progressief tarief, behalve indien art. 93 § 1, 3º kan toegepast worden, ttz. indien een gemiddelde aanslagvoet in de personenbelasting van het geheel der belastbare inkomsten van het referentiejaar kan bepaald worden. In dit geval zal die gemiddelde aanslagvoet aan de door artikel 93 § 1, 3º beoogde inkomsten, uitzonderlijk, toegepast kunnen worden.
Deze laatste bepaling strekt er inderdaad toe, volgens een arrest van het Hof van cassatie dd. 12 juni 1992, «om de aanslagvoet van de aldaar vermelde bedrijfsinkomsten zoveel mogelijk gelijk te maken aan die van het laatste vorige jaar waarin de bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige voortvloeiden uit de uitoefening van een normale beroepswerkzaamheid.» .
Een gemiddelde aanslagvoet in de personenbelasting kan voor een jaar niet bepaald worden indien tijdens dit jaar belanghebbende een niet-verblijfhouder is, waarvan de inkomsten niet in de personenbelasting belastbaar zijn.
Indien belanghebbende een niet-verblijfhouder is tijdens kwestieus jaar, kan de aanslagvoet in de personenbelasting van de in art. 93 § 1, 3º vermelde bedrijfsinkomsten niet «zoveel mogelijk» gelijk gemaakt worden aan die van kwestieus jaar, in tegenstelling tot wat door het Hof van cassatie in voormeld arrest van 12 juni 1992 gesteld wordt.
Artikel 93, § 1, 3º stelt dat door die bepaling beoogde bedrijfsinkomsten belastbaar zijn tegen de «gemiddelde» aanslagvoet in de personenbelasting overeenstemmend met het geheel van de «belastbare» inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelk «belastingplichtige» een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad.
Indien de Wetgever aanvaard zou hebben dat een jaar waarin belanghebbende niet-verblijfhouder was, als referentiejaar zou kunnen dienen (met systematisch een totale afwezigheid) van een aanslagvoet in de personenbelasting voor het referentiejaar), dan zou hij niet van een «gemiddelde aanslagvoet» gesproken hebben, overeenstemmend met de gemiddelde aanslagvoet van het referentiejaar.
Hij zou ook niet naar (volgens de regels van een buitenlandse fiskale wetgeving bepaalde) «belastbare» inkomsten van het referentiejaar verwezen hebben, maar naar «het geheel van de inkomsten van het laatste vorige jaar».
Hij zou ook niet bepaald hebben dat «belastingplichtige» (maar wel dat «belanghebbende») tijdens het referentiejaar een normale beroepswerkzaamheid moet hebben, gezien een niet-verblijfhouder die een beroepswerkzaamheid in het buitenland uitoefent in beginsel geen belastingplichtige is, noch in de personenbelasting, noch in de niet-verblijfhoudersbelasting.
Uit wat voorafgaat volgt dat een jaar waarin belanghebbende in hoedanigheid van niet-verblijfhouder een normale beroepswerkzaamheid in het buitenland gehad heeft, niet als een door art. 93 § 1, 3º bedoeld referentiejaar weerhouden mag worden.
Mag bijgevolg slechts als referentiejaar weerhouden worden, het laatste vorige jaar tijdens hetwelk belanghebbende - in hoedanigheid van belastingplichtige in de personenbelasting - een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft.
De aanslagvoet van het referentiejaar en deze van het kwestieus aanslagjaar worden dan op eenzelfde wijze bepaald, en zijn vergelijkbaar omdat men in beide gevallen met personenbelastingen te maken heeft, die op grond van dezelfde regels berekend worden.
Gezien de administratie terzake een jaar, waarin verzoeker niet verblijfhouder was en geen inkomsten van belgische oorsprong genoten heeft, als referentiejaar weerhouden heeft terwijl dit strijdig is met wat door art. 93 § 1, 3º WIB/1994 bepaald wordt, dienen de 2 kwestieuze aanslagen vernietigd te worden.

***

Het komt de administratie toe het laatste vorige jaar tijdens hetwelk verzoeker - in hoedanigheid van belastingplichtige in de personenbelasting - een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft, als referentiejaar te bepalen.
Het Hof stelt vast dat de Staat in haar tweede aanvullende besluiten aanvaardt de belastbare basis voor het aanslagjaar 1990 met 1 228 962 F. te verminderen omdat verzoeker dit bedrag in 1989 aan de verzekeringsmaatschappij van de verantwoordelijke van het ongeval terugbetaald heeft.

Om deze redenen,
Het Hof, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art. 24 bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Gehoord in openbare terechtzitting de heer Bernard de Clippel, plaatsvervangend raadsheer, in zijn verslag;
Voegt de zaken 1994/FR/113 en 1994/FR/218 samen.
Verklaart de fiscale verhalen ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt de betwiste aanslagen.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van de voorzieningen.