Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 08.12.1998

Date :
08-12-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Motiveringsplicht,Belastingverhoging

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 08.12.1998
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 08.12.1998
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 08.12.1998
Tax year : 2005
Document date : 08/12/1998
Document language : NL
Modification date : 28/11/2006 09:06:58
Name : G 98/15
Version : 1
Court : appeal

ARREST G 98/15


Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 08.12.1998



FJF 99/152

Motiveringsplicht - Belastingverhoging

    Wanneer noch op het bericht van wijziging van de aangifte van 8 november 1993, noch op de kennisgeving van ambtswege van 10 december 1993 melding wordt gemaakt van de toe te passen belastingverhoging en de motivering ervoor, werd artikel 256 § 2 van het WIB en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden. Aangezien een substantiële procedurevorm niet werd nageleefd is de gevestigde supplementaire aanslag integraal nietig.



Raadsheer Wnd. Kamervoorzitter : M. Van Eygen
Plaatsvervangende raadsheren : M. Opdebeeck, M. Tillekaerts
Advocaten : Mr. Speecke, Mr. Vancaeneghem

W.F.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

velt het Hof het volgend arrest :
Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent van 16 augustus 1995 waarbij het bezwaar tegen de op naam van «Wauters Firmin - Van de Veire Georgette» gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1991 (kohierartikel 350 634), wat de gevestigde belastingverhoging van 50 % werd ingewilligd en ontheffing werd verleend van 429 224 BEF;
Overwegende dat in hoofde van de eiser met betrekking tot het aanslagjaar 1991 een aanvankelijke aanslag werd gevestigd op de aangegeven inkomsten hetzij op een netto gezamenlijk belastbaar inkomen van 1 358 165 BEF (zie afschrift berekeningsnota art. 2716830 of stuk 15);
Overwegende dat de betwiste supplementaire aanslag werd gevestigd nadat aan de eiser op 8 november 1993 een bericht van wijziging werd verstuurd waarbij volgende inkomsten aan de aangegeven inkomsten werden toegevoegd : 1/ het kadastraal inkomen van de eigendommen gelegen te Gent, resp. Sleepstraat 105 en Baudelostraat 16/18 ten bedrage van resp. 12 433 BEF (aan te geven onder code 105) en 19 192 BEF (toe te voegen onder code 103), 2/ een uitkering van bedrijfsleidersverzekering ten bedrage van 1 350 887 BEF te aanzien als een bezoldiging van bestuurder en 3/ niet aangegeven bezoldigingen van werkend vennoot te weerhouden onder code 450 ten bedrage van 1 801 707 BEF.
Overwegende dat bij toepassing van artikel 256 WIB/oud de supplementaire aanslag van ambtswege werd gevestigd op een gezamenlijk belastbaar inkomen van 3 610 883 BEF na het versturen van een kennisgeving van aanslag van ambtswege op 10 december 1993 wegens het niet beantwoorden door de eiser van het bericht van wijziging van de aangifte;
Overwegende dat de eiser op 21 februari 1994 bezwaar indiende enkel en alleen tegen de toegepaste belastingverhoging van 50 % of 429 224 BEF; dat hij de nietigheid van de opgelegde belastingverhoging inriep wegens schending van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 (B.S. van 20 augustus 1986) en schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. van 12 september 1991); dat hij verder ook stelde dat de opgelegde belastingverhoging ongegrond was omdat de administratie het bewijs van het bedrieglijk opzet/oogmerk om te schaden niet had geleverd;
Overwegende dat de directeur in zijn directoriale beslissing de aanslag gevestigd op naam van de eiser en zijn echtgenote gedeeltelijk vernietigde ten bedrage van 429 224 BEF, zijnde de belastingsverhoging, wegens schending van artikel 251 WIB (oud) en schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, meer bepaald wegens het niet verstrekken van inlichtingen over de toepasselijke belastingsverhoging in het bericht van wijziging van de aangifte;
Overwegende dat de eiser in zijn voorziening inroept dat het gevolg van de schending van deze wettelijke regels de nietigheid is van de gehele aanslag; dat het in casu de schending van substantiële vormvereisten (art. 251 WIB/oud) betreft, waarvan de niet-naleving de onwettigheid oplevert van de aanslagprocedure en bijgevolg de nietigheid van de aanslag medebrengt; dat hierbij geen onderscheid kan gemaakt worden tussen het gedeelte van de fiscale schuld waarvoor de aanslag regelmatig had kunnen ingekohierd worden en het overige m.a.w. dat de schending van de bedoelde vormvoorschriften de nietigheid van de gehele aanslag tot gevolg heeft en niet van slechts een gedeelte van die aanslag;
Overwegende dat inderdaad met de belastingplichtige moet aangenomen worden dat noch op het bericht van wijziging van de aangifte van 8 november 1993 (stuk 12), noch op de kennisgeving van ambtswege van 10 december 1993 (stuk 13) melding wordt gemaakt van de toe te passen belastingverhoging en motivering ervan; dat hierdoor dan ook ten deze artikel 256 § 2 WIB/oud en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden; dat derhalve een substantiële procedurevorm niet werd nageleefd waardoor de gevestigde supplementaire aanslag integraal nietig is; dat in haar laatste conclusies neergelegd op 10 november 1998 de administratie thans deze zienswijze deelt;
Overwegende dat de betwiste aanslag voor het aanslagjaar 1991 derhalve nietig is;

Op die gronden
Het Hof,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 bis van de wet van 15 juni 1935.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van plaatsvervangend raadsheer Ingrid Opdebeeck en de partijen in hun middelen en conclusies.
Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond.
Doet de bestreden aanslag teniet en beveelt de teruggave van de op grond van die aanslag eventueel reeds teveel geïnde sommen, meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging.
Verwijst de Belgische Staat in de kosten.