Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.1991

Date :
12-11-1991
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Studenten,Uitwisselingsprogramma

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.1991
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.1991
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.1991
Tax year : 2005
Document date : 12/11/1991
Document language : NL
Name : G 91/4
Version : 1
Court : appeal

ARREST G 91/4


Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.1991



Studenten - Uitwisselingsprogramma

    Een Amerikaanse studente die, in het kader van een uitwisselingsprogramma van studenten, in het gezin van appellant verbleef (terwijl de dochter van appellant in een gezin in de Verenigde Staten verbleef), is fiscaal ten laste van appellant vermits :



1) de Amerikaanse studente deel uitmaakte van zijn gezin, en
2) nergens uit blijkt dat de kosten voor de uitzending gedragen door de ouders in de Verenigde Staten veruit de financiële lasten van de pleegouders in België overtreffen; integendeel, het staat vast dat de Amerikaanse studente volledig in het gezin van eisers was opgenomen en door het pleeggezin Cattrysse werd onderhouden zonder financiële tussenkomst behoudens de voor haar genoten kinderbijslagen zodat ook de voorwaarde "hoofdzakelijk of volledig ten laste" vervuld is.



2e Kamer

C-G

Voorzitter mevrouw Van Isterdael
Raadsheren de heer Gallet, de heer Stassijns
O.M. de heer Ockers
Advocaat mr. van Rouveroij van Nieuwaal
Partijen C.G., bediende, en zijn echtgenote, S.J., bediende, tegen de Belgische Staat

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brugge van 2 augustus 1984, waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslagen in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1978 en 1979 (kohierart. 987.756 en 966.619) volledig werd ingewilligd inzake het aanslagjaar 1978 en ten dele werd afgewezen inzake het aanslagjaar 1979;

Overwegende dat voor het hof enkel nog in betwisting is de niet ingewilligde grief inzake het aanslagjaar 1979;

Overwegende dat de eisers in hun aangifte voor het aanslagjaar 1979, naast de echtgenote en de kinderen, ook een pleegkind S.J. opgaven als persoon ten laste; dat laatstgenoemde een studente was uit de Verenigde Staten van Amerika, die in het kader van een cultureel uitwisselingsprogramma door tussenkomst van de VZW AFS Interkulturele Programma"s bij eisers voor één schooljaar verbleef, namelijk van augustus 1978 tot juli 1979;

Overwegende dat de aanslag werd gevestigd zonder dat rekening werd gehouden met deze studente als persoon ten laste; dat ook het bezwaar daaromtrent ingediend door de eisers werd afgewezen;

Overwegende dat thans alleen moet worden beslist over de grief of voor het aanslagjaar 1979 S.J. als persoon ten laste mag worden aangenomen;

Overwegende dat om te genieten van de vermindering wegens gezinslasten, zoals voorzien door artikel 82, § 1, van het Wetboek van

Inkomstenbelasting, als ten laste van de belastingplichtige worden beschouwd, mits zij deel uitmaken van zijn gezin op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en zij persoonlijk gedurende het vorige jaar, geen bestaansmiddelen hebben genoten die meer dan 30 000 F netto bedragen, ondermeer de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;

Overwegende dat niet wordt betwist dat S.J. in het kader van een uitwisselingsprogramma van de VZW AFS Interkulturele Programma"s als gaststudente in het gezin van de eisers werd opgenomen voor het schooljaar 1978/1979; dat de stukken aantonen dat zij in dit gezin verbleef van 15 augustus 1978 tot 6 juli 1979 en op het adres van de eisers was ingeschreven van 2 september 1978 tot 6 juli 1979; dat ook blijkt dat de eiseres voor haar kinderbijslagen ontving doch dat voor het overige de evengemelde organisatie heeft bevestigd dat de eisers van haar geen enkele financiële steun ontvingen voor de opname van S.J. in het gezin; dat verder volgens de richtlijnen van de bedoelde organisatie deze wel bereid was eventuele doktersonkosten voor haar rekening te nemen en S.J. zelf van haar wat zakgeld zou hebben ontvangen;

Overwegende dat uit de hiervoren aangehaalde feitelijke elementen ten deze vaststaat dat de eisers in feite geen enkele geldelijke hulp hebben genoten vanwege de organisatie die de studente in het gezin heeft geplaatst en dat zij gedurende gans het schooljaar 1978/1979 alle uitgaven voor levensbehoeften en onderhoud van deze studente hebben gedragen;

Overwegende dat in de gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat het verblijf van de bedoelde studente in het gezin van de eisers, alhoewel beperkt in de tijd, voldoende duurzaam en bestendig was om aan te nemen dat zij deel uitmaakte van het gezin van de eisers en aldus ten laste was;

Overwegende dat het feit dat S.J. geen volledig burgerlijk jaar of geen 365 dagen in het gezin van de eisers zou hebben verbleven aan de voorgaande beschouwingen niets wegneemt; dat de redenering van de Administratie om haar zienswijze te staven dat in het thans besproken geval de buitenlandse studente geen volledig jaar in het gezin opgenomen geweest is niet kan worden gevolgd; dat immers de wet duidelijk stelt dat de in artikel 82, § 1 van het Wetboek van Inkomstenbelasting bedoelde personen als ten laste van de belastingplichtige worden beschouwd "mits zij deel uitmaken van zijn gezin op 1 januari van het jaar, waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd", hetzij in huidig geval op 1 januari 1979, aan welke voorwaarde hier werd voldaan;

Overwegende dat ook nergens uit blijkt, zoals door de administratie wordt voorgehouden, dat de kosten voor uitzending gedragen door de ouders in de Verenigde Staten veruit de financiële lasten van de pleegouders in België overtreffen, zodat dit kind niet hoofdzakelijk of volledig ten laste was van de eisers; dat integendeel vaststaat, zoals hierboven reeds werd aangehaald, dat S.J. volledig in het gezin van de eisers was opgenomen en door dit pleeggezin werd onderhouden zonder financiële tussenkomst behoudens de voor haar genoten kinderbijslagen;

Overwegende dat de Administratie ten deze dan ook ten onrechte heeft geweigerd S.J. als persoon ten laste voor de eisers aan te nemen voor het aanslagjaar 1979;

Overwegende dat de eisers hun kostenstaat begroten en daarin een rechtsplegingsvergoeding voorzien; dat echter nu op grond van artikel 293, § 2, van het Wetboek van Inkomstenbelasting in fiscale zaken de kosten geregeld worden als in strafzaken, de eisers geen aanspraak kunnen maken op rechtsplegingsvergoeding; dat de kosten worden begroot zoals in het dictum bepaald;

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van voorzitter Nicole Van Isterdael, de partijen in hun middelen en conclusies en het overeenkomstig advies van advocaat-generaal Ockers;

Ontvangt de voorziening, verklaart ze gegrond;

Beveelt de herberekening van de betwiste aanslag, rekening houdend met wat voorgaat;

Beveelt de terugbetaling van het eventueel te veel betaalde meer de moratoriumintresten;

Legt de kosten dezer ten laste van de Staat en begroot deze kosten op 236 F.