Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013

Date :
12-11-2013
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

onderzoekstermijn - administratief beroep

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013
Document date : 12/11/2013
Document language : NL
Name : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013
Version : 1
Court : appeal/Gent_appeal

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 12.11.2013

 

Procedure - Uitbreiding onderzoekstermijn - Toelaatbaarheid vordering in rechte

 

 

Samenvatting

 

Een fiscaal geschil nopens de toepassing van art. 333, 3e lid WIB 92 is te beschouwen als een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet zoals bedoeld bij art. 569, 32° Ger.W, bepaling die ruim is geformuleerd.

 

Art. 1385undecies Ger.W voorziet niet in een door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep tegen de beslissing om de onderzoekstermijn met toepassing van art. 333, 3e lid WIB 92 uit te breiden.

 

Zo de wet wel voorziet in een dergelijk administratief beroep tegen de aanslag die het gevolg kan zijn van de bestreden beslissing tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, houdt dit niet in dat appellanten zouden moeten wachten tot de aanslag is gevestigd alvorens de uitbreiding van de onderzoekstermijn te kunnen aanvechten voor de rechtbank. Zulks is uit de wet niet af te leiden.

 

Zo appellanten ter controle van hun fiscale toestand geldige onderzoeksdaden moeten dulden die ingrijpen op hun normale activiteiten en de eventuele lasten die ermee gepaard gaan moeten ondergaan, geldt dit enkel voor de onderzoeksdaden die op rechtsgeldige wijze worden uitgevoerd. Zij hebben dan ook belang bij het onmiddellijk aanvechten van de beslissing tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, zonder de aanslag te moeten afwachten. De vordering van appellanten is ter zake ontvankelijk.

 

Volledige tekst

 

Hof van Beroep te Gent

 

12.11.2013

 

2012/AR/696

 

In de zaak van :

 

P.D. en

D.M., handel drijvende onder de benaming "T.", ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …, wonende te …

 

appellanten,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. …

 

tegen

 

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van het Controlecentrum Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

 

geïntimeerde,

 

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. …

 

spreekt het hof het volgend arrest uit:

 

1.

Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 3.12.2010 hebben de appellanten fiscaal verhaal ingesteld tegen de aangetekende kennisgeving dd. 24.9.2010 door de AOIF, Controlecentrum Brugge, team 1122, gestuurd aan de appellanten. Deze kennisgeving houdt verband met de door de appellante uitgeoefende activiteit van reisbemiddelaar die zij uitoefent onder de benaming "T."

 

Deze kennisgeving heeft volgende inhoud:

 

"

Mevrouw, Mijnheer,

 

Krachtens de bepalingen van art. 354, 1ste lid wetboek inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB92) mag bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, de belasting worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.

 

Krachtens art. 354, 2de lid WIB92 wordt deze termijn met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

 

Overeenkomstig de administratieve onderrichtingen is er sprake van:

 

- "bedrieglijk opzet", wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap;

- "oogmerk te schaden", wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

 

De toepassing van de termijn van zeven jaar is afhankelijk van het bestaan van een overtreding met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

 

Krachtens de bepalingen van art. 333, 3de lid WIB92 kan de administratie gedurende de in art. 354, 2de lid WIB92 bedoelde aanvullende termijn van 4 jaar onderzoeken verrichten indien zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk.

 

Deze aanwijzingen van belastingontduiking in uw hoofde zijn:

 

Naar aanleiding van het fiscaal nazicht ingesteld voor de aanslagjaren 2008 en 2009, inkomstenjaren 2007 en 2008 werd vastgesteld dat voor beide jaren een bedrag van respectievelijk 33.671,43 € en 62.270,50 € in mindering van de verkopen van het jaar werd gebracht, om reden dat de vertrekdatum van deze in 2007 en 2008 verkochte reizen zich pas in het volgende jaar situeerde.

 

Uit het nazicht van de verkopen van het jaar 2007 bleek echter dat deze in mindering geboekte bedragen niet terug aan de verkopen van het volgende boekjaar 2008 werden toegevoegd en dat bovendien in de verkopen van het jaar 2007 geen bedragen waren terug te vinden van reeds in het jaar 2006 verkochte reizen, waarvan de vertrekdatum zich in het jaar 2007 situeerde.

 

Bij inzage van het fiscaal dossier bleek dat ook in de vroegere jaren, ieder jaar een bedrag in mindering van de verkopen werd geboekt.

 

Het vermoeden bestaat derhalve dat ook in vroegere jaren naar analogie met de hiervoor vermelde vaststellingen, deze in mindering geboekte bedragen evenmin werden overgedragen naar de volgende jaren.

 

Aldus wordt de normale onderzoekstermijn van de aanslagjaren 2008 en 2009, overeenkomstig voormelde wettelijke bepalingen uitgebreid tot de aanslagjaren 2007, 2006, 2005 en 2004. "

 

Voor de eerste rechter vorderden de appellanten dat de beslissing van 24.9.2010 waarbij de termijn tot onderzoek verlengd werd voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007 nietig zou worden verklaard wegens onwettigheid.

 

Bij vonnis van 20.12.2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellanten onontvankelijk verklaard en werden de appellanten veroordeeld tot de kosten van het geding.

 

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 12.3.2012 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

 

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellanten er in zouden hebben berust.

 

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

 

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen, de oorspronkelijke vordering van de appellanten ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, en dienvolgens de beslissing van 24.9.2010 waarbij de termijn tot onderzoek verlengd werd voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007 nietig te horen verklaren wegens onwettigheid, minstens onrechtmatigheid. Verder vorderen de appellanten dat zodoende zou gezegd worden voor recht dat geen bijkomende aanslagen kunnen gevestigd worden voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007.

 

De geïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond zou worden verklaard en het eerste vonnis zou worden bevestigd.

 

2.

De appellanten betwisten de geldigheid van de hoger aangehaalde kennisgeving.

 

Er kan niet anders dan vastgesteld worden dat er aldus een fiscaal geschil is ontstaan nopens de toepassing van het artikel 333, derde lid WIB/1992. Dergelijk fiscaal geschil is te beschouwen als een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet zoals bedoeld bij het artikel 569,32° Ger.W., bepaling die ruim geformuleerd is.

 

Artikel 1385undecies Ger.W. bepaalt:

 

"

Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk een door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.".

 

De wet voorziet niet in een "door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep" tegen de beslissing om de onderzoekstermijn in toepassing van artikel 333 derde lid WIB/1992 uit te breiden. Zo de wet wel voorziet in een dergelijk administratief beroep tegen de aanslag die het gevolg kan zijn van de thans bestreden beslissing tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, dan houdt dit niet in dat de appellanten zouden moeten wachten tot de aanslag is gevestigd alvorens de uitbreiding van de onderzoekstermijn te kunnen aanvechten voor de rechtbank. Zulks is uit de wet niet af te leiden.

 

Zo de appellanten, zoals elke belastingplichtige, de geldige onderzoeksdaden moeten dulden die ingrijpen op hun normale activiteiten, dit ter controle van hun fiscale toestand, en zij de eventuele lasten die ermee gepaard gaan moeten ondergaan (zoals tijdverlies, verschaffen van stukken, opzoekingen, hinder in de exploitatie van een winstgevend bedrijf, e.d.), dan geldt dit toch maar voor onderzoeksdaden die op rechtsgeldige wijze worden uitgevoerd. De appellanten dienen de onderzoekingen in strijd met de wet (dit is althans wat de appellanten beweren) echter niet te ondergaan. De appellanten hebben dan ook belang bij het onmiddellijk aanvechten van de beslissing tot uitbreiding van de onderzoekstermijn zonder de aanslag te moeten afwachten.

 

Gelet op hetgeen voorafgaat dient de vordering van de appellanten ontvankelijk te worden verklaard.

 

3.

In de hoger aangehaalde kennisgeving heeft de administratie nauwkeurig en duidelijk aangegeven welke de aanwijzingen zijn van belastingontduiking, die zij krachtens artikel 333 derde lid WIB/1992 in de kennisgeving moet vermelden (zie hoger de tekst van de bestreden kennisgeving). De door de administratie in de kennisgeving aangehaalde gegevens zijn te beschouwen als aanwijzingen van belastingontduiking voor de jaren waarvoor de onderzoekstermijn wordt uitgebreid.

 

De administratie is er enkel toe gehouden de aanwijzingen van belastingontduiking te vermelden, en moet in de kennisgeving nog niet het bewijs leveren van de effectieve belastingontduiking (het is juist de bedoeling van het onderzoek in de uitgebreide onderzoekstermijn om deze belastingontduiking te bewijzen).

 

De vaststelling dat de appellante voor twee opeenvolgende inkomstenjaren (2007 en 2008) verkopen van reizen in mindering had gebracht omdat de reizen pas in het daarop volgend jaar doorgingen, maar die verkopen in het daarop volgend jaar dan niet aan de verkopen werden toegevoegd, wijst op het hanteren van een systeem van belastingontduiking door de appellanten, en is een aanwijzing dat de appellante ook voor vroegere jaren op dezelfde wijze te werk zou kunnen gegaan zijn. Dit is geen "twijfelachtige redenering" zoals de appellanten dit noemen, maar een duidelijke aanwijzing in de zin van artikel 333, derde lid WIB/1992.

 

Deze aanwijzing wordt niet tegengesproken door het feit dat de appellanten een minnelijke schikking hebben aangegaan voor de aanslagjaren betrekking hebbende op de inkomstenjaren 2007 en 2008, en hierbij de belastingverhogingen van 50 % hebben zien verminderen naar 20% ingevolge hun medewerking. Het is perfect mogelijk eerst aan belastingontduiking te doen om daarna mee te werken wanneer de belastingontduiking aan het licht komt. De akkoordverklaring voor de aanslagjaren 2008 en 2009 (stuk 7 van de geïntimeerde) gaat er trouwens van uit dat er een onjuiste aangifte is gebeurd met het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding, en gaat de normaal voorziene belastingverhoging van 50% nadien verminderen "in het kader van deze minnelijke schikking en door de medewerking van de belastingplichtige", wat niet inhoudt dat het opzet om de belasting te ontduiken niet meer weerhouden wordt.

 

Het feit dat de appellanten zich lieten bijstaan door een boekhouder, houdt op zich ook niet in dat de appellanten geen belastingontduiking op het oog hadden. In beginsel moet de boekhouder, lasthebber voor wie de lastgever aansprakelijk blijft, de instructies van zijn opdrachtgever volgen en is hij ook aangewezen op de documenten en inlichtingen die de appellante hem ter beschikking stelt.

 

4.

Gelet op hetgeen voorafgaat dient de vordering van de appellanten ontvankelijk doch ongegrond te worden verklaard, in plaats van onontvankelijk, en dienen zij te worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

 

De huidige procedure heeft betrekking op een specifiek geschil, ontstaan ingevolge de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn en de betwisting van deze uitbreiding door de appellanten. De kosten van dit geschil, waarvoor een van het geschil over de aanslag afgezonderde procedure gevoerd wordt met kosten voor de beide partijen tot gevolg, moeten door de verliezende partij in de huidige procedure worden gedragen, ongeacht de uitkomst van de procedure inzake de aanslagen in de inkomstenbelastingen.

 

De toe te kennen rechtsplegingsvergoeding is de basisvergoeding. Er zijn geen redenen om deze basisvergoeding te verminderen om reden dat de zaak eenvoudig zou zijn of nog omdat er een financieel onevenwicht tussen de partijen zou bestaan.

 

Dat de zaak eenvoudig zou zijn wordt door het verloop van de procedure tegengesproken. Zo wordt uitvoerig betwisting gevoerd alleen reeds over de vraag of de vordering van de appellanten wel ontvankelijk is. Tegenstrijdige rechtspraak wordt aangevoerd door de geïntimeerde, terwijl toch de eerste rechter, fiscale rechter en dus ervaren in fiscale zaken, van oordeel is geweest dat de vordering onontvankelijk was. Er werd door de appellanten ook uitgebreide betwisting gevoerd over niet alleen de ontvankelijkheid van hun vordering maar ook over de gegrondheid ervan (zie onder meer de syntheseberoepsbesluiten van de appellanten).

 

Van de basisvergoeding kan volgens het artikel 1022 Ger.W. afgeweken worden rekening houdende met de financiële draagkracht van de verliezende partij. Hieromtrent worden door de appellanten geen gegevens verschaft. Door louter aan te voeren dat er een " financieel onevenwicht" zou bestaan tussen de partijen tonen de appellanten niet aan dat hun financiële draagkracht van die aard is dat de basisrechtsplegingsvergoeding zou moeten worden verminderd. Op p. 15 (2e alinea) van hun beroepsbesluiten vermelden de appellanten wel dat zij een bloeiende zaak hebben en dat de Schatkist geen gevaar loopt, wat niet van aard is te doen aannemen dat hun financiële draagkracht slecht is. Het is ook niet kennelijk onredelijk om aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen omdat zij in beginsel geacht wordt financieel sterker te staan dan de appellanten.

 

Er zijn geen redenen om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding.

 

OP DEZE GRONDEN

 

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

 

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

 

Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het slechts gegrond in die mate dat de oorspronkelijke vordering van de appellanten afgewezen blijft omdat de vordering ongegrond is in plaats van onontvankelijk;

 

Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre het beslist over de kosten, en opnieuw wijzende,

 

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellanten ontvankelijk doch ongegrond;

 

Veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt:

 

• aan de zijde van de appellanten: op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

 

• aan de zijde van de geïntimeerde: op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

 

Aldus gewezen door de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent, rechtdoende in fiscale zaken, samengesteld uit: … en uitgesproken door … in openbare terechtzitting van 12 november 2013, bijgestaan door …