Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Onderhoudsuitkering kind,Voorwaarde aftrekbaarheid,Afzonderlijk gezin,Student
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001 Tax year : 2005 Document date : 19/06/2001 Document language : NL Name : G 01/21 Version : 1 Court : appeal
ARREST G 01/21 Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001 Onderhoudsuitkering kind - Voorwaarde aftrekbaarheid - Afzonderlijk gezin - Student De dochter van de belastingplichtige gaat vanaf 1985 in Brussel wonen. Tijdens de betrokken jaren studeert zij nog aan de universiteit. De belastingplichtige betaalt onderhoudsgelden en trekt deze af. De dochter zou te Brussel zijn gaan wonen met de bedoeling een onafhankelijk leven, los van de familiesfeer te leiden en zou aldus op duurzame wijze de familielevenssfeer verlaten hebben. De administratie, daarin gevolgd door het Hof, weigeren de aftrek. De wil om het ouderlijk gezin te verlaten moet blijken uit een geheel van feitelijke elementen. Het enkele feit afzonderlijk te wonen houdt niet in dat het ouderlijk huis definitief en duurzaam verlaten werd. In casu blijkt dat de ouders instonden voor alle betalingen. De studerende dochter was op economisch vlak volledig afhankelijk van haar ouders. Op sociaal en menselijk vlak wordt geen onafhankelijkheid in haren hoofde aangetoond. Het verblijf te Brussel werd enkel om studieredenen ingegeven. Het feit dat de dochter na haar studies niet meer thuis is komen wonen, toont evenmin aan dat zij tijdens haar studies de bedoeling had een afzonderlijk en duurzaam leven te leiden. 5FIe Kamer Raadsheer, waarnemend voorzitter: Dhr. G. Van Eygen Raadsheren: Dhr. G. Tillekaerts Plaatsvervangend raadsheer: Dhr. M. Cornut Griffier: Dhr. M. Vanderbeeken Partij: Verstegen Jozef, D'Hondt Victorina t. De Belgische Staat Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Gent van 5 april 1993 waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslagen in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1986 (kohierartikel 7707727), 1988 (kohierartikel 0734333), 1989 (kohierartikel 0729060) en 1990 (kohierartikel 1721077) slechts gedeeltelijk werd ingewilligd; Overwegende dat de betwisting te dezen er enkel om gaat te weten of de eisers de door hen aangegeven bedragen uit hoofde van betaalde uitkeringen tot onderhoud aan hun dochter Karen van hun belastbaar inkomen kunnen aftrekken al dan niet; dat de administratie dit weigert om de enkele reden dat de dochter Karen in de bedoelde aanslagjaren nog deel uitmaakte van het gezin van haar ouders zodat niet voldaan was aan alle voorwaarden van artikel 71 § 1, 3° WIB/64; dat de eisers de zienswijze van de administratie niet kunnen aanvaarden nu zij menen dat de dochter Karen naar Brussel is gaan wonen met de bedoeling een onafhankelijk leven, los van de familielevenssfeer te leiden en dat zij op duurzame wijze het ouderlijk gezin had verlaten in een verlangen om zelfstandig te gaan leven en haar eigen levensoriëntatie te bepalen; Overwegende dat volgens het alsdan van toepassing zijnde artikel 71 § 1, 3° WIB/64 van de gezamenlijke netto-inkomsten worden afgetrokken: de tachtig honderdsten van de renten of de kapitalen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald of toegekend aan personen die geen deel uitmaken van het gezin, wanneer die renten of die kapitalen hen werden betaald of toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van onder meer artikel 203 Burgerlijk Wetboek; Overwegende dat een kind, wanneer het studeert, en daarvoor buiten de woning van zijn ouders verblijft deel blijft uitmaken van het gezin, tenzij vastgesteld wordt dat het op een werkelijke en duurzame wijze dit gezin heeft verlaten om elders een eigen gezin te stichten of om een andere woonplaats te betrekken; Overwegende dat de wil om het ouderlijk gezin te verlaten en op een duurzame wijze een afzonderlijke woonplaats te hebben moet blijken uit een geheel van feitelijke elementen; Overwegende dat te dezen uit het dossier blijkt dat de dochter Karen haar studies aan de VUB te Brussel heeft aangevat in oktober 1984 om deze te beëindigen in juli 1991; Overwegende dat zij tijdens haar eerste academiejaar 1984-1985 bij haar ouders te Aalst is blijven wonen en dat zij op 1 oktober 1985 op een appartement te Brussel aan de Jetsesteenweg, 469 is gaan wonen en zij aldaar in het bevolkingsregister werd ingeschreven sedert 20 januari 1986; Overwegende dat zij vervolgens op 15 december 1987 is gaan wonen in een appartement eveneens te Jette doch aan de C.straat, en aldaar in het bevolkingsregister werd ingeschreven sedert 14 januari 1988; dat nadien vanaf 11 december 1990 zij woonachtig was te St. Jans Molenbeek; Overwegende dat het enkele feit afzonderlijk te wonen nog niet inhoudt dat de dochter van de eisers het ouderlijk huis definitief en duurzaam had verlaten; Overwegende dat waar Karen Verstegen in haar verklaring van januari 1991 (stuk 17) voorhoudt dat zij een eigen gezinsleven te Brussel wilde opzetten en een zo groot mogelijke onafhankelijkheid t.o.v. haar ouders en familie wilde opbouwen, dan moet worden vastgesteld dat daarvan niets wordt aangetoond, wel in tegendeel; Overwegende dat immers de eiser, als vader, de huur (6065 fr.) van het appartement te Brussel aan de Jetsesteenweg, 469 te Brussel betaalde evenals de kosten van huisvuil, elektriciteit, gas en water; dat hij tevens instond voor de huurwaarborg als de jaarlijkse provisie bankwaarborg; dat ook de eiser op zijn naam een verzekering «risico huurder» afsloot en de premie daarvan betaalde; dat de huurovereenkomst ook maar werd aangegaan voor een termijn van één jaar, met mogelijkheid van maandelijkse verlenging, wat een vermoeden stelt dat het om een studentenwoning ging; Overwegende dat de huurovereenkomst van 30 november 1987 waarbij voor de dochter Karen een appartement werd gehuurd in de C.straat te Brussel door de eiser samen met zijn dochter werd ondertekend; dat het ook de eiser is die steeds de huur van dit appartement heeft betaald samen met de eraan verbonden onkosten van elektriciteit, huisvuil, water, verzekering en bankwaarborg; Overwegende dat de eiser ook voor zijn dochter verder instond voor de betaling van het inschrijvingsgeld aan de universiteit en dat Karen in de bewuste aanslagjaren nog steeds was ingeschreven in het ziekenboekje van haar vader; dat de eisers ook hun dochter in de aangifte van het aanslagjaar 1986 als dochter ten laste hebben opgegeven, wat trouwens werd herhaald in de aangifte voor het aanslagjaar 1991; Overwegende dat rekening houdend met deze objectieve en vaststaande gegevens moet besloten worden dat de studerende dochter van de eisers tijdens de bedoelde aanslagjaren op economisch vlak volledig afhankelijk was van haar ouders en dat op sociaal en menselijk vlak geen onafhankelijkheid in haren hoofde kan worden aangetoond; Overwegende dat het afzonderlijk verblijf van de dochter van de eisers te Brussel veeleer moet worden aangezien als een tijdsnoodzaak om tijdens haar studies te Brussel te kunnen verblijven en dit zoals ze zelf heeft verklaard (stuk 17) om tijdrovende verplaatsingen met trein-tram-bus, op onregelmatige tijdstippen, universiteit-woonplaats van de ouders te Aalst, tot een minimum te herleiden in functie van de intensieve, langdurige inspanningen die universitaire studies vergen; Overwegende dat er dan ook toe moet worden besloten dat de dochter Karen nooit de intentie heeft gehad om te Brussel tijdens de betwiste aanslagjaren een afzonderlijk en duurzaam leven te leiden doch dat zij aldaar enkel verbleef voor haar studies; Overwegende dat de feitelijke gegevens en elementen aangehaald door de eisers niet aantonen dat Karen tijdens de belastbare periode daadwerkelijk en op blijvende wijze de ouderlijke woning had verlaten, met de wil een van haar ouders onderscheiden gezin te vormen; dat dient te worden aangenomen, zoals de administratie stelt, dat de verwijdering uit de ouderlijke woning alleen tijdelijk was met het oog op haar studies; dat de omstandigheid dat de gehuurde appartementen werkelijke woongelegenheden waren en geen studentenkamers aan dit alles geen afbreuk doet; dat ook het feit dat Karen na haar studies het ouderlijk huis niet meer heeft vervoegd te dezen niet dienend is nu dit nog niet aantoont dat zij tijdens haar studies de bedoeling had een afzonderlijk en duurzaam leven te leiden; Overwegende dat te dezen uit niets blijkt dat Karen niet meer aan het gezinsleven zou hebben deelgenomen op een dergelijke wijze dat zij niet meer bij het gezin van de ouders betrokken was en niet meer daadwerkelijk tot het gezin behoorde; Overwegende dat aldus de eisers het bewijs niet brengen dat hun dochter op duurzame wijze en met de wil zich zelfstandig te vestigen, afzonderlijk is gaan wonen; dat de administratie dan ook terecht de aftrekbaarheid van de betaalde uitkeringen heeft verworpen; Overwegende dat de voorziening derhalve ongegrond is; OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van Waarnemend Voorzitter Gisèle Van Eygen en de partijen in hun middelen en conclusies. Ontvangt de voorziening doch verklaart ze ongegrond. Verwijst de eisers in de kosten begroot op 404 Fr. |
|||||||