Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.03.2001

Date :
22-03-2001
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Verdoken meerwinsten,Vermoeden dat vorderingen door klanten zijn betaald

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.03.2001
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.03.2001
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.03.2001
Tax year : 2005
Document date : 22/03/2001
Document language : NL
Name : G 01/2
Version : 1
Court : appeal

ARREST G 01/2


Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.03.2001



De Fiscale Koerier 01/189

Verdoken meerwinsten - Vermoeden dat vorderingen door klanten zijn betaald

    Een vennootschap boekt bij het afsluiten van haar jaarrekening een verlies op een reeks klantenvorderingen die reeds jarenlang als onbetaalde facturen zijn geboekt.

    Aangezien naar aanleiding van een fiscale controle werd vastgesteld dat de facturen die als verloren werden beschouwd reeds jarenlang openstonden en door de vennootschap nooit een poging tot invordering werd gedaan, vermoeden de taxatiediensten dat de openstaande vorderingen in het verleden reeds door de klanten werden betaald. De Administratie aanziet het bedrag van de onbetaalde facturen als verdoken winsten. Aangezien deze winsten niet in de balans van de vennootschap kunnen worden teruggevonden, onderwerpt de Administratie het bedrag van de onbetaalde facturen aan de bijzondere aanslag voor geheime commissielonen.

    Het Hof weigert deze zienswijze te volgen.

    Volgens het Hof mag de Administratie uit haar vaststellingen niet zonder meer afleiden dat de vennootschap de facto hogere winsten heeft gerealiseerd. Aangezien gedurende de jaren die volgden op de afboeking van de verloren vorderingen is gebleken dat bepaalde facturen toch nog werden betaald, kan de Administratie niet zonder meer aannemen dat de afgeboekte facturen door de vennootschap in het verleden anderszins werden geïnd. Het vermoeden dat de openstaande vorderingen door de klanten werden betaald is niet gesteund op vaststaande feiten.



Nummer van de zaak: 1996/FR/130

IN DE ZAAK VAN:

I.  B.V.B.A

TEGEN:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;

spreekt het Hof volgend arrest uit:

Overwegende dat de eiseres tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent van 21 mei 1996, waarbij het bezwaar tegen de op haar naam gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1987 (kohierartikel 8816481) ten dele werd ingewilligd en waarbij een ontheffing werd verleend van 166.105,-BEF;

Overwegende dat de eiseres tijdig en regelmatig een aangifte heeft ingediend;

Overwegende dat aan de eiseres, na een controle ter plaatse, een bericht van wijziging werd overgemaakt op 29 oktober 1987 waarbij met betrekking tot het aanslagjaar 1987 werd medegedeeld dat de aangegeven inkomsten en gegevens als volgt zouden worden aangepast:

'Vennootschap:

aangroei reserves:  (0)
Verlies op klanten:-958.387,-BEF
-958.387,-BEF
Verworpen uitgaven:
overdreven afschrijving: 61.900,-BEF
niet bewezen lasten of bedragen: 958.387,-BEF
voordelen Jetta en Passat: 90.000,-BEF
liberaliteiten: 30.000,-BEF
1.140.287,-BEF
resultaat vennootschap: 181.900,-BEF

Overwegende dat, ingevolge het gemotiveerde niet-akkoord van de eiseres, de administratie ter kennis bracht dat de belastbare basis zou worden vastgesteld zoals aangekondigd met dien verstande dat het verlies op klanten en het bedrag van niet bewezen lasten of bedragen zou worden vastgesteld op 802.557,BEF, zodat het resultaat van de vennootschap zou worden bepaald op 151.900,-BEF; dat hierbij tevens werd medegedeeld dat de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/64 zou worden toegepast; dat de aanslag werd gevestigd zoals aangekondigd;

Overwegende dat door de eiseres bezwaar werd ingediend; dat zij zich daarbij akkoord verklaarde met de afschrijving van 61.900,- BEF, doch de voordelen VW Jetta en VW Passat, de liberaliteiten, de debetintresten en het verlies op klanten betwistte;

Overwegende dat zij in een eerste aanvullend bezwaar bijkomend argumenteerde dat het bericht van wijziging onvoldoende was gemotiveerd en dat de beslissing van de administratie willekeurig was; dat zij haar standpunt betreffende de door de administratie weerhouden posten verder uiteenzette behoudens wat haar bezwaar met betrekking tot de debetintresten betreft dat zij zonder oorzaak achtte; dat zij, met betrekking tot de afschrijving van 61.900,-BEF, aanvoerde dat dit bedrag reeds in aanmerking werd genomen in de personenbelasting van de zaakvoerder, zodat hierdoor een dubbele belasting werd gevestigd; dat zij tenslotte liet gelden dat de betwiste aanslag gevestigd werd op een belastbaar inkomen van 150.939,-BEF in plaats van op 150.900,-BEF, dus op een hoger bedrag dan vermeld in het bericht van wijziging met de nietigheid tot gevolg;

Overwegende dat er een tweede aanvullend bezwaar volgde; dat de eiseres daarin voornamelijk voorhield dat de voorwaarden tot toepassing van artikel 132 WIB/64 niet werden vervuld;

Overwegende dat in de directoriale beslissing het verlies op klanten werd verminderd van 802.557,-BEF tot 720.530,-BEF en daarom ontlastingen werden verleend ten bedrage van 166.105,-BEF; dat voor het overige de bezwaren van de belastingplichtige als ongegrond werden afgewezen;

Overwegende dat door de eiseres een voorziening werd ingediend; dat zij dezelfde argumentatie ontwikkelde als tijdens de bezwaarprocedure;

Overwegende dat de eiseres in haar conclusies neergelegd ter terechtzitting van 22 juni 2000 de terugbetaling vroeg van het bedrag van 61.900,-BEF, vermeerderd met de moratoriumintresten, wegens dubbele belasting; dat zij desbetreffende in vorige conclusies nog had geargumenteerd dat de Directeur ambtshalve kon ontlasten; dat zij tevens de samenvoeging vroeg met de zaak 1996/FR/129;

Overwegende dat de administratie in essentie de argumenten van de directoriale beslissing overnam;

Overwegende dat, alhoewel de zaak 1996/FR/129 op dezelfde pleitdatum werd vastgesteld, er geen aanleiding is tot samenvoeging met onderhavige zaak, nu het gaat om twee verschillende belastingplichtigen;

Overwegende dat, nu de eiseres in de mogelijkheid was te antwoorden op de conclusies van de verweerder neergelegd op 25 augustus 1999, er geen reden is tot de wering van desbetreffende conclusies uit de debatten, zoals door de eiseres gevorderd; dat er evenmin reden is tot wering van de samenvattende nota, stuk 1 van het door de administratie overlegd dossier;

Nopens de beweerde gebrekkige motivering van het bericht van wijziging:

Overwegende dat de eiseres ten onrechte aanvoert dat de aanslag dient te worden vernietigd wegens gebrekkige motivering ervan;

Overwegende dat een bericht van wijziging voldoet aan de bepalingen van artikel 251 WIB/64 wanneer het aan de belastingplichtige toelaat zich rekenschap te geven van de bestanddelen waarop de taxatieambtenaar zich steunt; dat het bericht van wijziging tot doel heeft een dialoog tussen de belastingplichtige en de fiscus tot stand te brengen met het oog op de latere vaststelling van de belasting;

Overwegende dat het bericht van wijziging de balansposten van het boekjaar 1986 aanhaalde die de administratie verbeterd wenste te zien en daar vier punten motivering aan toevoegde;

Overwegende dat de eiseres in haar antwoord op het bericht van wijziging op gemotiveerde wijze meedeelde niet akkoord te gaan met de voorgenomen wijziging, met uiteenzetting van de gevoerde betwisting; dat hieruit blijkt dat de eiseres het standpunt van de administratie kende en dat zij hieromtrent argumenteerde; dat zij in staat werd gesteld de voorgestelde wijzigingen te onderzoeken, te bediscussiëren en te verwerpen of aan te nemen; dat het bericht van wijziging dan ook voldoende gemotiveerd is;

Nopens de beweerde nietigheid van de aanslag:

Overwegende dat in de directoriale beslissing deze grief terecht werd verworpen; dat werd overwogen dat de belasting gevestigd werd rekening houden met een investeringsaftrek van 961,-BEF op een bedrag van 151.900,-BEF; dat het in het bericht van wijziging aangehouden bedrag van 181.900,-BEF werd herleid na opmerkingen van de belastingplichtige en dat de belastbare basis dus niet hoger is;

Nopens de autovoordelen:

Overwegende dat de partijen akkoord gaan dat de autovoordelen voor het gebruik van de Mercedes, die door de zaakvoerder van de eiseres ook voor privaat gebruik werd aangewend, begroot werden op 60.000,-BEF; dat de betwisting derhalver beperkt is tot het gebruik van de VW Jetta en de VW Passat;

Overwegende dat er vooreerst dient beklemtoond te worden dat, wanneer de eiseres eigenares is van verschillende voertuigen, waarvan niet betwist wordt dat er één ter beschikking was van de zaakvoerder, de administratie het bewijs moet leveren dat ook de andere firmawagens voor privé-doeleinden werden gebruikt;

Overwegende dat ter zake dit bewijs niet wordt geleverd en dat loutere vermoedens niet volstaan;

Overwegende dat de omstandigheid dat de VW Passat en de VW Jetta ook als privaatvoertuigen kunnen worden aangewend, niet laat veronderstellen dat de zaakvoerder van de eiseres deze voertuigen inderdaad voor privaat doeleinden heeft aangewend; dat de administratie niet betwist dat de VW Passat gebruikt werd door de vertegenwoordiger van de eiseres; dat zij niet aantoont dat deze firmawagen ook door de zaakvoerder van de eiseres voor privaat doeleinden werd aangewend;

Overwegende trouwens dat de eiseres aantoont het voertuig VW Passat te hebben aangekocht op 8 november 1983 en ditzelfde voertuig te hebben verkocht op 15 november 1984(stukken 12/13 en 12/14); dat dit voertuig zich in 1986 niet meer in het patrimonium van de eiseres bevond, zodat daaruit geen voordelen in natura meer kunnen aangenomen worden; dat de administratie, die de juistheid van de facturen niet weerlegt, niet kan steunen op de boekhoudkundige fout van de eiseres, die het voertuig na de verkoop verder bleef afschrijven;

Overwegende dat, nu het bewijs niet wordt geleverd van het privaat gebruik van de VW Passat en van de VW Jetta, de voorziening dienaangaande gegrond is;

Nopens de afschrijving van de Mercedes ten bedrage van 61.900,-BEF:

Overwegende dat de eiseres zich in haar bezwaar uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de afschrijving van 61.900,-BEF; dat zij echter aanvoert dat dit bedrag reeds was aangegeven in de personenbelasting van haar zaakvoerder, Frans Imbo, zodat er een dubbele belasting werd gevestigd;

Overwegende dat er derhalve betreffende de belastbaarheid van het bedrag geen betwisting bestaat, noch dat het bedrag belastbaar is in de vennootschapsbelasting; dat derhalve de aanslag waarvan het Hof kennis heeft genomen wettig werd vastgesteld;

Overwegende dat dubbele belasting in de zin van art. 277 § 1 WIB/64 veronderstelt dat op dezelfde inkomsten meerdere aanslagen zijn vastgesteld waarvan de ene de andere wettig uitsluit; dat nu het Hof geen kennis heeft van de onwettig vastgestelde aanslag het Hof de ontheffing niet kan bevelen;

Overwegende dat de directoriale beslissing terecht oordeelde dat de vennoot om ontheffing moest verzoeken in de personenbelasting;

Nopens de liberaliteiten:

Overwegende dat de eiseres in haar jaarrekeningen een forfaitair bedrag van 60.000,-BEF opnam onder de rubriek 'Publiciteit', dat de administratie slechts 30.000,-BEF wenst aan te nemen;

Overwegende dat artikel 44, tweede lid WIB/64 bepaalt dat de uitgaven en de kosten waarvan het bedrag niet overeenkomstig artikel 44, eerste lid WIB/64 os verantwoord, in gemeenschappelijk overleg door de administratie en de belastingplichtige op een vast bedrag worden bepaald en dat, wanneer geen akkoord wordt bereikt, die uitgaven of lasten op een redelijk bedrag worden vastgesteld;

Overwegende dat de eiseres zich beroept op beweerde akkoorden van de administratie betreffende andere aanslagjaren;

Overwegende dat de omstandigheid dat de administratie voor een bepaald aanslagjaar akkoord ging om de bedrijfskosten forfaitair te bepalen op een bepaalde som niet inhoudt dat er dienaangaande met de administratie een individueel akkoord tot stand is gekomen; dat het beginsel van de annualiteit van de belasting belet dat er geen rekening wordt gehouden met wat de administratie voor andere aanslagjaren heeft aanvaard; dat de eiseres niet aantoont dat er een geldig akkoord werd afgesloten voor meerdere jaren; dat een akkoord, zij het impliciet, niet kan voortvloeien uit het feit dat voor de aanslagjaren 1988 en 1989 het aangegeven bedrag van 60.3000,-BEF werd aanvaard; dat, wat de vorige aanslagjaren betreft, het volstaat te verwijzen naar het bericht van wijziging van aangifte van 29 april 1986 betreffende het aanslagjaar 1985, waarin de administratie eveneens slechts een bedrag van 30.000,-BEF wenst te weerhouden als bedrijfslast en naar het niet-akkoord betreffende de representatiekosten en kosten van gemengde aard van 21 april 1986 (stuk 23/15);

Overwegende dat de eiseres de echtheid en het bedrag van de betwiste bedrijfsuitgaven niet heeft verantwoord door middel van bewijsstukken;

Overwegende dat gedurende het boekjaar 1986 maandelijks een bedrag van 5.000,-BEF in contanten werd opgenomen, waaromtrent de eiseres en haar zaakvoerder elke uitleg schuldig blijven en waaromtrent niet het minste verantwoordingsstuk voorligt; dat de eiseres geen duidelijkheid verschaft nopens de aard en de omvang van de geboekte kosten tenzij dat zij gemaakt werden voor een verplicht verteer;

Overwegende dat de administratie derhalve geenszins op onwettelijke manier is tewerk gegaan bij het vaststellen van de forfaitaire beroepskosten waarvoor het niet gebruikelijk is bewijsstukken voor te leggen;

Overwegende dat ten deze niet blijkt dat de door de eiseres gedaan meeruitgaven in noodzakelijk verband stonden met het verkrijgen of het behouden van inkomsten, die voor haar uit het uitoefenen van haar bedrijfsactiviteit voortvloeien; dat deze uitgaven terecht door de administratie werden beperkt tot 30.000,-BEF en er geen redenen zijn om terzake een hogere forfaitaire aftrek toe te passen; dat derhalve deze grief ongegrond is;

Nopens het klantensaldo:

Overwegende dat bij bericht van wijziging van aangifte van 29 augustus 1987 het verlies op klanten werd bepaald op 958.387 BEF;

Overwegende dat dit verlies als volgt werd berekend:

- saldo rekening klanten op 31.12.1986 3.899.128 BEF
- openstaande facturen 1986 - 2.460.416 BEF
- openstaand facturen vorige jaren waarvoor een verklaring kon worden gegeven - 480.325 BEF
Saldo 958.387 BEF

Overwegende dat rekening houden met stuk 18/6, waaruit bleek dat de openstaande facturen 1986 niet 2.460.416 BEF bedroegen maar 2.606.236 BEF, het saldo verminderd werd tot 802.557 BEF; dat uiteindelijk in de directoriale beslissing het bedrag werd verminderd tot 720.530 BEF;

Overwegende dat hiermede rekening houdend en na de door de directeur toegestane ontheffing, dit bedrag van 720.530 BEF nu nog onderworpen blijft aan de bijzondere aanvullende aanslag in de geheime commissielonen overeenkomstig art. 132 WIB/64;

Overwegende dat de administratie het bedrag van deze onbetaalde facturen aanziet als verdoken winsten die niet onder de bestanddelen van de balans van de vennootschap worden teruggevonden en derhalve met niet verantwoorde kosten als bedoeld in art. 47 § 1 WIB/64 moeten worden gelijkgesteld zoadat deze volgens de administratie aan de bijzondere afzonderlijke aanslag moeten worden onderworpen;

Overwegende dat in het bericht van wijziging van 29 oktober 1987 de administratie artikel 246 WIB/64 (feitelijke vermoedens) hanteerde om de belastbare inkomsten van de eiseres te verhogen; dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit;

Overwegende dat uit de omstandigheid dat een groot aantal facturen openstonden zonder dat een poging tot invordering werd gedaan door de administratie wordt vermoed dat deze openstaande vorderingen door de klanten betaald zijn;

Overwegende dat dit geenszins een vaststaand feit is doch wel een feitelijk vermoeden nu uit de stukken is gebleken dat nog facturen werden betaald (stuk 12/4) ondermeer 30.000 BEF op 10 februari 1987 (stuk 12/6), 4.336 BEF op 30 april 1987 (stuk 12/7) en 61.588 BEF op 3 juni 1987 (stuk 12/8);

Overwegende dat de administratie uit de beweerde betaling van deze facturen door de klanten beslot tot verdoken meerwinsten die niet in de boekhouding van de belastingplichtige konden worden teruggevonden en welke bovendien werden uitgekeerd in één van de vormen van art. 47 § 1 WIB/64 hetgeen de vestiging van een afzonderlijke aanslag toeliet;

Overwegende dat in de gegeven omstandigheden de bewijsvoering van de administratie strijdig is met art. 246 WIB/64 nu de beweerde betaling door de klanten geen vaststaand feit is zodat dit niet kan dienen voor het vestigen van nieuwe vermoedens;

Overwegende dat nog afgezien van het feit dat geen samenvattende opgave of fiches moeten worden opgemaakt voor facturen, gezien de genieters gekend zijn, de aanslag in de geheime commissielonen ten deze niet kan worden toegepast;

Nopens de kosten:

Overwegende dat het gerechtsdeurwaardersexploot van aanzegging van de voorziening als kosten het bedrag vermeldt van 1.868,-BEF; dat de eiseres bovendien in haar eerste conclusies aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding;

Overwegende evenwel dat de kosten dienen berekend zoals in strafzaken en derhalve slechts 324,-BEF mogen bedragen en er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is;

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Sabine De Bauw en de partijen in hun middelen en conclusies.

Ontvangt de voorziening en verklaart ze ten dele gegrond.

Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag, rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt tevens de teruggave van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriuminteresten.

Verwijst de eiseres in drie vierden en de Belgische Staat in één vierde van de kosten, begroot in hun geheel op 324 Fr.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWEEENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN EEN.