We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.05.1997
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Verzet tegen bewarend beslag
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.05.1997
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.05.1997 Tax year : 2005 Document date : 30/05/1997 Document language : NL Name : G 97/4 Version : 1 Court : appeal
ARREST G 97/4 Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.05.1997 Bull. nr. 806, pag. 1393 Verzet tegen bewarend beslag Het bestaan van een specifieke beslagprocedure in het fiscaal recht doet geen afbreuk aan de mogelijkheden die het gemeenrechtelijk executie recht biedt. De specifieke fiscaalrechtelijke executiemogelijkheden zijn geenszins onverenigbaar met het gemeenrechtelijk executierecht. Het feit dat de Ontv. aanvankelijk opteerde voor de toepassing van art. 433, en vlg., WIB 92, sluit derhalve geenszins de aanvullende toepassing van het gemeen recht uit. Het bestaan van een zekerheid (in casu : vroegere fiscale waarborg - hypotheekneming) belet, behoudens in geval van rechtsmisbruik, geen bijkomende (gemeenrechtelijke) bewarende maatregelen. De voorwaarde van beslagrechtelijke urgentie is vervuld zodra de financiële positie van de debiteur in het gedrang is en/of de schuldeiser op ernstige wijze mag vrezen dat de schuldenaar zijn onvermogen organiseert waardoor het innen van zijn schuldvordering gevaar loopt. De zekerheid van de schuldvordering komt niet in het gedrang door de enkele verwijzing naar een ingediend bezwaar. De opeisbaarheid wordt, gelet op het uitvoerbaar verklaard kohier, niet in het gedrang gebracht door het bestaan van een bezwaarschrift. Invordering. - Bewarend beslag. - Verzet tegen bewarend beslag. 30.05.1997 HOF VAN BEROEP TE GENT M.V., S.D. en A.D. tegen Ontvanger te GERAARDSBERGEN Het bestaan van een specifieke beslagprocedure in het fiscaal recht doet geen afbreuk aan de mogelijkheden die het gemeenrechtelijk executierecht biedt. De specifieke fiscaalrechtelijke executiemogelijkheden zijn geenszins onverenigbaar met het gemeenrechtelijk executierecht. Het feit dat de Ontv. aanvankelijk opteerde voor de toepassing van art. 433, en vlg., WIB 92, sluit derhalve geenszins de aanvullende toepassing van het gemeen recht uit. Het bestaan van een zekerheid (in casu : vroegere fiscale waarborg - hypotheekneming) belet, behoudens in geval van rechtsmisbruik, geen bijkomende (gemeenrechtelijke) bewarende maatregelen. De voorwaarde van beslagrechtetijke urgentie is vervuld zodra de financiële positie van de debiteur in het gedrang is en/of de schuldeiser op ernstige wijze mag vrezen dat de schuldenaar zijn onvermogen organiseert waardoor het innen van zijn schuldvordering gevaar loopt. De zekerheid van de schuldvordering komt niet in het gedrang door de enkele verwijzing naar een ingediend bezwaar. De opeisbaarheid wordt, gelet op het uitvoerbaar verklaard kohier, niet in het gedrang gebracht door het bestaan van een bezwaarschrift. Appellanten, M.V., S.D. en A.D., hebben tijdig - er wordt geen gewag gemaakt van betekening van de bestreden beschikking - en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de beslagrechter te Oudenaarde, op 15 mei 1996 gewezen, waarbij hun vordering ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard. Met hun hoger beroep beogen appellanten het teniet doen van voormelde beschikking, de toewijzing van hun oorspronkelijke vordering strekkend hoofdzakelijk tot nietigverklaring van het derdenbeslag gelegd bij exploot van 18 april 1996 in handen van notaris I.M., notaris te 0., en tot veroordeling van de Belgische Staat tot een schadevergoeding van « meer dan 100.000 F ». Bij conclusies neergelegd op 25 september 1996 is tevens de veroordeling gevorderd van geïntimeerde tot betaling van de wettelijke rente op de som van 1.272.666 F vanaf 12 juni 1996 tot de datum van opheffing van het derdenbeslag. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies; de stukken werden ingezien. RELEVANTE FEITEN Voor de beoordeling van onderhavige procedure zijn volgende feiten te vermelden. Op 18 april 1996 werd, op verzoek van de Ontvanger der directe belastingen te Geraardsbergen, lastens appellanten bewarend beslag gelegd in handen van notaris I. M. op de gelden van de verkoop van een villa gelegen te N, en dit voor 433.545 F, voor de daarop betrekking hebbende rente 802.782 F evenals de kosten, en dit « krachtens de kohieren uitvoerbaar verklaard door de bevoegde overheden op naam van de nalatenschap L, D.» en « het dwangschrift » dat medebetekend wordt en gewaagt van een totaal van 6.852.954 F meer 19.176 F nalatigheidsrente per kalendermaand. Dit bewarend beslag onder derden werd aangezegd aan appellanten op 25 april 1996. Bij brief van 19 april 1996 verklaarde voormelde notaris geen gelden te bezitten voor rekening van appellanten die zouden voortkomen van de eventuele verkoop van de villa te N., doch « uiteraard » « rekening (te houden) met het beslag ». Aan dit beslag zijn inschrijvingen van wettelijke hypotheek, overeenkomstig art. 434 WIB 92, voorafgegaan zowel op het onroerend goed gelegen te B. als op dit te N. voor een bedrag respectievelijk van 6.884.485 F (2.397.975 F belastingen, 4.386.5 10 F geraamde rente en 100.000 F geraamde kosten) en 7.057.069 F (2.397.975 F belastingen, 4.559.094 F rente en 100.000 F kosten). De hypotheken werden naderhand - kennelijk lopende de procedure - beperkt overeenkomstig art. 425 van dezelfde wet tot 2.660.914 F (ten gevolge van het weren van verhogingen en boeten). Voorafgaand aan onderhavige procedure zou eveneens een procedure handlichting der hypotheken zijn ingeleid voor de beslagrechter te Oudenaarde « om een antwoord te krijgen op twee eenvoudige vragen, waarop het antwoord gekend of heel eenvoudig was ». Deze procedure zou aanleiding hebben gegeven tot een tussenbeslissing (toepassing art. 88, § 2 Ger.W) die niet is voorgelegd en - hoe dan ook - buiten het bestek van onderhavig geschil valt. Beide maatregelen zijn de uitloper van een aanslag (BTW en directe belastingen) op 12 januari 1995 ingekohierd op naam van de nalatenschap L. D., bij toepassing van art. 260 WIB oud, thans 366 WIB 92, ten bedrage van 2.397.975 F, waartegen op 27 februari 1995 bezwaar werd aangetekend. PRELIMINAIR Volledigheidshalve stelt het Hof vast dat een aantal stukken uit het dossier van appellanten ontbreken, hoewel de inventaris van stukken er gewag van maakt. Het betreft een gerechtsdossier AR... . BEOORDELING Toelaatbaarheid. 1. Geïntimeerde heeft in eerste aanleg de toelaatbaarheid van het verzet betwist aan de hand van de verklaring van de derdebeslagene « geen gelden » te bezitten voor rekening van appellanten, hieruit afleidend dat « dit bewarend beslag zonder voorwerp en gevolg was ». Afgezien het feit dat niet blijkt dat dit argument in deze aanleg nog wordt gehandhaafd, is het gebleken « resultaat » van een beslag niet van aard het belang op te heffen in hoofde van de beslagene om de regelmatigheid en/of rechtmatigheid van het beslag te betwisten. De toelaatbaarheid van het verzet komt hierdoor dan ook niet in gedrang. Nietigheden. 2. Uit voormeld verweer van geïntimeerde in conclusies in eerste aanleg leiden appellanten van hun kant af dat, door voormelde overweging omtrent de afwezigheid van voorwerp en gevolg, de limieten van het geschil zouden zijn afgebakend. Door te overwegen dat « een betwiste, voorwaardelijke, zelfs eventuele schuldvordering het voorwerp kan zijn van derdenbeslag wanneer ze reeds in de kiem bestaat of het juridisch kader voor de realisatie voorhanden is » zou de bestreden beslissing - steeds volgens appellanten het beschikkingsbeginsel hebben geschonden. Gelet evenwel op het beperkt kader - met name uitsluitend in het kader van de formulering van een exceptie van toelaatbaarheid, exceptie welke overigens niet is hernomen in graad van hoger beroep - waarin deze stellingname is gebeurd, gelet verder op de afwijzing van de exceptie, diende enkel met het verweer in subsidiaire orde rekening gehouden. Bovendien wordt voormelde stelling van geïntimeerde elders in conclusies tegengesproken en aldus impliciet opgeheven gezien het gevoerde pleidooi voor de geldigheid van het beslag. Er is dan ook geen overschrijding van het beschikkingsbeginsel. Aan de exceptie werd een verkeerd juridisch gevolg gehecht (beslag zonder voorwerp en gevolg gelet op de verklaring van de notaris), terwijl het de rechter toekwam deze gevolgtrekkingen te rectifiëren. 3. Appellanten beriepen zich van meetafaan eveneens op de (absolute) nietigheid van het beslag onder derden wegens het gebrek aan oorzaak, elders gebrek aan motivering genoemd. In tegenstelling tot hetgeen door deze partij - verkeerdelijk wordt verondersteld zijn de begrippen « dagvaarding », « vordering » en « exploot » geenszins synoniemen, zodat de geldigheidsvereisten van de ene proceshandeling niet zomaar kunnen worden getransponeerd op de andere. Een beslag is geenszins gelijk te stellen met een « vordering », zijnde « het rechtsmiddel door hetwelk er van een gerecht kan gevraagd worden een wet toe te passen op een bepaalde aangelegenheid » (VAN REEPINGHEN, Ch., Verslag, bl. 38). Het beslag kan weliswaar het resultaat zijn van een vordering of een verzoek en kan tevens tot vorderingen aanleiding geven (zoals te deze is gebleken), doch - met uitzondering van die gevallen waar de wetgever bepaalde vormvereisten expliciet zou voorschrijven - laat niets toe de regelmatigheid van een beslag afhankelijk te stellen van de geldigheidsvoorwaarden voor de exploten van dagvaarding, opgesomd in art. 702 Ger.W. Dit is a fortiori het geval nu het bewarend derdenbeslag geregeld wordt door eigen vormverplichtingen en wetmatigheden overeenkomstig de art. 1445 e.v. Ger.W, waarointrent geen schending wordt aangevoerd. Hun uiteenzetting omtrent de draagwijdte van art. 702, 30 Ger.W en het ontbreken van een oorzaak is alhier dan ook niet ad rem en niet verder te beantwoorden. Het beslag - in zijn formele betekenis - is evenmin een bestuurshandeling die aan de vereisten terzake is onderworpen. Toepasselijkheid gemeen recht. 4. Appellanten kunnen niet gevolgd worden in hun betoog dat de fiscale regeling van de invordering, vervolging en uitvoering de toepassing van het gemeenrechtelijke executierecht zou uitsluiten, en dat het (enkel) de fiscale wetgever zou zijn die beslist over de toepasselijkheid van het gemeenrecht voor zover hij dit toepasselijk acht. Afgezien het feit dat de toepassing van het gemeenrechtelijk beslagrecht meer waarborgen biedt aan de beslagene, zodat twijfels kunnen rijzen omtrent het rechtmatig belang om zich op dit argument te beroepen, zijn overeenkomstig art. 2 Ger.W de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Het gemeen recht vult het fiscaal recht derhalve niet aan, zoals wordt gesteld; integendeel kan van het gemeen recht slechts worden afgeweken in zoverre (strikt) aan de voorwaarden van art. 2 Ger.W is voldaan. Het bestaan van een specifieke beslagprocedure in het fiscaal recht doet aan het vorengestelde geen afbreuk. Geattendeerd dient tevens op het feit dat de regels van het gemene executierecht in beginsel al evenzeer de openbare orde raken, en elkeen binden, met inbegrip van de Ontvanger. 5. De specifieke fiscale regelingen zijn geenszins onverenigbaar met het gemeenrechtelijke executierecht. Art. 301 WIB [lees : 300 WIB] stelt dat de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving der kohieren, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen door de Koning wordt geregeld. Art. 146 van het KB/WIB maakt de alhier toepasselijke regeling uit, maar voorziet evenwel dat « de invordering van de directe belastingen, zomede van de voorheffingen die niet binnen de wettelijke termijnen voldaan zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 147 tot 175 « mag » worden vervolgd ». Uit deze bewoordingen kan derhalve geenszins worden afgeleid dat de fiscale wetgever een « volledige set » exclusieve vervolgingsmaatregelen zou hebben uitgewerkt, noch dat de rechtstreekse of onrechtstreekse vervolgingen noodzakelijk volgens deze regelingen zouden « moeten » gebeuren, of dat de fiscale regeling onverenigbaar zou zijn met het gemeenrechtelijk executierecht, dat dan ook toepassing vermocht te vinden. De eerste rechter heeft tevens terecht verwezen naar art. 300 WIB (oud), thans art. 409 WIB/92, dat immers voorziet dat « het indienen van bezwaar of van beroep geen hinderpaal vormt voor het beslag niettegenstaande het bepaalde in art. 1494 Ger.W, noch voor de overige maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen van het algehele bedrag van de betwiste belasting en hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, van de interesten en de kosten », waaruit volgt dat dit artikel enerzijds het uitvoerend beslag beoogt dat, krachtens die teksten kan worden gelegd niettegenstaande het bepaalde in art. 1494 Ger.W, en anderzijds de bewarende maatregelen welke ertoe strekken de invordering van de belasting te waarborgen en waarop voornoemd art. 1494 niet van toepassing is (vgl. Cass., 8 maart 1990, Arr. Cass., 1989-90, 898; zie tevens Cass., 28 oktober 1993, Pas., 1993, 871 met conclusies VELU). Dit artikel impliceert dan ook de mogelijke toepassing van bewarende maatregelen, zonder dat hieruit enige onverenigbaarheid met het gemeen recht blijkt. Wel integendeel. De uiteenzetting van appellanten met betrekking tot art. 300 WIB van 1992 is dan ook niet verder relevant. 6. Het bestaan van een zekerheid in casu van een vroegere fiscale waarborg (hypotheekneming), belet in beginsel (behoudens niet aangetoond - misbruik van recht) geen bijkomende (gemeenrechtelijke) bewarende maatregel. Uit de conclusies genomen voor geïntimeerde blijkt duidelijk dat onderhavig bewarend derdenbeslag precies gelegd werd omdat voor de administratieve boeten en de belastingverhogingen geen wettelijke hypotheek genomen kon worden noch voor de daarop betrekking hebbende nalatigheidsinteresten en kosten. Het gemeenrechtelijk beslag blijkt dan ook verantwoord gelet op het gegeven dat de hypotheek werd gerealiseerd en gevestigd voor bedragen, exclusief aankleven. Het feit dat de fiscale administratie aanvankelijk opteerde voor de toepassing van art. 433 e.v. WIB dat desgevallend aanleiding geeft tot een (beperkt) fiscaalrechtelijk beslag onder derden in handen van de notaris - beslag dat niet het voorwerp uitmaakt van onderhavig geding - sluit de aanvullende toepassing van het gemeen recht evenmin uit. Voor zover sprake is van niet opgeheven wetsbepalingen in de zin van art. 2 Ger.W of van een specifieke regeling, hebben die fiscaalrechtelijke maatregelen slechts een beperkte draagwijdte, die een aanvullende maatregel van het gemeenrechtelijk bewarend beslag niet uitsluit, noch er onverenigbaar mee is. Ook een eventueel akkoord omtrent de - in uitvoering van dit voorafgaandelijk beslag - aan de Ontvanger te overhandigen bedragen sluit geenszins een bijkomende bewarende maatregel uit. Het uitputten van rechten maakt geen « revanche » uit, laat staan « wetsontduiking » of « omzeiling » van aard de rechtsgeldigheid van het gemeenrechtelijk bewarend beslag in het gedrang te brengen. Voorwaarden bewarend beslag onder derden. 7. De voorwaarde van de beslagrechtelijke urgentie dient voor vervuld gehouden wanneer de financiële positie van de debiteur in het gedrang is en/of de schuldeiser op ernstige wijze vermag te vrezen dat zijn schuldenaar zijn (huidig of toekomstig) onvermogen organiseert of tot deze toestand zal komen en het innen van zijn schuldvordering hierdoor in gevaar zal worden gebracht. Het gegeven dat een verkoop van het onroerend goed nakend was enerzijds en dat appellanten zelf in briefwisseling met de Administratie gewag maakten van financiële moeilijkheden anderzijds volstaat ter fundering van de beslagrechtelijke « urgentie ». Een bewarende maatregel was in de gegeven omstandigheden dan ook gewettigd. De zekerheid van de schuldvordering komt niet in het gedrang wanneer deze niet voor ernstige betwisting vatbaar is. In casu wordt door appellanten in dit kader weliswaar verwezen naar een bezwaar dat zou zijn geformuleerd bij brief van 27 februari 1995, brief die evenwel niet wordt voorgelegd, waarvan de inhoud niet kan worden geapprecieerd; derhalve is geen bewijs geleverd van ernstige betwisting. Ook de opeisbaarheid wordt, gelet op het voorhanden zijnde uitvoerbaar kohier, niet in het gedrang gebracht door het bestaan van een bezwaarschrift. In die omstandigheden was een bewarende maatregel dan ook gewettigd. 8. Nu de schuldvordering haar grondslag vindt in een « rechtsverhouding » tussen de beslagenen en de notaris omtrent de voorgenomen verkoop, verhouding die-niet betwist wordt en op het tijdstip van het beslag bestond, is het zonder belang of de « gelden » reeds aanwezig waren, op de dag van het beslag. Schadevergoeding. 9. Het poneren van schade ontslaat niet van het bewijs ervan; dit onverminderd dat de vordering noopt tot bewijs van fout in hoofde van geïntimeerde. Gelet op hetgeen voorafgaat, is dergelijke fout niet bewezen, terwijl het beslag evenmin werd gelegd of een tergende en/of roekeloze wijze. Dit geldt tevens voor de notaris - die overigens niet eens in het geding is betrokken - die, gelet op het regelmatig gelegde gemeenrechtelijk aanvullend beslag, weigerde de gelden af te geven. Op deze gronden, Het Hof, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het Taalgebruik in Gerechtszaken, Alle andersluidende en/of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond; Verwijst appellanten tot de kosten van deze aanleg, in hun hoofde niet nuttig te vereffenen, in hoofde van geïntimeerde vereffend op 8.200 F. |
|||||||