Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.12.1999
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Berekening meerwaarden,Uitgestelde betaling,Disconto
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.12.1999
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.12.1999 Tax year : 2005 Document date : 02/12/1999 Document language : NL Modification date : 29/11/2006 08:05:24 Name : C 99/1 Version : 1 Court : cassation
ARREST C 99/1 Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.12.1999 FJF 2000/102 Berekening meerwaarden - Uitgestelde betaling - Disconto Artikel 31, 1° van het WIB bepaalt dat winsten of baten als bedoeld in artikel 20, 4° van het WIB die zijn welke worden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting door de belastingplichtige van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep, een ambt, post of winstgevende bezigheid en die voortkomen van meerwaarden op lichamelijke of onlichamelijke activa, met inbegrip van grondstoffen, producten en koopwaren, die voor de exploitatie, dat beroep of die bezigheid werden gebruikt. Deze winsten en lasten die voortkomen van de bedoelde behaalde of vastgestelde meerwaarden, zijn aan de inkomstenbelasting onderworpen voor hun werkelijke waarde in de loop van het jaar tijdens hetwelk de meerwaarde is behaald of vastgesteld. Anders dan in geval van een zekere schuldvordering die geen rente oplevert, maar die pas later opeisbaar is, moet de behaalde of vastgestelde meerwaarde, zonder aftrek van disconto, in aanmerking worden genomen om de belasting vast te stellen. Het hof van beroep dat m.b.t. de overlating van een handelszaak beslist dat het door de belastingplichtige geboekte disconto op het nog niet eisbaar gedeelte van de schuldvordering voor het niet-betaalde gedeelte van de overlatingsprijs, geen deel van de belastbare meerwaarde is, schendt artikel 31, 1° van het WIB. HET HOF, Gelet op het bestreden arrest, op 29 januari 1996 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen Over het eerste middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 31, 1°, en 277, § 1, WIB zoals die van toepassing waren voor het aanslagjaar 1984, doordat het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat (verweerder) een handelszaak heeft overgedragen op 25 oktober 1983 gelegen Jordaenskaai 6-8 te Antwerpen voor de prijs van 5.000.000 frank betaalbaar door wissels zonder intrest, dat de boekwaarde van de overgedragen handelszaak in totaal 2.488.096 frank bedroeg en de meerwaarde 2.511.378 frank, dat hierop onmiddellijk in 1983 (aanslagjaar 1984) een disconto in rekening werd gebracht van 747.859 dat afgeboekt werd naar een provisierekening en dus niet ten laste werd gelegd van het resultaat, dat voor 1983 een stopzettingsmeerwaarde werd aangegeven van 1.763.519 frank zijnde 2.511.378 frank - 747.859 frank, dat de overnemer in de loop van 1984 failliet verklaard werd en er geen enkele betaling meer te verwachten viel, dat de administratie de provisionering van het disconto geweigerd heeft, dat (verweerder) stelt dat er terzake een dubbele belasting is ontstaan door het belasten van het disconto in aanslagjaar 1984 en deze dubbele belasting zou blijken uit de boekhoudkundige verwerking van het disconto, beslist dat het geboekte disconto op het nog niet eisbaar gedeelte van de schuldvordering in geen geval een opbrengst is die tijdens het boekjaar 1983 zou zijn verworven, dat (eiser) in feite in besluiten niet ontkent dat er terzake een dubbele belasting is doch voorhoudt dat deze dubbele belasting in het aanslagjaar 1985 zou moeten rechtgezet worden, dat inderdaad gezien het disconto in 1983 bij de belastbare winst wordt gevoegd de heer Celis in 1984 recht heeft op een afboeking van dit disconto naar een kostenrekening, dat gezien (verweerder) het gedeelte van de oninbaar geworden schuldvordering ten belope van dit disconto niet als een verlies heeft afgeboekt in 1984 (aanslagjaar 1985) en ook niet als verlies kon afboeken omdat het op een provisierekening stond, hij thans een tweede keer zou worden belast in het aanslagjaar 1984 omdat de administratie dit disconto in dit jaar rechtstreeks wil belasten, dat bovendien het aanslagbiljet art. 600.137 waarin het disconto van 747.859 frank werd belast (aanslagjaar 1984) slechts verzonden werd op 23 januari 1987 zodat (verweerder) op dat ogenblik zijn aangifte m.b.t. aanslagjaar 1985 niet meer kon aanpassen, dat dan ook dient aangenomen dat er terzake een dubbel belasting is, dat de aanslag die moet ontheven worden deze is die ongegrond is namelijk deze van het aanslagjaar 1984 huidige betwiste aanslag, dat (verweerder) immers recht had op een disconto maar zijn bezwaarschrift laattijdig was, dat het principe van het disconto op een schuldvordering die pas in de toekomst eisbaar is reeds in de rechtspraak was toegelaten vooraleer dit principe opgenomen was in het WIB (zie o.m. Cass. 28 oktober 1982, FJF 82/47), dat over het bedrag van het disconto geen betwisting bestaat, dat dienvolgens de bestreden beslissing m.b.t. het punt van het disconto dient gewijzigd en deze grief dient te worden ingewilligd en de ontheffing beveelt wegens dubbele belasting op het disconto ten belope van 747.859 frank, terwijl, eerste onderdeel, voor wat betreft de meerwaarden als bedoeld in art. 31, 1°, WIB generlei disconto in mindering mag worden gebracht van de overdrachtprijs nu uit deze wetsbepaling volgt dat enkel in aanmerking mag worden genomen de overdrachtprijs zoals die is "vastgesteld" in de akte van overdracht van 25 oktober 1983 zijnde 5.000.000 frank (stuk 20, blz. 3) ongeacht of de betaling van de overdrachtprijs onmiddellijk geschiedt of in de tijd gespreid wordt en ongeacht of de niet-contant betaalde overdrachtprijs al dan niet rente-opbrengend is, zodat het bestreden arrest door te beslissen dat het door (verweerder) berekende en geboekte disconto ten onrechte in de aanslagbasis van het aanslagjaar 1984 is opgenomen en de aanslag van het aanslagjaar 1984 in die mate ongegrond is artikel 31, 1°, WIB schendt en Wat het eerste onderdeel betreft: Overwegende dat, volgens artikel 20, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), bedrijfsinkomsten die zijn welke rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit winsten en baten die betrekking hebben op een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door de genieter of door de persoon waarvan hij de rechtverkrijgende is Dat, krachtens artikel 31, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), winsten of baten als bedoeld in artikel 20, 4°, die zijn welke worden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting, door de belastingplichtige, van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep, een ambt, post of winstgevende bezigheid en die voortkomen van meerwaarden op lichamelijke of onlichamelijke activa, met inbegrip van grondstoffen, producten en koopwaren, die voor de exploitatie, dat beroep of die bezigheid werden gebruikt Overwegende dat de winsten en lasten die voortkomen van de bedoelde behaalde of vastgestelde meerwaarden, aan de inkomstenbelasting onderworpen zijn voor hun werkelijke waarde in de loop van het jaar tijdens hetwelk de meerwaarde is behaald of vastgesteld Dat, anders dan in geval van een zekere schuldvordering die geen rente oplevert, maar die pas later opeisbaar is, de behaalde of vastgestelde meerwaarde, zonder aftrek van disconto, in aanmerking moet worden genomen om de belasting vast te stellen Overwegende dat het arrest beslist dat het door verweerder geboekte disconto op het nog niet eisbaar gedeelte van de schuldvordering voor het niet-betaalde gedeelte van de overlatingsprijs, geen deel van de belastbare meerwaarde is Dat het aldus artikel 31, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) schendt Dat het onderdeel gegrond is Over het tweede middel, gesteld als volgt: schending van artikel 277, § 1, WIB, inzonderheid miskenning van het begrip materiële vergissing, doordat het arrest, na te hebben vastgesteld dat in het bericht van wijziging van 4 november 1986 wordt vermeld "dat de stopzettingsmeerwaarde ten belope van 2.511.904 frank gezamenlijk werd belast daar de overgedragen activa alle minder dan 5 jaar in het actief werden opgenomen", dat van deze voorwaarde van 5 jaar in het voor het aanslagjaar 1984 geldende art. 31, 1°, WIB en art. 93, § 1, 2°, b, WIB geen sprake is, dat er blijkbaar geen enkele appreciatie mogelijk is over het toe te passen tarief, beslist dat deze verkeerde aanslagvoet dan ook dient gelijk gesteld te worden met een onachtzaamheid, dat deze vergissing dan ook als een materiële vergissing dient aanzien te worden in de zin van art. 277, § 1, WIB en dat het tarief derhalve 16,5 pct. bedraagt, terwijl uit het bericht van wijziging blijkt dat het onderwerpen van de stopzettingsmeerwaarde aan het tarief dat slaat op de geglobaliseerde inkomsten het resultaat is van een redenering en dienvolgens het gevolg is van een rechtsdwaling die niet op grond van art. 277, § 1, WIB kan worden rechtgezet vermits de toepassing ervan beperkt is tot vergissingen die onafhankelijk zijn van enige juridische beoordeling, zodat het bestreden arrest door te beslissen dat de toepassing van een verkeerde aanslagvoet in casu dient te worden gelijkgesteld met een onachtzaamheid en dat deze vergissing dan ook als een materiële vergissing dient te worden beschouwd, artikel 277, § 1, WIB schendt: Overwegende dat, krachtens artikel 277, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) en onder de aldaar bepaalde voorwaarden, de directeur der belastingen ambtshalve ontheffing verleent van de overbelastingen die onder meer voortvloeien uit materiële vergissingen Dat de materiële vergissing in de zin van voormeld artikel 277, een feitelijke vergissing is als gevolg van een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist Overwegende dat indien een stopzettingsmeerwaarde onterecht gezamenlijk belast wordt in plaats van tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 percent, dit toe te schrijven is aan een verkeerde beoordeling van de verschuldigde belasting en geen materiële vergissing is Overwegende dat het arrest, door anders te oordelen, ambtshalve ontheffing verleent buiten de gevallen waarin het vermelde artikel 277, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) voorziet dat het aldus dit artikel schendt Dat het middel gegrond is Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden OM DIE REDENEN, Zonder acht te slaan op de door verweerder buiten de termijn van artikel 389 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) neergelegde memorie van antwoord, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de voorziening ontvankelijk verklaart en beslist over de recuperatie van bedrijfsverliezen Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. |
|||||||