Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998

Date :
09-06-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
8 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Déduction (conditions),Rémunérations,Accord individuel,Effets dans le temps

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998
Tax year : 2005
Document date : 09/06/1998
Document language : FR
Name : A 98/23
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 98/23


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998



FJF 99/3

Déduction (conditions) - Rémunérations - Accord individuel - Effets dans le temps

    En matière de déductibilité des rémunérations comme dépenses professionnelles, il ne suffit pas que les montants litigieux aient été payés et que les fiches fiscales exigées aient été établies. Le contribuable doit démontrer à l'aide de données objectives que les prestations fournies sont en relation avec l'exercice de l'activité professionnelle.

    Les dépenses déterminées unilatéralement pour l'achat de carburant et le car-wash peuvent, à défaut de pièces probantes démontrant leur réalité et leur caractère professionnel, être ramenées par le fonctionnaire taxateur à un montant raisonnable.

    Pour la détermination de la partie professionnelle de l'utilisation de l'auto, du téléphone et de l'habitation, le contribuable invoque un accord conclu antérieurement avec le fisc. Cet accord porte néanmoins l'indication que toutes les charges professionnelles déterminées forfaitairement ne valent que pour l'exercice d'imposition concerné et ne font naître aucune obligation pour l'avenir. Les postes de dépenses litigieux n'ont pourtant été aucunement établis de façon forfaitairement mais sont justifiés par des pièces probantes. En outre, la contestation est relative à la proportion entre l'utilisation privée et professionnelle. L'indication portée dans l'accord antérieur ne peut dès lors pas être invoquée par le fonctionnaire taxateur pour déroger aux proportions antérieurement admises.

    La scission du prix d'un achat d'un terrain et d'un mur commun en une partie normale et un surprix - surprix qui trouverait sa cause dans leur acquisition nécessaire pour des raisons professionnelles - doit, à la lumière des articles 44 et 45 du CIR, être démontrée par le contribuable à l'aide d'éléments positifs et probants.

    Les frais d'acquisition d'un terrain ne peuvent pas être considérés comme des charges professionnelles déductibles en vertu de l'article 45, 4° du CIR. Selon cette dernière disposition, sont seuls admis comme charges professionnelles, les amortissements relatifs aux frais d'établissement et aux immobilisations incorporelles et corporelles dont l'utilisation est limitée dans le temps. Puisque la durée d'utilisation d'un fonds n'est pas limitée, les frais portés en compte, c'est-à-dire tant le prix d'acquisition que les honoraires du notaire, ne peuvent être déduits comme frais professionnels sur la base des articles 44 et 45 du CIR.

    Puisque la matière fiscale est d'ordre public, la cour d'appel est tenue d'apprécier tant la légalité et le fondement de la cotisation que la valeur probante des éléments rapportés. Il en résulte que la cour n'est pas liée par les appréciations en fait ou en droit du directeur régional et qu'elle peut soulever d'office les éléments qui permettent de justifier la cotisation.

    L'application de l'accroissement de 10 % est justifiée lorsque le contribuable reconnaît lui-même que les revenus déclarés pour les exercices d'imposition litigieux sont insuffisants et qu'ils ont été à bon droit majorés par le fonctionnaire taxateur.



Voorzitter : Mevr. Bertrand
Raadsheren : M. Thys, Mevr. Winants
Advocaten : Mr. Verlinden loco Mr. Dubois, Mr. Lernout

L.W., S.M.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest :
Gelet op de aanslagen in de personenbelasting, Gemeente Mortsel :
a)  Aanslagjaar 1988, inkomsten 1987, artikel 0713092, toegezonden aan de belastingschuldigen op 28 augustus 1990;
b)  Aanslagjaar 1989, inkomsten 1988, artikel 0713191, toegezonden aan de belastingschuldigen op 11 september 1990;
c)  Aanslagjaar 1990, inkomsten 1989, artikel 2723578, toegezonden aan de belastingschuldigen op 4 december 1992;
d)  Aanslagjaar 1991, inkomsten 1990, artikel 2723672, toegezonden aan de belastingschuldigen op 11 december 1992;
Gelet op de bezwaarschriften, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, respectievelijk op 29 oktober 1990 en 21 december 1992;
Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 6 oktober 1994,
dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldigen, waardoor ontheffingen ten bedrage van 2 400 F. (a.j. 1990) en 2 238 F. (a.j. 1991) werden verleend en de bezwaren voor het overige worden afgewezen;
Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 15 november 1994, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 15 november 1994;

* * *
Overwegende dat eisers de hervorming nastreven van de bestreden beslissing teneinde hun bezwaren geheel gegrond te horen verklaren, dienvolgens de betwiste aanslagen te horen tenietdoen in de mate dat ze werden gevestigd zonder rekening te houden met de totale aangegeven bedrijfsuitgaven van respectievelijk 1 441 207 F., 1 264 120 F., 1 271 644 F. en 1 603 192 F. en dat ze een belastingverhoging van 10 % toepassen, te horen zeggen voor recht dat bij komend de bedragen van respectievelijk 289 436 F., 282 535 F., 300 744 F. en 324 018 F. als aftrekbare bedijfsuitgaven in mindering dienen gebracht, de herberekening van de aanslagen te horen bevelen en verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding;
Overwegende dat verweerder de bevestiging van de bestreden directoriale beslissing nastreeft, en daartoe het door de gedelegeerde ambtenaar ingenomen standpunt handhaaft en verdedigt;

* * *
Overwegende dat eisers met betrekking tot de aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991 tijdig regelmatige aangiften in de personenbelasting hebben ingediend, waarin opgave werd gedaan van bedrijfslasten van respectievelijk 1 441 207 F., 1 264 120 F., 1 271 644 F. en 1 603 192 F.;
Dat de thans betwiste aanslagen, in toepassing van de art. 246 en 251 W.I.B., werden gevestigd overeenkomstig de gegevens vermeld in de berichten van wijziging van aangifte d.d. 3 mei 1990 en 29 september 1992 en met toepassing van een belastingverhoging ten bedrage van 10 % wegens het indienen van onjuiste aangiften;
Dat de taxatieambtenaar met de voornoemde berichten eisers ter kennis bracht dat hij voornemens was de gegevens van de ingediende aangiften te wijzigen, aangezien enerzijds bepaalde ontvangsten niet werden aangegeven en anderzijds de overeenkomstig art. 44 W.I.B. in mindering gebrachte bedrijfsuitgaven ofwel niet bedrijfsmatig waren ofwel overdreven en onvoldoende bewezen waren;
Overwegende dat het voorwerp van de betwisting, de eraan ten grondslag liggende feitelijke omstandigheden en de door eisers aangevoerde bezwaren op bondige doch passende wijze in de bestreden beslissing worden uiteengezet;
Dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt;
Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat eisers de gevestigde aanslagen enkel betwisten in de mate dat de opgegeven bedrijfsuitgaven werden beperkt en dat een belastingverhoging werd opgelegd, doch geenszins betwisten dat de voor de vier betwiste aanslagjaren aangegeven inkomsten ontoereikend waren en terecht door de taxatieambtenaar werden verhoogd;
Dat derhalve te dezen onmiskenbaar vaststaat dat, wat de aangegeven inkomsten betreft, de ingediende aangiften alleszins onjuist en onvolledig waren, zodat in toepassing van art. 334 lid 1 W.I.B. het opleggen van een belastingverhoging in ieder geval wettelijk is, en het toegepaste percentage van 10 % volkomen in overeenstemming is met de bepalingen van art. 238  bis K.B. tot uitv. W.I.B.;
Dat de thans door eisers ingeroepen middelen met betrekking tot de principiële betwistingen inzake de aftrekbaarheid van de kosten voor de vaste activa, de bepaling van het beroepsmatig gedeelte van het aanwenden van de woning en het al dan niet beroepen op de voorheen afgesloten akkoorden niet vermogen vorenstaande vaststellingen inzake de onvolledigheid en onjuistheid van de aangiften teniet te doen; dat derhalve in casu de door eisers op de bepalingen van het W.I.B. begane inbreuk vaststaat, zodat de belastingverhoging terecht werd opgelegd en er thans geen redenen worden aangevoerd die van aard zijn ontheffing te verlenen van de opgelegde verhogingen van 10 %;
Dat dienvolgens de grief van eisers desbetreffend, met betrekking tot de vier betwiste aanslagjaren, ongegrond is en terecht door de gedelegeerde ambtenaar werd afgewezen;
Overwegende dat, wat de bedrijfsuitgaven betreft, art. 44, lid 1 W.I.B. bepaalt dat de aftrekbare bedrijfsuitgaven of -lasten die zijn, welke de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed;
Dat krachtens het tweede lid van voornoemd artikel de uitgaven of lasten waarvan het bedrag niet overeenkomstig het eerste lid is verantwoord, in gemeenschappelijk overleg door de administratie en de belastingplichtige op een vast bedrag worden bepaald, en dat indien geen akkoord wordt bereikt de Administratie die uitgaven of lasten taxeert op een redelijk bedrag;
Overwegende dat de bewijslast inzake bedrag, werkelijkheid en bedrijfskarakter van de ingeroepen uitgaven steeds op de belastingplichtige rust;
Dat derhalve wat het bedrijfsmatig karakter betreft, de belastingplichtige dient aan te tonen dat de kwestieuze uitgaven een noodzakelijk verband vertonen met de uitgeoefende beroepsactiviteit, of met andere woorden dat die uitgaven bijdragen tot het verkrijgen of het behouden van de bedrijfsinkomsten;

A.

Overwegende dat met betrekking tot aanslagjaar 1988 in de eerste plaats betwisting bestaat nopens het in rekening gebrachte bedrag van 35 980 F., zijnde de aan K. en E.H. betaalde lonen van respectievelijk 20 350 F. en 15 360 F.;
Dat eisers inroepen dat beide voornoemde personen gedurende de vakantieperiode werden ingeschakeld om administratieve taken te verrichten, wat de betrokkenen bevestigen in een verklaring van respectievelijk 11 en 12 april 1990; ( cf. stukken 45 en 46);
Dat te dezen weliswaar vaststaat dat het kwestieuze bedrag werd betaald en dat eerste eiser daartoe de fiscale fiches nr. 281.10 opstelde ( cf. stuk 57), doch dat geen enkel objectief gegeven wordt overgelegd dat van aard is aan te tonen of uit te wijzen dat beide dames prestaties leverden in het dokterskabinet van eerste eiser en derhalve in verband staan met de uitoefening van de bedrijfsactiviteit; dat immers de beide verklaringen slechts werden opgesteld nadat de controleambtenaar reeds onderzoekingen nopens aanslagjaar 1988 had ingesteld ( cf. stukken 73 tot 75) en derhalve in tempore suspecto werden afgelegd, zodat hieraan onvoldoende bewijskracht kan worden toegeschreven;
Dat dan ook in casu het bedrijfskarakter van de in rekening gebrachte uitgaven onvoldoende wordt aangetoond, zodat dit bedrag terecht als aftrekbare bedrijfsuitgave werd verworpen;

B.

Overwegende dat eisers met betrekking tot aanslagjaar 1991 in de bijlage aan het aangifteformulier opgave deden van uitgaven voor aankoop van brandstoffen voor de voertuigen van 59 786 F. en voor wassen van de wagens van 11 177 F. ( cf. stuk 207); dat met betrekking tot de aankoop van brandstoffen wordt verwezen naar een aantal rekeningen ( cf. stukken 234-235), waarvan evenwel geen enkel rechtvaardigingsstuk wordt overgelegd en dat inzake de car-washuitgaven geen enkele verwijzing noch verantwoordingsstuk wordt bijgebracht;
Dat echter bij gebrek aan bewijsstukken geen enkele controle mogelijk is nopens de werkelijkheid van de gedane uitgaven, noch nopens het bedrijfsmatig karakter van de totaliteit der ingebrachte bedragen; dat der halve de taxatieambtenaar te dezen volkomen gerechtigd was de uitgaven der wasbeurten te taxeren op het redelijke bedrag van 5 000 F. en de brandstofkosten te berekenen op grond van de werkelijke afgelegde afstanden - blijkend uit de onderhoudsfacturen - en van het normale verbruik van het betrokken voertuig, wat dan ook vaststaande gegevens zien waaraan de niet gestaafde beweringen van eisers geen afbreuk vermogen te doen; dat dan ook de aftrekbare uitgaven voor brandstoffen op goede gronden op 32 143 F. werden bepaald;
Dat dienvolgens de door eisers desbetreffend ingeroepen grieven ongegrond zijn en terecht werden afgewezen;

C.

Overwegende dat uit het onderzoek van de gegevens van de zaak blijkt dat alle overige door eisers aangevoerde grieven betrekking hebben op de over de vier aanslagjaren gevestigde aanslagen;
Dat derhalve betwisting wordt gevoerd nopens :
-  het beroepsmatig gedeelte der auto- en telefoonkosten;
-  het bedrijfsmatig gedeelte der kosten van de lening, der bedrijfsintresten, van de afschrijving van de bouw der praktijk, en van de kosten van electriciteit, gas, brandverzekering en niet af te schrijven materieel;
-  de aftrekbaarheid van de kosten voor aankoop van de vaste activa;
1)  Overwegende dat eisers het privé-gedeelte voor gebruik van de wagen en de telefoon bepalen op respectievelijk 1/7 en 1/10, en zodoende de kwestieuze uitgaven ten belope van respectievelijk 6/7 en 9/10 als aftrekbare bedrijfslasten inbrengen;
Dat zij deze berekeningswijze verantwoord achten aangezien met betrekking tot de aanslagjaren 1986 en 1987 met de taxatieambtenaar een individueel akkoord met betrekking tot deze uitgavenposten werd afgesloten, waarin voornoemde verhoudingen werden aangenomen;
Dat de taxatieambtenaar evenwel met betrekking tot de aanslagjaren 1988 tot 1991 het privé-gedeelte der autokosten op 2/7 en van de telefoonuitgaven op 1/4 heeft bepaald en dienvolgens de in toepassing van art. 44 W.I.B. aftrekbare bedrijfsuitgaven slechts ten belope van respectievelijk 5/7 en 3/4 in aanmerking heeft genomen;
Overwegende dat eisers thans inroepen dat geheel ten onrechte en zonder enige aanwijsbare reden met betrekking tot de thans in betwisting ziende aanslagjaren van de voorheen overeengekomen verhoudingen werd afgeweken, en dat het de administratie slechts toegelaten is voor de toekomst de toepassing van de akkoorden te weigeren mits voorafgaandelijke opzegging;
Dat verweerder evenwel inroept dat de kwestieuze akkoordverklaringen, afgesloten met betrekking tot de aanslagjaren 1986 en 1987, uitsluitend van toepassing waren voor de kwestieuze aanslagjaren zelf en geen verbintenis voor de toekomst inhielden; dat hij ter staving hiervan ter terechtzitting van 17 maart 1998 twee op 26 november 1987 ondertekende akkoordverklaringen overlegt;
Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de overgelegde stukken, vaststelt dat beide stukken de vermelding dragen «Alle individuele akkoorden betreffende forfaitair bepaalde bedrijfslasten gelden slechts voor bovenvermeld aanslagjaar en zijn geen verbintenis voor de toekomst»;
Dat de lezing van deze tekst uitwijst dat de beperkte geldingskracht van het akkoord slechts geldt met betrekking tot de forfaitair bepaalde bedrijfslasten; dat echter te dezen de kwestieuze uitgavenposten geenszins op forfaitaire wijze worden geraamd doch geheel door bewijsstukken worden verantwoord, en er enkel betwisting bestaat nopens de verhouding tussen het privé- en het beroepsmatig verbruik; dat derhalve de door de taxatieambtenaar desbetreffend ingenomen standpunten niet door de voornoemde beperkende tekst worden geviseerd, zoals eisers terecht inroepen;
Dat evenwel hic et nunc enkel de akkoordverklaringen worden voorgelegd, waaruit uitsluitend blijkt dat telkens tegenover code 659 een welbepaald bedrag diende aangegeven; dat het dan ook in de gegeven omstandigheden voor het Hof onmogelijk is, zonder overlegging van alle stukken die tot de ondertekening van de voornoemde akkoordverklaringen hebben geleid, vast te stellen of de taxatieambtenaar werkelijk inzake de verhouding beroeps/privé-gedeelte de uitgaven zien akkoord heeft betuigd op grond van werkelijke gegevens die aan de realiteit beantwoorden; dat het Hof evenmin hic et nunc kan nagaan of de omstandigheden in de thans betwiste aanslagjaren een wijziging van de voorheen vastgestelde en aanvaarde toestand verantwoorden;
Overwegende dat het derhalve, ter oplossing van huidig geschil, noodzakelijk is dat verweerder alle gegevens inzake vaststellingen van en besprekingen met de taxatieambtenaar met betrekking tot de uitgaven voor gebruik van de wagen en de telefoon zou overleggen;
Dat het derhalve gepast is in toepassing van art. 877 Ger. W., aan verweerder bevel te geven alle stukken met betrekking tot de totstandkoming van de over de aanslagjaren 1986 en 1987 ondertekende akkoordverklaringen over te leggen; dat dan ook eisers' verzoek desbetreffend gegrond is en wordt ingewilligd;
2)  Overwegende dat eisers het bedrijfsmatig aandeel in de woning, die zowel als woonhuis als als dokterskabinet is ingericht, bepalen op 33 %, en deze berekening steunen op de gegevens van het terzake opgestelde plan; dat zij dienvolgens alle desaangaande verbonden kosten tevens ten bedrage van 33 % als aftrekbare bedrijfslasten in mindering brengen;
Dat de taxatieambtenaar dit aandeel op 30 % bepaalde en de gedelegeerde ambtenaar, na inzage van de plannen, dit aandeel vaststelde op 31,5 %, en uit dien hoofde met betrekking tot de aanslagjaren 1990 en 1991 ontheffingen heeft verleend, en met betrekking tot de aanslagjaren 1988 en 1989 heeft gesteld dat deze uitgaven alsdan geen bedrijfsuitgaven in de zin van art. 44 W.I.B. uitmaakten;
Overwegende dat het Hof vaststelt dat in het fiscaal dossier weliswaar een fotocopie van het plan van de kwestieuze woning alsmede een berekening van de oppervlakten der lokalen berust ( cf. stukken 47 tot 55), doch evenzeer vaststelt dat het overgelegde stuk totaal onduidelijk is met betrekking tot de als dokterspraktijk en de als woonhuis ingerichte gedeelten en lokalen;
Dat het derhalve in de gegeven omstandigheden onmogelijk is om de door eisers of de door de Administratie gedane berekeningen met betrekking tot het bedrijfsmatig aandeel in deze woning op haar juistheid te controleren;
Dat het dan ook gepast is, in toepassing van art. 774, 2º lid Ger. W., de debatten te heropenen teneinde eisers toe te laten een duidelijk plan, met aanduiding der praktijklokalen en woongedeelten, over te leggen teneinde de beroepsmatige aanwending van de woning en van alle daarmede verband houdende kosten en uitgaven te kunnen beoordelen;
3)  Overwegende dat eisers met betrekking tot de 4 in betwisting zijnde aanslagjaren telkens het bedrag van 207 730 F., zijnde de meerprijs betaald bij de aankoop van de vaste activa, in mindering brachten van de bedrijfsinkomsten;
Dat zij dat bedrag verantwoorden door te stellen dat zij genoodzaakt waren het kwestieuze stuk bouwgrond aan te kopen, aangezien het gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van het reeds - in een huurwoning - gevestigde dokterskabinet en het met het oog op het behoud van het kliëntenbestand vereist was de artsenpraktijk in dezelfde omgeving te vestigen;
Dat zij stellen dat het om beroepsredenen noodzakelijk was deze aankoop te verrichten, doch hiervoor een meerprijs van 51 % dienden te betalen, wat derhalve zijn weerslag had op de aankoopprijs van de grond en van de erelonen bij het verlijden der notariële akte alsook op de overnameprijs van de scheidingsmuur;
Dat de bewuste aankoop geschiedde op 18 februari 1987 en de woning effectief als woonhuis en dokterspraktijk werd in gebruik genomen op 18 september 1989;
Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de overgelede gegevens en van de door partijen aangevoerde middelen, vaststelt dat de aftrek van de som van 207 730 F. voor de aanslagjaren 1988 tot 1991 terecht werd verworpen zowel door de taxatieambtenaar als door de gedelegeerde ambtenaar;
Dat immers in de eerste plaats dient vastgesteld dat eisers geheel in gebreke blijven hun standpunt dat een meerprijs van 51 % werd betaald met enig positief en bewijskrachtig gegeven aan te tonen; dat dan ook hun bemerkingen desbetreffend loutere beweringen zijn, waarvoor geen enkele objectieve verantwoording wordt gegeven; dat derhalve de betaalde aankoop - en overnameprijs en de betaalde notariële erelonen als de normale prijzen dienen aangezien en iedere splitsing in een normaal gedeelte en een «meerprijs» te dezen geen steun vindt in enig bewijskrachtig gegeven;
Overwegende dat enerzijds krachtens art. 45, 4º W.I.B. aanloopkosten van gronden niet als aftrekbare bedrijfslasten kunnen worden aangezien; dat immers slechts afschrijvingen op oprichtingskosten en op immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur is beperkt als aftrekbare uitgaven worden aangemerkt; dat derhalve, nu de gebruiksduur van gronden niet is beperkt, de in rekening gebrachte kosten, zowel aankoopprijs als notariële erelonen, te dezen niet in rekening kunnen worden gebracht als aftrekbare bedrijfsuitgaven in de zin van art. 44 en 45 W.I.B.;
Dat anderzijds blijkt dat eisers de gehele overnameprijs van de scheidingsmuur - met inbegrip van de beweerde meerprijs - in de afschrijvingsbasis van de materiële vaste activa hebben opgenomen; dat deze handelwijze weliswaar correct is overeenkomstig art. 45, 4º W.I.B., doch tevens uitsluit dat de kwestieuze meerprijs nogmaals als afzonderlijke bedrijfsuitgave in mindering wordt gebracht; dat dan ook eisers dezelfde kosten tweemaal in mindering brengen van de bedrijfsinkomsten, wat door de wettelijke bepalingen inzake de aftrekbaarheid van de bedrijfsuitgaven niet is toegelaten;
Overwegende dat weliswaar de door de directeur gedelegeerde ambtenaar de aftrek van de kwestieuze kosten met betrekking tot de vier betwiste aanslagjaren om andere redenen heeft verworpen;
Dat evenwel het Hof van beroep, dat in eerste en laatste aanleg zowel in feite als in rechte uitspraak doet nopens het aangebrachte geschil en rekening houdende met het feit dat belastingszaken de openbare orde raken, gerechtigd is de wettelijkheid en de gegrondheid van de aanslag te beoordelen en zelf de bewijswaarde te beoordelen van de aangebrachte gegevens;
dat het dienvolgens niet is gebonden door de overwegingen in feite of in rechte van de directeur en vermag ambtshalve alle bestanddelen op te werpen die de vestiging van de aanslag kunnen verantwoorden; ( cf. Cass., 27 oktober 1964, Bull. Bel. nr. 422, blz. 1624; Cass., 16 maart 1989, Bull. Bel. nr. 690, blz. 155);
Dat dienvolgens met betrekking tot de in rekening gebrachte kosten inzake de verwerving der vaste activa het Hof vaststelt om vorenstaande consideransen dat deze uitgaven niet als aftrekbare bedrijfsuitgaven kunnen worden in mindering gebracht en dat de betwiste aanslagen desbetreffend wettelijk zijn gevestigd; dat ook reeds de taxatieambtenaar om dezelfde redenen de aftrekbaarheid verwierp; ( cf. berichten van wijziging van aangifte)
Overwegende dat alle thans door eisers ingeroepen middelen en argumenten met betrekking tot de bedrijfsmatigheid van de kwestieuze kosten niet vermogen afbreuk te doen aan vorenstaand vaststellingen en derhalve als niet terzake dienend worden afgewezen;
Dat derhalve de grieven van eisers desbetreffend ongegrond zijn en de bestreden beslissing terzake, al zij het om andere redenen, dient te worden bevestigd;
4)  Overwegende tenslotte dat eisers op de materiële vaste activa, waarvan de gebruiksduur is beperkt, een afschrijvingspercentage van 5 % in rekening bren gen, en dat de taxatieambtenaar bij het vestigen van de aanslagen slechts een percentage van 3 % heeft aanvaard, en zodoende de in mindering gebrachte kosten dienovereenkomstig heeft herleid;
Dat de uitspraak nopens het toe te passen percentage hic et nunc voorbarig is, aangezien het uiteindelijk af te trekken bedrag dient bepaald rekening houdende met het bedrijfsmatig aandeel in de woning, dat thans bij gebrek aan onduidelijke gegevens nog niet kan worden vastgesteld en het Hof hierboven reeds besliste desbetreffend de debatten te heropenen;

* * *
Overwegende dat uit de hierboven gedane vaststellingen volgt dat de bezwaren van eisers met betrekking tot de aftrek van de kosten van de vaste activa voor de aanslagjaren 1988 tot 1991, met betrekking tot de aftrekbaarheid van de gedane bezoldiging inzake aanslagjaar 1988 en met betrekking tot de aftrekbare kosten aankoop van brandstoffen en de wasbeurten van de wagen voor aanslagjaar 1991 ongegrond zijn;
Dat derhalve de bestreden beslissing met betrekking tot voornoemde uitgavenposten juist heeft geoordeeld en derhalve dient te worden bevestigd; dat evenzeer op goede gronden de bezwaren nopens de belastingverhogingen werden afgewezen;
Dat met betrekking tot de overige grieven van eisers hic et nunc geen uitspraak kan worden gedaan, aangezien aan verweerder bevel dient gegeven welbepaalde stukken over te leggen, en de debatten dienen heropend teneinde eisers toe te laten duidelijke plannen met opgave van de bedrijfs- en de privé-lokalen over te leggen;
Dat dan ook de uitspraak nopens de kosten dient aangehouden;

* * *

Om die redenen,
Het Hof,
Recht doende op tegenspraak :
Gelet op art. 24 bis van de Wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Raadsheer
R. Thys;
Verklaart de voorziening toelaatbaar en reeds gedeeltelijk ongegrond;
Bevestigt de bestreden beslissing in zoverre zij de grieven met betrekking tot de aftrek der kosten van de vaste activa ten bedrage van 207 730 F. (aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991), met betrekking tot aftrekbaarheid der bezoldigingen ten bedrage van 35 980 F. (aanslagjaar 1988), met betrekking tot de ten onrechte herleiding der kosten inzake aankoop van brandstoffen en inzake de wasbeurten (aanslagjaar 1991) en met betrekking tot de opgelegde belastingverhoging van 10 % (aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991) ongegrond heeft verklaard en afgewezen;
Heropent, alvorens nopens de andere grieven ten gronde uitspraak te doen, ambtshalve het debat om de hierboven gezegde redenen;
Beveelt verweerder alle stukken die hebben geleid tot de ondertekening van de akkoordverklaringen d.d. 26 november 1987, en betrekking hebben op de totstandkoming ervan over te leggen;
Houdt de uitspraak nopens de kosten aan.